Inhoud

Naar boven


1. Nederlandse Eindejaarstips 2015

Het fiscale landschap blijft in beweging, ook in 2016. Welke fiscale voordelen zijn nog te benutten en welke aandachtspunten zijn er ten aanzien van de financiële planning? Dient actie te worden ondernomen om verliesverdamping te voorkomen, kan gebruik worden gemaakt van de tijdelijke afkoopregeling levensloop en is het verstandig om voor het jaareinde te schenken? In de Eindejaarstips 2015 staan wij met u stil bij de belangrijkste wijzigingen in de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fiscaliteit en sociale wetgeving en de mogelijkheden om hierop te anticiperen.

Naar boven


2. Conclusie A-G over de Nederlandse crisisheffing

In 2013 en 2014 werd telkens ‘eenmalig’ een werkgeversheffing van 16% geheven over het salaris voor zover dat in de voorafgaande jaren, dus 2012 en 2013, meer dan € 150.000 bedroeg. Tegen deze crisisheffing hebben werkgevers massaal bezwaar gemaakt. Een aantal van deze bezwaren wordt als proefprocedure uitgeprocedeerd. Daarnaast zijn er ook individuele procedures aanhangig.

Recent heeft advocaat-generaal Wattel (hierna: A-G) conclusie genomen in een door Meijburg & Co gevoerde proefprocedure tegen de crisisheffing 2014 (met als grondslag dus het loon van 2013). De A‑G concludeert dat (deels) sprake is van terugwerkende kracht en dat die terugwerkende kracht niet kan worden gerechtvaardigd. De crisisheffing vormt volgens de A-G een schending van het recht op eigendom dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). 

De A-G betoogt dat de crisisheffing 2014 in feite twee gerechtvaardigde verwachtingen van belastingbetalers schond. Ten eerste ging het om de verwachting dat de wetgever zich zou houden aan zijn aankondiging dat de crisisheffing alleen in 2013 zou worden geheven en ten tweede om de verwachting dat over tijdvakken die al zijn verstreken niet nogmaals belasting zou worden geheven.

De A-G komt tot de conclusie dat de werking van de crisisheffing daarom niet verder mocht teruggaan dan tot 17 september 2013. Op die datum, Prinsjesdag 2013, is naar de mening van de A-G de eenmalige verlenging van de crisisheffing pas voldoende aangekondigd. De crisisheffing kan daarom niet plaatsvinden over het loon voor 17 september 2013 voor zover dat meer is dan € 150.000. De A-G maakt daarbij geen onderscheid tussen incidenteel loon (zoals een bonus) en regulier loon.

Ter illustratie geven wij het volgende voorbeeld.

Een werknemer heeft in 2013 een salaris van € 325.000 genoten. Daarover is € 28.000 (€ 325.000 ‑ € 150.000 = € 175.000 x 16%) aan crisisheffing afgedragen.

Tot 17 september 2013 bedroeg zijn salaris € 225.000 en na 17 september 2013 was dit € 100.000. Indien de Hoge Raad de A-G volgt, dan zou de verschuldigde crisisheffing worden berekend over de € 100.000 die na 17 september 2013 is genoten. De verschuldigde crisisheffing bedraagt dan € 16.000. Over het salaris tot 17 september 2013 mag volgens de A-G vanwege de terugwerkende kracht geen crisisheffing worden geheven. Wel telt dat salaris mee voor het bereiken van de drempel van € 150.000. 

In een procedure tegen de crisisheffing 2013 (over het loon in 2012) concludeerde de A-G eerder dit jaar ook dat sprake is van ongerechtvaardigde terugwerkende kracht. De werking van de crisisheffing mocht daarbij niet verder teruggaan dan tot 25 mei 2012. Op die datum is naar de mening van de A-G de crisisheffing 2013 pas voldoende aangekondigd.

Uiteraard is het nu wachten op het arrest van de Hoge Raad. Indien deze de adviezen van de A-G volgt, kan dat voor degenen die bezwaar hebben gemaakt tegen de crisisheffing in sommige gevallen tot een teruggaaf van een deel daarvan leiden. Uiteraard houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen. Als u vragen hebt over de gevolgen voor de door u betaalde crisisheffing, raden wij u aan contact op te nemen met uw contactpersoon bij Meijburg & Co.

Esther Schutte en Sandy Govers

Naar boven


3. België introduceert een speculatietaks voor particuliere beleggers

In het kader van de Belgische ‘tax shift’ werd besloten tot de invoering van de zogenoemde speculatietaks. Deze belasting beoogt de meerwaarden op bepaalde effecten gerealiseerd door particuliere beleggers binnen zes maanden na aankoop te belasten. De belasting treedt vermoedelijk in werking vanaf 1 januari 2016. De effectieve reikwijdte van deze belasting is nog niet bekend, maar hieronder schetsen wij alvast de krijtlijnen.

Toepassingsgebied

De speculatietaks beoogt de meerwaarden verwezenlijkt door een particuliere belegger bij ‘snelle’ overdracht (minder dan zes maanden na de aankoop) te belasten. De belasting is zowel van toepassing voor particuliere beleggers die Belgisch rijksinwoner zijn als particuliere beleggers die geen Belgisch inwoner zijn (met name ten aanzien van de in België behaalde meerwaarden). Hierbij moet uiteraard rekening worden gehouden met het toepasselijke belastingverdrag. Veelal zal het belastingverdrag het heffingsrecht over meerwaarden op aandelen toewijzen aan de woonstaat en zal België – als bronstaat – bijgevolg geen speculatietaks kunnen heffen van niet-inwoners.

Binnen het toepassingsgebied vallen meerwaarden gerealiseerd op beursgenoteerde aandelen van binnenlandse en buitenlandse bedrijven. Daarnaast komen ook aandelencertificaten, andere afgeleide producten, opties en warrants in aanmerking voor de speculatietaks. Bij Koninklijk Besluit zal later worden bepaald op welke ‘andere afgeleide producten’ (trackers, turbo’s, sprinters en futures) de meerwaardebelasting van toepassing zal zijn.

Obligaties, converteerbare obligaties en beleggingsfondsen zullen niet worden onderworpen aan de speculatietaks. Dit zal tevens het geval zijn voor gereglementeerde aandelenopties alsook voor aandelen toegekend door de werkgever waarbij de verwerving aanleiding heeft gegeven tot een belastbaar beroepsinkomen.

Er dient te worden opgemerkt dat, ter voorkoming van omzeiling, tevens meerwaarden op effecten verkregen na schenking worden belast. Concreet betekent dit dat u aan speculatiebelasting bent onderworpen wanneer u aandelen die u door middel van schenking hebt verkregen en die de schenker minder dan zes maanden eerder aankocht, verkoopt met een meerwaarde. De meerwaarde wordt bepaald met inachtneming van de initiële aankoopprijs betaald door de schenker.

Speculatietaks

Realiseert u als particuliere belegger een meerwaarde op een dergelijke snelle overdracht, dan zult u, vermoedelijk vanaf 1 januari 2016, worden belast tegen een tarief van 33%. Minderwaarden zijn echter niet aftrekbaar. De beurstaks die u betaalt op de verkoop is wel aftrekbaar.

De speculatiebelasting zal worden geïnd door Belgische financiële tussenpersonen en werkt bevrijdend. Dit betekent dat de ingehouden belasting een eindbelasting is en dat u de gerealiseerde meerwaarde niet dient aan te geven in uw aangifte personenbelasting.

De speculatiebelasting treedt vermoedelijk in werking vanaf 1 januari 2016 en is alleen van toepassing op aankopen na 31 december 2015. Indien u aandelen hebt gekocht in november 2015 en deze met een meerwaarde verkoopt in januari 2016, betaalt u derhalve geen speculatiebelasting.

Voor particuliere beleggers zal de invoering van de speculatietaks mogelijk grote gevolgen hebben. Wij volgen het wetgevend proces daarom voor u op de voet.

Sjeel Debeuf en Kris Lievens

Naar boven


4. Nederland tekent beroep aan in zaak Starbucks

Eind oktober 2015 oordeelde de Europese Commissie dat Nederland instemde met een te lage fiscale winst van Starbucks Manufacturing EMEA B.V. en dat het daarmee staatssteun zou hebben verleend aan Starbucks. Het kabinet gaf reeds aan verbaasd te zijn over dit oordeel, omdat de toegepaste transferpricingmethoden in overeenstemming zijn met de internationaal erkende OESO-richtlijnen.

Op 27 november 2015 heeft de minister van Financiën bekendgemaakt dat Nederland beroep heeft aangetekend tegen het besluit van de Europese Commissie. Lees meer

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


5. Vertegenwoordigers resulteren sneller in een personele vaste inrichting

De laatste maanden is al veel inkt gevloeid met betrekking tot het actieplan van de OESO tegen ongewenste internationale fiscale planning: het ‘Action Plan on Base Erosion and Profit Shifting’, hierna kortweg BEPS.

Het BEPS-rapport bevat vijftien actiepunten. Hierna gaan wij nader in op actiepunt 7 en de mogelijke gevolgen daarvan op de (snellere) belastbaarheid van ondernemingen middels een personele vaste inrichting in een land buiten hun vestigingsstaat.

Een onderneming is in principe alleen belastbaar in een land buiten haar vestigingsstaat indien haar activiteiten in dat andere land kwalificeren als een vaste inrichting (hierna: vi). Naast een kantoor, filiaal, werkplaats enzovoort (materiële inrichting) kan een dergelijke vi ook het gevolg zijn van de aanwezigheid van vertegenwoordigers in een ander land (personele vaste inrichting).

Het doel van voorgenoemd actiepunt 7 is het voorkomen van mogelijke artificiële ontwijkingen van de vi-status om zo een eerlijke verdeling van de belastingheffing over grensoverschrijdende ondernemingswinsten te kunnen garanderen. Concreet zullen in het kader hiervan wijzigingen worden aangebracht in artikel 5, §5 en §6 van het OESO-Modelverdrag. De wijzigingen zullen alleen relevant zijn voor de toekomst en niet als zodanig kunnen worden toegepast onder de huidige belastingverdragen. Niettemin kan niet worden uitgesloten dat actiepunt 7 leidt tot een striktere positie van belastingambtenaren bij de toepassing van de huidige belastingverdragen, in het bijzonder wat betreft de situaties waarin een vertegenwoordiger geacht wordt de onderneming te verbinden.

In het bijzonder heeft men situaties op het oog waarbij contracten die op substantiële wijze worden onderhandeld in een land maar daar niet worden afgesloten omdat ze elders gefinaliseerd en goedgekeurd worden en situaties waarin commissionairs optreden.

Om al dan niet tot een personele vi te besluiten, kijkt men onder de huidige regelgeving voornamelijk naar de vraag of de vertegenwoordiger al dan niet de bevoegdheid heeft om bindende contracten af te sluiten in naam van de onderneming en of hij die bevoegdheid aldaar ook gewoonlijk uitoefent. In het verleden werd, op basis van deze definitie, in de internationale rechtspraak geconcludeerd dat een commissionair die in eigen naam optreedt (en dus niet in naam van de onderneming voor wiens rekening hij optreedt) niet kwalificeert als een personele vi.

De OESO stelt nu dat, om misbruik uit te sluiten, een uitbreiding van de definitie van personele vi aan de orde is. Zo zou het in de toekomst volstaan dat een persoon die geen onafhankelijke agent is, optreedt in de bronstaat voor rekening van een buitenlandse onderneming en in dat verband geregeld contracten afsluit of gewoonlijk de determinerende rol speelt in de totstandkoming van contracten die routinematig en zonder substantiële wijziging door de onderneming worden afgesloten. Deze contracten moeten betrekking hebben op de eigendomsoverdracht of de toekenning van een gebruiksrecht op zaken of op het leveren van diensten door die onderneming.

Bijgevolg zou het reeds voldoende zijn om tot een personele vi te besluiten indien aan twee voorwaarden wordt voldaan:

  1. er is sprake van een persoon die optreedt voor rekening van een buitenlandse onderneming en zijn activiteiten hebben rechtstreeks of niet-rechtstreeks impact op de buitenlandse onderneming en
  2. de contracten zijn afgesloten door de persoon of zijn een direct gevolg van zijn handelen.

 

Verder wordt de ‘substance over form’-benadering onderstreept: men dient na te gaan door wiens toedoen het contract tot stand is gekomen en niet zozeer waar het contract wordt ondertekend. Concreet betekent dit het volgende:

  • het formuleren van een bindend aanbod (dat de derde partij aanvaardt) kan volstaan om voor de buitenlandse onderneming een vi te creëren;
  • ook wanneer de lokale vertegenwoordiger slechts een beperkte bevoegdheid heeft om de modaliteiten van het contract aan te passen (bijvoorbeeld wanneer wordt gewerkt met een kaderovereenkomst of standaardovereenkomsten en de vertegenwoordiger alleen kan negotiëren binnen een beperkte prijsvork), kan sprake zijn van een personele vi;
  • indien de vertegenwoordiger ‘alle elementen en details’ van een contract bindend kan onderhandelen, is sprake van een personele vi, ook indien dat contract wordt ondertekend door een persoon in een andere staat.

Anderzijds vormen geen personele vaste inrichting:

  • verkopers die alleen promotionele of reclameactiviteiten uitoefenen;
  • verkopers die alleen productinformatie verschaffen aan potentiële kopers.

Het hebben van een verkoopteam in het buitenland kan voortaan aanleiding geven tot een personele vi, zelfs in situaties waarbij de verkopers formeel geen contracten mogen afsluiten in de bronstaat. Een concrete beoordeling van elke situatie afzonderlijk dringt zich op. 

Wat te doen met een vertegenwoordiger die actief op zoek gaat naar klanten en bestellingen opneemt?

Welnu, als die vertegenwoordiger bestellingen opneemt en onmiddellijk naar het magazijn doorstuurt voor aflevering aan de klant en deze bestellingen achteraf routinematig door de buitenlandse onderneming worden bekrachtigd, zal sprake zijn van een personele vaste inrichting. Hetzelfde geldt wanneer de bestellingen afhankelijk zijn van een review of goedkeuringsmechanisme maar ze worden de facto door de buitenlandse onderneming goedgekeurd (‘rubberstamping’).

Ook in de huidige stand van de belastingverdragen zou voormelde situatie tot een personele vaste inrichting kunnen leiden. Actiepunt 7 van BEPS kan belastingambtenaren dan ook inspireren om vertegenwoordigers met beperkte bevoegdheden alsnog aan te merken als personele vaste inrichting.

In ieder geval mag duidelijk zijn dat in de toekomst (veel) sneller een personele vaste inrichting geacht kan worden aanwezig te zijn. Het verdient dan ook aanbeveling om de huidige werking met vertegenwoordigers onder de loep te nemen. Zoals in eerdere nieuwsbrieven gemeld, is het mogelijk om afspraken te maken met de belastingambtenaar in België en/of Nederland omtrent de vaststelling van een (beperkte) belastbare winstallocatie aan de personele vaste inrichting in België respectievelijk Nederland.

Kris Lievens en Nele Umans

Naar boven


6. Nederlandse staatssecretaris is tot 1 april 2016 coulant ten aanzien van bestaande ATR’s

In de oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de wijzigingen in de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 naar aanleiding van de aanpassingen in de Europese Moeder-dochterrichtlijn.

De wijzigingen treden in werking op 1 januari 2016. Op basis van de gewijzigde regelgeving is een buitenlands lichaam met een (indirect) belang van 5% of meer in een in Nederland gevestigde vennootschap eerder Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd. Kort gezegd is dit het geval indien het buitenlandse lichaam onvoldoende ‘substance’ heeft.

De wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting 1965 betreffen in Nederland gevestigde coöperaties. Deze zijn niet gehouden tot inhouding van Nederlandse dividendbelasting, tenzij (bij fictie) sprake is van misbruik. Op basis van de gewijzigde regelgeving is geen sprake van misbruik – en is een coöperatie dus niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting – indien het directe lid van de coöperatie voldoende substance heeft. 

De hiervoor beschreven substance-eisen betreffen een aanscherping van de huidige regelgeving die ertoe kan leiden dat een bestaande ‘advanced tax ruling’ (hierna: ATR) in beginsel met ingang van 1 januari 2016 vervalt. Dit betreft ATR’s over de afwezigheid van buitenlandse vennootschapsbelastingplicht en/of de afwezigheid van inhoudingsplicht voor coöperaties in de dividendbelasting.

Omdat de staatssecretaris het – uit efficiencyoverwegingen – ongewenst acht dat bovengenoemde ATR’s per 1 januari 2016 vervallen, keurt hij goed dat een dergelijke ATR in stand blijft indien belanghebbende:

  • zich voor 1 januari 2016 schriftelijk meldt bij het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam);
  • hierbij de intentie uitspreekt om voor 1 april 2016 te voldoen aan de substance-eisen;
  • verklaart dat hij erkent dat de ATR per 1 januari 2016 komt te vervallen indien niet voor 1 april 2016 aan de substance-eisen is voldaan;
  • voor 1 mei 2016 het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) informeert of is voldaan aan de substance-eisen. 

Overigens heeft de staatssecretaris uitdrukkelijk opgenomen dat de goedkeuring er niet toe kan leiden dat dividenduitkeringen uit of vervreemdingen van een aanmerkelijk belang respectievelijk opbrengsten uit een coöperatie tussen 1 januari 2016 en het tijdstip waarop aan de substance-eisen wordt voldaan, onbelast blijven. De goedkeuring betreft dus slechts het niet direct per 1 januari 2016 vervallen van de ATR. Indien op 1 januari 2016 niet aan de substance-eisen wordt voldaan, is uiterste voorzichtigheid – ook indien gebruik wordt gemaakt van deze goedkeuring – derhalve geboden.

In een recent overleg tussen de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), waarbij Meijburg & Co is aangesloten, en de Belastingdienst is met de Belastingdienst overeengekomen dat Meijburg & Co haar klanten voor bovengenoemde regeling kan aanmelden in één centraal verzoek met daarin de namen van alle relevante belastingplichtigen. Indien twijfel bestaat of aan de substance-eisen moet c.q. kan worden voldaan, geldt “better safe than sorry” en adviseren wij u zich – via Meijburg & Co – aan te melden.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


7. Belgische btw-plicht rechtspersonen-bestuurders uitgesteld tot 1 april 2016

De opheffing van het keuzestelsel dat rechtspersonen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van een vennootschap toeliet om hun handelingen buiten de btw te houden, werd opnieuw uitgesteld tot 1 april 2016. De Belgische btw-administratie kondigde dit aan in een bericht van 23 november 2015.

Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen een bestuursmandaat (bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar) uitoefenen in een vennootschap. Natuurlijke personen die een mandaat als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar opnemen, zijn in beginsel niet onderworpen aan btw-plicht, aangezien zij optreden als een orgaan van de vennootschap.

Voor rechtspersonen die een dergelijk mandaat opnemen, is een keuzestelstel van toepassing. De btw-administratie laat de keuze aan de rechtspersonen om hun prestaties al dan niet te onderwerpen aan btw. Op 20 november 2014 publiceerde de btw-administratie echter een beslissing waarin zij aankondigde dit keuzestelsel vanaf 1 januari 2015 op te heffen en de gewone btw-regels toe te passen.

Omdat de afschaffing van het keuzestelsel in diverse sectoren aanleiding gaf tot praktische moeilijkheden en interpretatieproblemen, besloot de btw-administratie vervolgens om de toepassing van de nieuwe regeling uit te stellen tot 1 januari 2016. Zij zal tevens een circulaire publiceren waarin de praktische modaliteiten van de nieuwe btw-regeling worden toegelicht.

Aangezien deze circulaire nog steeds niet gepubliceerd is, kondigde de Minister van Financiën recentelijk aan dat de opheffing van het keuzestelsel voor rechtspersonen-bestuurders opnieuw wordt uitgesteld tot en met 1 april 2016.

Vanaf 1 april 2016 zullen rechtspersonen-bestuurders die momenteel hun handelingen nog buiten de btw houden verplicht zijn om zich voor de btw te registreren. Alle vergoedingen (salaris, tantième) die zij ontvangen als tegenprestatie voor de diensten die zij verrichten in uitoefening van hun opdracht, zullen vanaf 1 april 2016 ook onderworpen zijn aan btw. Dit zal een belangrijke kostenpost met zich brengen voor de werkvennootschap die als afnemer geen (of beperkt) btw in vooraftrek kan brengen.

Voor natuurlijke personen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van een vennootschap verandert momenteel niets. Dit zou in de toekomst onder invloed van de Europese instanties echter ook kunnen wijzigen.

Katrien Mellaerts

Naar boven


8. Fiscale waardering van Nederlandse pensioenverplichtingen behoeft aandacht

Veel Nederlandse directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bouwen pensioen op in een eigen vennootschap. Dit biedt hen de mogelijkheid de opgebouwde middelen zelf te beleggen of te investeren in de eigen onderneming. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden, wordt de heffing van inkomstenbelasting van de dga uitgesteld tot het moment van uitkering van het pensioen. 

Een van de aandachtspunten ten aanzien van pensioen in eigen beheer is de fiscale waardering van de pensioenverplichting op de balans van de vennootschap. De Nederlandse fiscale wetgeving schrijft voor dat deze waarde wordt berekend met inachtneming van een rekenrente van ten minste 4%. Indien de marktrente lager is – zoals reeds geruime tijd het geval is – kan dit tot bijzondere situaties leiden. De Hoge Raad heeft onlangs over een dergelijke situatie geoordeeld en dient zich binnen afzienbare tijd uit te laten over een tweede situatie. Hierna lichten wij beide casussen toe aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

Marktrente         3%

Marktwaarde pensioenverplichting             €   1.000.000

Fiscale waarde pensioenverplichting          €      700.000

Overdracht

De casus (vereenvoudigd/gestileerd) waarover de Hoge Raad onlangs heeft geoordeeld, betrof de verkoop van een pensioenverplichting door vennootschap A aan vennootschap B. Deze verkoop vond plaats op 31 december 2005 tegen de marktwaarde (€ 1.000.000). Belanghebbende, vennootschap B, vermeldde de marktwaarde van de pensioenverplichting op haar fiscale slotbalans 2005. De Inspecteur stelde echter dat de pensioenverplichting voor fiscale doeleinden diende te worden gewaardeerd op de fiscale waarde (€ 700.000) en beschouwde het verschil tussen de marktwaarde en de fiscale waarde (€ 300.000) als belaste vrijvalwinst.

Het standpunt van de Inspecteur is in lijn met de wettekst, maar lijkt onredelijk omdat vennootschap B in werkelijkheid geen voordeel realiseert. De Hoge Raad erkende dit ook en stelde dat de verplichting tot het in aanmerking nemen van een vrijvalwinst bij vennootschap B indruist tegen de zogenoemde realiteits- en voorzichtigheidsbeginsels. Omdat de wetgever zich hiervan bij de introductie van de betreffende waarderingsregel ten volle bewust was en dit heeft geaccepteerd, stelt de Hoge Raad echter dat de huidige wettekst dient te worden gevolgd en dat het aan de wetgever is de wettekst aan te passen. 

Hoewel wij bovengenoemde uitkomst onbevredigend achten, moet hierbij wel enige nuance worden aangebracht. Omdat de fiscale waarderingsregel eveneens geldt voor vennootschap A, zoals eerder door het gerechtshof werd bevestigd en bij de Hoge Raad niet meer in geschil was, kon vennootschap A een aftrekpost van het verschil tussen de marktwaarde en de fiscale waarde van de pensioenverplichting per 31 december 2015 effectueren. Uit de volgende casus blijkt dat van een dergelijke corresponderende aftrekpost in een grensoverschrijdende situatie doorgaans geen sprake is. 

Immigratie

De casus waarover de Hoge Raad zich nog dient uit te laten betreft een eerder naar Curaçao verplaatste Nederlandse vennootschap, met daarin een in Nederland opgebouwd pensioen. Deze vennootschap werd op 1 januari 2009 terugverplaatst naar Nederland.

De Inspecteur neemt het standpunt in dat deze vennootschap de pensioenverplichting op haar fiscale openingsbalans per 1 januari 2009 dient te waarderen op de marktwaarde (€ 1.000.000) en op de fiscale balans per einde van het boekjaar op de fiscale waarde (€ 700.000), zodat ook hier sprake is van een belaste vrijvalwinst voor het verschil (€ 300.000).

De advocaat-generaal (A-G) concludeert dat de Hoge Raad het standpunt van de Inspecteur moet volgen. Hij verwijst in zijn conclusie naar de hiervoor besproken zaak en stelt dat het standpunt van de Inspecteur in overeenstemming is met de toepasselijke Nederlandse regelgeving. Omdat de belaste vrijval van de pensioenverplichting naar het oordeel van de A-G niet zijn oorsprong vindt in de verplaatsing van de vennootschap naar Nederland maar zich pas voordoet aan het einde van het boekjaar, is deze naar het oordeel van de A-G ook niet in strijd met Europees recht.

Opvallend is dat de A-G opmerkt dat de einduitkomst anders zou zijn geweest indien het pensioen geheel buiten de Nederlandse jurisdictie zou zijn opgebouwd. In dat geval zouden de fiscale waarderingsregels wat hem betreft buiten toepassing dienen te blijven op basis van doel en strekking daarvan. 

Wij verwachten dat de beslissing van de Hoge Raad identiek zal zijn aan het hiervoor beschreven arrest: belastingheffing zonder dat rendement is gerealiseerd. Overigens is in deze zaak niet aan de orde gesteld dat de heffing leidt tot een aantasting van het vermogen, waardoor de vennootschap in de toekomst mogelijk niet aan haar verplichtingen kan voldoen en sprake is van strijdigheid met het EVRM.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


9. Nieuwe Belgische wet betreffende opeisbaarheid van btw

Het Belgische parlement heeft op 26 november 2015 een wet goedgekeurd betreffende de nieuwe regels inzake opeisbaarheid van btw. In deze nieuwe wet krijgt de factuur opnieuw een belangrijke rol toebedeeld en wordt deze als het ware bestempeld als het belangrijkste feit’ dat aanleiding geeft tot het opeisbaar worden van de btw.

Vanaf 1 januari 2016 zal de btw inzake b2b-handelingen opeisbaar worden bij het uitreiken van een factuur, ongeacht of de uitreiking daarvan plaatsvindt voor of na een levering van goederen of dienstverrichting, tenzij een voorschot van betaling wordt ontvangen. De factuur zal dus een zeer belangrijke rol spelen bij het opeisbaar worden van de btw. De datum van uitreiking van de factuur zal onder andere bepalen wanneer de belastbare handeling moet worden opgenomen in de btw-aangifte en wanneer de btw in vooraftrek kan worden gebracht door de afnemer. Indien geen factuur wordt uitgereikt voor de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de levering of dienstverrichting heeft plaatsgevonden, zal de btw op die dag opeisbaar worden.

Inzake handelingen ten aanzien van particulieren waarvoor geen factuur moet worden uitgereikt, alsook ten aanzien van leveringen van roerende goederen en dienstprestaties verricht voor publiekrechtelijke lichamen wordt de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen. Deze regeling is echter niet van toepassing ingeval het publiekrechtelijk lichaam wordt aangemerkt als de schuldenaar van de btw.

De nieuwe wetgeving is alleen van toepassing op lokale handelingen. De regels betreffende de opeisbaarheid van btw inzake intracommunautaire handelingen worden niet gewijzigd.

De nieuwe wetgeving lijkt sterk op het stelsel dat tot eind 2012 gold. De huidige wetgeving, die in werking trad op 1 januari 2013, gaf aanleiding tot grote onduidelijkheden en werd fel bekritiseerd. Teneinde tegemoet te komen aan deze kritiek zorgde de btw-administratie sedert begin 2013 voor een overgangsregeling die in bepaalde toleranties voorzag en waarbij de belastingplichtige kon kiezen om gebruik te maken van deze toleranties dan wel de nieuwe wettelijke regels betreffende opeisbaarheid toe te passen voor lokale handelingen. Deze overgangsregeling werd telkens verlengd tot zij uiteindelijk op 17 april 2015 definitief werd verlengd in afwachting van nieuwe wetgeving omtrent de opeisbaarheid van de btw. Deze nieuwe wetgeving zal in werking treden op 1 januari 2016.

Katrien Mellaerts

Naar boven