Inhoud

Naar boven


1. Brochure Belgium-Holland Desk

Deze brochure geeft een analyse van de verschillen tussen België en Nederland op het gebied van de jaarrekening, boekhouding, juridische aspecten en de fiscale regels. Dit overzicht bespreekt niet alle details. Bij het nemen van beslissingen betreffende deze onderwerpen adviseren wij u steeds contact te zoeken met een van de leden van de Belgium‑Holland Desk.

Naar boven


2. Nederlandse innovatiebox: actie gewenst?

Wij hebben in deze nieuwsbrief eerder bericht over de internationale aandacht voor regimes om onderzoek en ontwikkeling (R&D of S&O) te stimuleren. Een voorbeeld van een dergelijke stimuleringsmaatregel is het Nederlandse innovatieboxregime. Op grond hiervan worden winsten uit activiteiten waarvoor een patent of een zogenoemde S&O-verklaring is verkregen onder voorwaarden belast tegen een verlaagd (effectief) vennootschapsbelastingtarief van 5%. In een recent evaluatierapport in opdracht van het Ministerie van Financiën werd de regeling als ‘doeltreffend en doelmatig’ aangemerkt.

Zowel in OESO- als Europees verband zijn de huidige innovatieboxregimes in Europa kritisch bekeken en is vooral met betrekking tot geacquireerde intellectuele eigendom en outsourcing van R&D-activiteiten binnen de groep discussie gevoerd. Eerder leek het erop dat het Nederlandse innovatieboxregime met ingang van 1 juli 2016 zou worden beperkt en vanaf dat moment (met een overgangsregime voor bestaande situaties) nog slechts open zou staan voor in Nederland (door)ontwikkelde intellectuele eigendom ten aanzien waarvan patenten zijn verleend.

Inmiddels is de verwachting dat de wijzigingen van de Nederlandse innovatiebox op Prinsjesdag 2016 zullen worden gepresenteerd en met ingang van 1 januari 2017 van kracht zullen worden. Het lijkt erop dat toepassing van de innovatiebox op basis van alleen een S&O-verklaring mogelijk blijft voor het midden- en kleinbedrijf (MKB, ≤ € 50 miljoen geconsolideerde omzet, waarvan ≤ € 7,5 miljoen toerekenbaar aan kwalificerende innovatieve activiteiten).

Bovengenoemde wijzigingen zullen naar verwachting per 1 januari 2017 worden ingevoerd met materieel terugwerkende kracht tot 1 juli 2016. Wij begrijpen dat voor op 1 juli 2016 kwalificerende immateriële activa waarschijnlijk nog maximaal vijf jaar een overgangsregeling zou kunnen worden toegepast. Indien u bezig bent met de ontwikkeling van een immaterieel actief, kan het derhalve van belang zijn dit immaterieel actief (indien mogelijk) voor 1 juli 2016 te doen kwalificeren. Wij bespreken graag met u of, en zo ja op welke wijze dit in voorkomende gevallen mogelijk is.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


3. Aanmerkelijkbelangheffing in België

België kent, in tegenstelling tot Nederland, geen algemene aanmerkelijkbelangheffing voor particulieren die een substantiële deelneming hebben in een vennootschap. Toch is er een specifieke situatie waarin een Belgisch rijksinwoner tegen een aanmerkelijkbelangheffing kan aanlopen. Wanneer hij samen met naaste familie een deelneming van meer dan 25% heeft gehouden, dan is de meerwaarde bij verkoop van deze Belgische vennootschap aan een rechtspersoon die buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd belast met 16,5%.

Meerwaarden op aandelen
Stel dat u, als Belgisch rijksinwoner, aandelen houdt in een vennootschap en u wenst die te verkopen aan een derde partij, dan zal de meerwaarde die u hierop realiseert in principe niet belastbaar zijn. Immers, in België zijn meerwaarden op aandelen in principe niet belast indien ze worden verwezenlijkt buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid en indien ze kaderen binnen het normaal beheer van het privépatrimonium.

Dit ‘principe’ van onbelaste meerwaarden op aandelen werd de afgelopen jaren meer en meer uitgehold. Reeds geruime tijd is er de administratieve doctrine die ‘interne meerwaarden’ belastbaar stelt met 33%. Het betreft meerwaarden die worden gerealiseerd bij verkoop aan of inbreng in een eigen holdingvennootschap en die door de administratie geacht worden te zijn gerealiseerd buiten het normaal beheer van het privépatrimonium. Sinds kort kennen we in België ook een speculatiebelasting van eveneens 33% op meerwaarden gerealiseerd op beursgenoteerde aandelen indien zij worden gerealiseerd binnen zes maanden na aankoop van de betreffende beursgenoteerde aandelen.

Minder bekend is dat we in België sinds mensenheugenis ook een beperkte aanmerkelijkbelangheffing kennen. Het toepassingsgebied is weliswaar beperkt en de heffing van 16,5% speelt enkel indien de aandelen deel uitmaken van een zogenoemde belangrijke deelneming die u aanhoudt of hebt aangehouden in een Belgische vennootschap en wanneer de aandelen worden verkocht aan een buiten de EER gevestigde vennootschap (bijvoorbeeld een Japanse vennootschap).

Verkoop belangrijke deelneming aan niet-EER-vennootschap
Deze meerwaardenbelasting bij verkoop aan een niet-EER-vennootschap is alleen verschuldigd indien de aandelen die worden vervreemd deel uitmaken van een ‘belangrijke deelneming’. Dit is het geval als het gaat om een deelneming:

  1. van meer dan 25% in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen;
  2. die de overdrager alleen of samen met een familiegroep bezit. Onder familiegroep worden begrepen de overdrager, de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner alsook hun beider afstammelingen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad;
  3. ongeacht of dit een onmiddellijke of middellijke deelneming is.

Alternatieven
Aangezien dit artikel slechts speelt voor verkopen van een Belgische vennootschap aan een vennootschap gesitueerd buiten de EER, zal er geen heffing verschuldigd zijn bij een verkoop aan bijvoorbeeld een Europese dochter van de Japanse vennootschap.

Hier dient te worden benadrukt dat het van belang is dat de aankopende Europese dochtervennootschap een effectieve operationele vennootschap met voldoende substantie is. Indien dit niet het geval is en de vennootschap alleen zou worden opgericht ter vermijding van de meerwaardenbelasting bij de overdrager, dan maakt dit rechtsmisbruik uit en kan de meerwaarde alsnog belastbaar worden gesteld op basis van de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, WIB 92). 

Daarnaast merken wij op dat de Belgische wet die de aanmerkelijkbelangheffing instelt zelf in een specifieke antimisbruikbepaling voorziet. Deze bepaling stelt dat meerwaarden gerealiseerd bij de overdracht aan een EER-vennootschap toch aan 16,5% heffing worden onderworpen indien deze aandelen minder dan twaalf maanden nadien opnieuw worden ver­kocht, ditmaal aan een vennootschap gesitueerd buiten de EER. 

Het is daarom belangrijk dat u bij overdracht van uw deelneming aan een EER-vennootschap in de verkoopovereenkomst steeds in een clausule voorziet waarbij de koper zich verbindt de aandelen binnen het jaar niet over te dragen aan een vennootschap gesitueerd buiten de EER. Bovenal is het echter van belang dat u erop toeziet dat de acquisitievennootschap in de EER niet enkel wordt gebruikt ter omzeiling van de aanmerkelijkbelangheffing en dat er voldoende niet-fiscale motieven aanwezig zijn om de aandelen te verkopen aan de EER-vennootschap. 

Kris Lievens en Sjeel Debeuf

Naar boven


4. Update implementatie van BEPS 13

Eerder stelden we u op de hoogte van de stand van zaken omtrent de Nederlandse implementatie van de aanbevelingen van actiepunt 13 van het ‘Base Erosion and Profit Shifting’-project (BEPS) van de OESO inzake transferpricingdocumentatievereisten. Deze nieuwe vereisten zijn ondertussen per 1 januari 2016 verankerd in de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting (artikel 29b-29h), terwijl nadere invulling is gegeven door de Regeling aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen (DB/2015/462M), gepubliceerd door de staatssecretaris van Financiën.

De regeling geeft nadere toelichting op de nieuwe documentatieverplichtingen voor multinationale groepen, inclusief modellen voor het landenrapport, het groepsdossier en het lokaal dossier. Als gevolg van de nieuwe wetgeving moeten multinationals met een geconsolideerde omzet van € 750 miljoen of meer jaarlijks een ‘Country-by-Country Report’ (CbCr- of landenrapport) gaan indienen. Daarnaast geldt met ingang van het belastingjaar 2016 dat groepsmaatschappijen die onderdeel zijn van een multinationale groep met een omzet van € 50 miljoen of meer, een Master File (groepsdossier) en een Local File (lokaal dossier) moeten opnemen in hun administratie ten tijde van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2016.

Nederland behoort tot de groep voorlopers op dit gebied en was een van de eerste landen die de nieuwe OESO-conforme documentatieverplichtingen in de nationale wetgeving hebben geïmplementeerd. In de afgelopen maanden heeft deze ontwikkeling zich verder verspreid, waarbij steeds meer landen ofwel de intentie hebben geuit de aanbevelingen van de OESO op dit punt te gaan implementeren dan wel reeds conceptwetgeving hebben gepubliceerd. Veel landen hebben hier tot nu toe invulling aan gegeven door de verplichting tot het opstellen van een groepsdossier en een lokaal dossier vooralsnog niet over te nemen en alleen de verplichting tot het opstellen van een landenrapport in te voeren. In de landen die de verplichting tot het opstellen van een groepsdossier en een lokaal dossier wel gaan implementeren, kunnen uiteenlopende drempels dan wel een omzetgrens gelden voordat de verplichting intreedt. Ook zien wij dat bepaalde landen het groepsdossier en het lokaal dossier tegelijk met de ingediende aangifte vennootschapsbelasting willen ontvangen. We raden u aan alert te zijn op de verschillende vereisten geldend in de landen waarin uw bedrijf opereert en te blijven monitoren welke verplichtingen per wanneer en per land gelden. Ook merken wij op dat in landen waar de drempel voor het hebben van een groepsdossier en een lokaal dossier niet wordt bereikt, toch nog andere documentatievereisten kunnen gelden. Uiteraard assisteren wij u graag bij het in kaart brengen van de vereisten voor uw bedrijf aan de hand van informatie die wij verkrijgen uit het wereldwijde KPMG-netwerk.

Ook in België spelen deze ontwikkelingen, al dan niet in een ander stadium, een actuele rol. Hoewel er vooralsnog geen formele wetgeving is gepubliceerd, sprak de Belgische Minister van Financiën reeds de intentie uit om een documentatieverplichting in te voeren voor multinationaal opererende ondernemingen met ingang van 1 januari 2016. Er zijn echter nog geen officiële teksten in dit verband verschenen.

Ook op Europees niveau wordt uitvoering gegeven aan het BEPS-actieplan. Op 8 maart 2016 heeft de Raad Economische en Financiële Zaken van de Europese Unie (Ecofin Raad) een politiek akkoord bereikt over het voorstel van de Europese Commissie tot het invoeren van de CbCr-documentatieverplichtingen, evenals de uitwisseling van deze rapporten tussen de lidstaten. Daarvoor wordt de EU-Bijstandsrichtlijn (nr. 2011/16) gewijzigd. Daarnaast is op 12 april 2016 een concreet voorstel van de Europese Commissie gepubliceerd met betrekking tot het invoeren van ‘public country-by-country reporting’, waarmee de jaarrekeningrichtlijn (Richtlijn 2013/34/EU) wordt gewijzigd. Dit voorstel is bedoeld om ervoor te zorgen dat bepaalde multinationals jaarlijks een verslag publiceren waarin in ieder geval per lidstaat bijvoorbeeld de winst en betaalde belastingen worden weergegeven. Volgens dit voorstel zullen multinationals die in de EU actief zijn en waarvan de mondiale inkomsten meer dan € 750 miljoen per jaar bedragen een dergelijke rapportage op hun website beschikbaar moeten stellen voor het publiek.

Dezelfde regels zouden moeten gelden voor niet-Europese multinationals die in Europa zakendoen. Dit laatste voorstel is zeker nog niet definitief en stuit nog op veel kritiek uit het bedrijfsleven. Indien deze regels voor uw bedrijf van toepassing zijn, is het zaak om tijdig de juiste stappen te ondernemen aangezien het niet voldoen aan regels met betrekking tot CbCr in bijna alle landen waar dit inmiddels is ingevoerd tot forse boetes kan leiden.

Dianne Berry

Naar boven


5. Kapitaalvermindering kan aanleiding geven tot belastbaarheid aan vol Belgisch tarief

Wanneer een dochtervennootschap naar aanleiding van een kapitaalvermindering fiscaal gestort kapitaal terugbetaalt aan haar Belgische moedervennootschap, kan de gerealiseerde winst bij de Belgische aandeelhouder niet worden aangemerkt als een meerwaarde op aandelen en kan deze bijgevolg niet genieten van een vrijstelling of verminderd belastingtarief. Deze zienswijze werd bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen in zijn arrest van 15 december 2015.

Stel: een Belgische vennootschap X heeft een participatie van 99,9% in vennootschap Y verworven tegen een aanschaffingswaarde van € 600.000. Op dat ogenblik bedraagt het fiscaal gestorte kapitaal van Y € 1.000.000. X heeft deze participatie dus kunnen kopen voor een lagere prijs dan de kapitaalwaarde van de aandelen, bijvoorbeeld omdat Y verliezen heeft geleden. Enkele jaren later besluit Y een kapitaalvermindering van € 800.000 door te voeren. Hiermee ‘realiseert’ X een winst van € 200.000 (€ 800.000 -/- € 600.000).

Volgens het hof van beroep te Antwerpen kwalificeert deze winst niet als een meerwaarde op aandelen. De winst komt dan ook niet in aanmerking voor een vrijstelling (indien X een kleine of middelgrote onderneming (KMO-vennootschap) is) en kan evenmin genieten van het verminderde belastingtarief van 0,412% (indien X geen KMO-vennootschap is). Aangezien in dit geval geen aandelen worden verkocht, is immers geen sprake van een verwezenlijkte meerwaarde. Bovendien kan de winst niet worden beschouwd als een ontvangen dividend en kan dus evenmin DBI-aftrek (‘definitief belaste inkomsten’) worden toegepast. Voor zover het ontvangen bedrag de aanschaffingswaarde van de aandelen overstijgt, dient dit te worden beschouwd als een gewone belastbare winst, onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting (in beginsel 33,99%). 

Wanneer een Belgische vennootschap aandelen verwerft in een vennootschap voor een prijs beneden de waarde die deze aandelen in het kapitaal vertegenwoordigen, dient men dus voorzichtig te zijn bij een latere reorganisatie van de verworven vennootschap. Bij een latere kapitaalvermindering kan een gedeelte van de kapitaalvermindering immers belastbaar zijn aan het volle tarief in de Belgische vennootschapsbelasting. In een dergelijke situatie kan het fiscaal interessanter zijn om dividenden uit te keren, op voorwaarde dat de belastingkost kan worden gedrukt door toepassing van de DBI-aftrek (95% vrijstelling).

Wij merken hierbij nog op dat een terugbetaling van maatschappelijk kapitaal ter gelegenheid van de vereffening van de onderliggende vennootschap niet dezelfde fiscale behandeling heeft. Ook bij een vereffening kan een aandeelhouder een hoger bedrag aan fiscaal gestort kapitaal (€ 1.000.000) uitbetaald krijgen dan dat wat de vennootschap voor de aankoop van de aandelen heeft betaald (€ 600.000), maar bij vereffening worden de aandelen vernietigd en dus ‘verwezenlijkt’. Op basis van de Belgische rechtsleer en rechtspraak kan in zulke gevallen wel het standpunt worden ingenomen dat de verwezenlijkte meerwaarde op aandelen is vrijgesteld (indien de aandeelhouder een KMO-vennootschap is) dan wel is belast met ‘slechts’ 0,412% (indien de aandeelhouder geen KMO-vennootschap is). Onze ervaring is evenwel dat de administratie dit standpunt doorgaans betwist en bovengenoemd voordeel (evenals al hetgeen boven het gestort kapitaal wordt uitgekeerd) als een (liquidatie)dividenduitkering aanmerkt, waarop onder voorwaarden de DBI-aftrek van toepassing is.

Kris Lievens en Magalie Mortier

Naar boven


6. Belgische btw-plicht van bestuurders-rechtspersonen

Zoals aangegeven in de nieuwsbrief van februari 2016, treedt de btw-plicht voor bestuurders en vereffenaars die optreden door middel van een rechtspersoon definitief in op 1 juni 2016.

Te dien einde werd recentelijk een administratieve beslissing gepubliceerd waarin een aantal verduidelijkingen werd opgenomen omtrent de invoering van de btw-plicht voor deze rechtspersonen. Hieronder volgt een beknopte weergave van de inhoud van deze beslissing.

1. Welke mandaten worden beoogd?

Alle bestuurders-rechtspersonen die een bezoldigd mandaat vervullen in een andere rechtspersoon (dat wil zeggen: een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar privaat of publiek recht dan wel een rechtspersoon naar privaat of publiek recht zoals een vereniging zonder winstoogmerk (vzw), stichtingen, beroepsorganisaties en openbare instellingen), zullen met ingang van 1 juni 2016 btw-plichtig worden wat betreft onderstaande functies:

  • bestuurder (al dan niet aandeelhouder of vennoot, statutair of door de algemene vergadering benoemd);
  • dagelijks bestuurder of gedelegeerd bestuurder;
  • zaakvoerder (al dan niet vennoot, statutair of door de algemene vergadering benoemd);
  • vereffenaar (statutair of door de algemene vergadering benoemd of gerechtelijk aangesteld).

Als bestuurders-rechtspersonen naast de gewone uitoefening van hun mandaat ook nog bijzondere opdrachten vervullen die verder gaan dan de gewone uitoefening van hun mandaat, blijven die prestaties (bijvoorbeeld consulting) zoals voorheen onderworpen aan de btw.

2. Welke vergoedingen worden aan btw onderworpen?

Indien de dienstprestatie voor btw-doeleinden in België zou plaatsvinden, moeten alle vergoedingen die worden verkregen door de bestuurders-rechtspersonen in het kader van voormelde mandaten aan 21% btw worden onderworpen, ongeacht de gehanteerde berekeningswijze, hun benaming of de wijze van toekenning (dat wil zeggen: vaste of variabele periodieke vergoedingen, tantièmes, aanwezigheidsvergoedingen, emolumenten, etcetera).

De btw-administratie verduidelijkte evenwel dat dividenduitkeringen principieel geen verband houden met de uitoefening van een mandaat binnen een vennootschap en derhalve buiten het toepassingsgebied van btw blijven. Dividenden worden immers uitgekeerd op basis van het louter bezit van een deelneming van de bestuurder als investeerder. Vanuit die optiek vormen dividenden geen tegenprestatie voor een dienst.

3. Wanneer wordt de btw opeisbaar?

In principe zijn de diensten van bestuurders-rechtspersonen doorlopende handelingen waarvoor opeenvolgende afrekeningen of betalingen worden uitgevoerd. Het belastbaar feit wordt dus geacht plaats te vinden bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.

Voor tantièmes (onbekend bedrag bij afsluiting van het boekjaar) heeft de btw-administratie aanvullend verduidelijkt dat het belastbaar feit wordt geacht plaats te vinden op de dag van de algemene vergadering van de uitkerende vennootschap die de tantièmes toekent (dus niet het moment van facturatie of betaling).

Toegepast op de overgangsperiode betekent dit dat alle betalingen ontvangen voor 1 juni 2016 of facturen uitgereikt voor diezelfde datum buiten het toepassingsgebied van btw kunnen blijven. Bestuurders-rechtspersonen die bijvoorbeeld hun mandaat uitoefenen in een andere rechtspersoon met geen of een beperkt recht op aftrek van btw, hebben er dus belang bij hun geleverde dienstprestaties uiterlijk 31 mei 2016 te factureren.

Gelieve te noteren dat voor intracommunautaire diensten of diensten geleverd aan publiekrechtelijke lichamen afwijkende btw-opeisbaarheidsregels gelden: voor deze handelingen dient de betaling uiterlijk 31 mei 2016 te worden ontvangen om van de ‘oude regeling’ (dus zonder toepassing van btw) te genieten, ongeacht de factuurdatum.

4. Vrijstellingen of optimalisatiemogelijkheden?

Btw-eenheid?

Een bestuurder-rechtspersoon kan eventueel een btw-eenheid vormen met de rechtspersoon waarin hij een bestuurdersmandaat uitoefent voor zover aan de financiële, economische en organisatorische verbondenheidsvoorwaarden is voldaan. Op die manier zou btw kunnen worden vermeden op de bestuurdersvergoedingen. 

De oprichting van een btw-eenheid is veelal aan te raden wanneer de rechtspersoon waarin het bestuursmandaat wordt uitgeoefend een btw-plichtige is met een beperkt recht op aftrek (bijvoorbeeld actoren in de verzorgingssector, het bank- en verzekeringswezen of het vastgoed).

De btw-administratie heeft in voormelde beslissing aanvullende duiding gegeven omtrent de financiële verbondenheidsvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan om als bestuurder een btw-eenheid te kunnen vormen met de betrokken rechtspersoon. In tegenstelling tot de ‘reguliere’ voorwaarden ten aanzien van financiële verbondenheid dienen de bestuurders-rechtspersonen:

  • zowel aandeelhouder als bestuurder te zijn van de exploitatievennootschap;
  • samen rechtstreeks meer dan 50% van de stemrechten te bezitten verbonden aan de maatschappelijke rechten van de exploitatievennootschap;
  • onderling samen een overeenkomst te hebben afgesloten op grond waarvan zij zich ertoe verbinden dat elke beslissing inzake de oriëntatie van het beleid van de exploitatievennootschap moet worden genomen met hun toestemming, bij unanimiteit.

Btw-vrijstellingen?  

De beslissing licht verder ook nog een aantal gevallen toe waarin bestuurders-rechtspersonen van een btw-vrijstelling zouden kunnen genieten. Onder meer de volgende btw-vrijstellingen kunnen daarbij in overweging worden genomen:

  1. Indien de jaarlijkse bezoldigingen voor de mandaten € 25.000 niet overschrijden, kan de bestuurder opteren om de vrijstellingsregeling kleine ondernemingen toe te passen. Voor de berekening van de drempel dienen alle vergoedingen in aanmerking te worden genomen (tantièmes inbegrepen), waarbij een tijdelijke overschrijding van 10% van de drempel administratief wordt aanvaard. Hierbij moet worden opgemerkt dat de beslissing, met verwijzing naar de circulaire van 25 augustus 2014 omtrent de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, bepaalt dat wanneer een nieuwe onderneming haar activiteit in de loop van een kalenderjaar begint, het drempelbedrag van € 25.000 proportioneel moet worden verminderd naar rato van het aantal kalenderdagen dat verstreken is tussen 1 januari van het betrokken kalenderjaar en de begindatum van de economische activiteit.

  2. Indien de bestuurder-rechtspersoon een mandaat vervult in een collectief beleggingsfonds met rechtspersoonlijkheid, kan de volledige dienstverlening onder voorwaarden een btw-vrijstelling genieten indien deze kwalificeert als ‘beheer van een collectieve beleggingsinstelling’.

  3. Indien de bestuurder-rechtspersoon naast zijn bestuursmandaat eveneens andere diensten verschaft aan de betrokken rechtspersoon, kunnen deze in bepaalde gevallen alsnog van een vrijstelling genieten: denk in het bijzonder aan een arts die via een eigen vennootschap optreedt als bestuurder en als praktiserend arts voor een artsenassociatie, of aan een verzekeringsmakelaar die via een eigen vennootschap optreedt als bestuurder en als makelaar voor een verzekeringsonderneming.

    In deze gevallen aanvaardt de btw-administratie dat de vergoedingen voor de medische dienstverlening respectievelijk de bemiddeling inzake verzekering een btw-vrijstelling blijven genieten voor zover deze vergoedingen objectief bepaald en geformaliseerd worden.

    Wanneer de bestuurder-rechtspersoon de opdeling van zijn verschillende activiteiten niet op een objectieve wijze bepaalt of nauwgezet toepast, beschouwt de btw-administratie in de gegeven omstandigheden minimaal 25% van de aan de bestuurder-rechtspersoon toegekende vergoedingen als vergoeding voor de taken als bestuurder. De btw-administratie heeft eveneens aangegeven na te gaan hoe de verschillende vergoedingen werden verdeeld in de periode voor de btw-plicht.

5. Herziening van btw op historische investeringen?

 Ingevolge de btw-plicht per 1 juni 2016 hebben bestuurders-rechtspersonen in principe een (al dan niet beperkt) recht op aftrek van de btw vervat op hun toekomstige aankopen. 

Wat de historische investeringen betreft, geldt in principe dat wanneer binnen de herzieningstermijn (vijf jaar voor roerende goederen en renovatiewerkzaamheden, vijftien jaar voor nieuw opgerichte onroerende goederen) een wijziging optreedt in het statuut van btw-plichtigen, zij in principe een herziening kunnen uitoefenen van de btw op deze middelen a rato van de resterende herzieningstermijn (per 1/5 of 1/15). 

In tegenstelling tot gerechtsdeurwaarders, notarissen en advocaten, die ingevolge de invoering van de btw-plicht op hun activiteiten van voormelde herzieningen hebben kunnen genieten, aanvaardt de btw-administratie momenteel geen herziening voor rechtspersonen-bestuurders die tot op heden opteerden om hun mandaten buiten het btw-toepassingsgebied te houden. 

Deze weigering gebeurt op basis van de veronderstelling dat de historische investeringen werden aangegaan in een periode waarin zij als ‘niet-belastingplichtige’ kwalificeerden, in tegenstelling tot gerechtsdeurwaarders, notarissen en advocaten die als ‘btw-vrijgestelde belastingplichtigen’ kwalificeerden. 

De praktijk dient evenwel aan te geven in welke mate dit standpunt verdedigbaar blijft, aangezien de bestuurders-rechtspersonen de iure steeds btw-plichtigen zijn gebleven die louter geopteerd hebben op basis van een administratieve toegeving hetzelfde stelsel toe te passen als bestuurders-natuurlijke personen.

6. Wat nu?

 Van uitstel is uiteindelijk geen afstel gekomen…

 Indien u momenteel als bestuurder-rechtspersoon nog niet de nodige stappen hebt ondernomen om met werking vanaf 1 juni 2016 het een en ander te regelen, raden wij u aan niet langer te wachten in de volgende situaties:

  1. U moet een aantal administratieve formaliteiten tijdig vervullen en tevens dient u een correcte btw-boekhouding, inclusief facturatie, te voeren overeenkomstig de Belgische btw-reglementering.
  2. Overweegt u de oprichting van een btw-eenheid, houdt u er dan rekening mee dat uw dossier uiterlijk deze maand volledig moet worden ingediend om per 1 juni 2016 een btw-eenheid op te richten.
  3. Wilt u zich beroepen op de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, dan dient u, net zoals voor een gewone btw-registratie, voor 1 juni 2016 een formulier 604A (melding ‘aanvang van werkzaamheid’) te richten aan uw lokale btw-controlekantoor.
  4. Meent u dat u belangrijke ‘historische’ investeringen hebt gedaan in de voorbije jaren waarvoor het eventueel interessant kan zijn om toch een verzoek tot het uitoefenen van het recht op aftrek van btw te formuleren, dan bespreken wij graag met u de juridische argumenten op basis waarvan het ingenomen administratieve standpunt eventueel zou kunnen worden aangevochten.
  5. Alleen ‘bezoldigde’ bestuurdersmandaten vallen onder het toepassingsgebied van de btw-wetgeving. Misschien kan het interessant zijn de bestaande vergoedingen te heroverwegen, al dan niet in combinatie met de mogelijke uitkeringen van dividenden.
  6. Ten slotte adviseren wij u rekening te houden met de datum van inwerkingtreding van 1 juni 2016 en de btw-opeisbaarheidsregels. Facturatie van bestuurdersvergoedingen tot en met 31 mei 2016 kan zonder btw geschieden. Vanaf 1 juni 2016 is dit anders, ook al factureert u in bijvoorbeeld juni 2016 bestuurdersvergoedingen die betrekking hebben op de periode januari 2016 tot en met 30 juni 2016.

Bij verdere vragen hieromtrent dan wel assistentie met de verschillende registratieformaliteiten of advies over mogelijke optimalisaties, adviseren wij u zo spoedig mogelijk uw lokale KPMG btw-adviseur te contacteren. 

Olivier Deprez en Manuela Dons

Naar boven


7. Fictieve dienstbetrekking commissaris definitief van tafel

Als gevolg van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) wordt de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) per 1 mei 2016 afgeschaft. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel van de Wet DBA heeft de staatssecretaris van Financiën tevens een wetsvoorstel aangekondigd om de zogenoemde fictieve dienstbetrekking van de commissaris per 1 januari 2017 af te schaffen. Vooruitlopend op die wetswijziging heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat in de praktijk desgewenst de voorgenomen wijziging met ingang van 1 mei 2016 kan worden toegepast.

Het betrokken lichaam en de commissaris hebben dus de keuze om per 1 mei 2016 de bepalingen omtrent de fictieve dienstbetrekking toe te passen. Voor een nadere toelichting op de fictieve dienstbetrekking van de commissaris en de impact van de afschaffing hiervan verwijzen wij naar onze nieuwsbrief van februari 2016. Vanzelfsprekend kunnen wij u van dienst zijn bij het in kaart brengen van de gevolgen. 

William Donders en Esther Schutte

Naar boven


8. Schadevergoedingen en de Nederlandse deelnemingsvrijstelling

De deelnemingsvrijstelling kan worden beschouwd als een van de hoekstenen van het Nederlandse fiscale stelsel. Op grond hiervan zijn de voordelen ‘uit hoofde van een deelneming’ vrijgesteld voor de vennootschapsbelasting.

De deelnemingsvrijstelling is in beginsel van toepassing indien een vennootschap in een deelneming een aandelenbelang houdt van ten minste 5% en dit belang niet houdt ter belegging. Een nadere bespreking van de voorwaarden voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling laten wij hier achterwege. Naar aanleiding van een recente conclusie van advocaat-generaal Wattel (A-G), beperken wij ons tot de vraag of voordelen uit hoofde van een deelneming worden genoten.

Voordelen uit hoofde van een deelneming zijn in ieder geval dividenden en vermogenswinsten (en ‑verliezen) gerealiseerd bij de vervreemding van een deelneming. Daarnaast kwalificeren ook valutaresultaten, zogenoemde earn-outs en balansgaranties als zodanig.

De zaak waarover de A-G onlangs zijn conclusie publiceerde betreft een schadevergoeding. Deze was verschuldigd in een situatie waarin een Nederlandse vennootschap (A BV) 50% van de aandelen van een Kazachse werkmaatschappij (Y) hield. De overige 50% van de aandelen K werd gehouden door een tussenhoudster (X Inc) in handen van een Canadese beursvennootschap.

Op basis van de aandeelhoudersovereenkomst tussen A BV en X Inc had A BV een voorkeursrecht bij indirecte vervreemding (‘change of control’) van de aandelen Y. Omdat dit voorkeursrecht werd geschonden bij de verkoop van de aandelen Y van X Inc aan een Chinese koper, betaalde X Inc – op basis van een schikking om een lopende procedure te staken – een schadevergoeding van USD 438 miljoen aan A BV. In geschil is of deze schadevergoeding bij A BV is vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling.

De inspecteur, de rechtbank, het hof en de A-G zijn van mening dat de deelnemingsvrijstelling op bovengenoemde schadevergoeding niet van toepassing is. A BV is het hiermee niet eens en stelt:

  1. dat het recht op levering van de aandelen op basis van het voorkeursrecht vergelijkbaar is met een optierecht (waarop de deelnemingsvrijstelling op basis van het zogenoemde Falconsarrest van toepassing is);
  2. dat het voorkeursrecht is verknocht aan de door hem gehouden aandelen Y, waardoor het voordeel hieruit kwalificeert als een voordeel uit hoofde van het belang van A BV in Y. 

De A-G verwerpt beide stellingen. De eerste stelling wijst hij af, omdat de waarde van het voorkeursrecht van A BV – in tegenstelling tot de waarde van een optie – niet wordt beïnvloed door waardeveranderingen van de aandelen Y. De tweede stelling verwerpt hij, omdat het hof reeds feitelijk heeft vastgesteld dat de vergoeding is toegekend wegens niet-nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst en niet rechtstreeks voortvloeit uit het belang van A BV in Y.

De tweede stelling houdt verband met het voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling vereiste causale verband tussen het genoten voordeel en de deelneming. In bovengenoemde procedure, waarin A BV een voorkeursrecht had op basis van een separate aandeelhoudersovereenkomst met X Inc, lijkt dit verband te zwak. Wij menen dat dit sterker was geweest indien A BV (eveneens) op basis van de statuten van Y een voorkeursrecht zou hebben en wegens niet-naleving daarvan een schadevergoeding zou hebben ontvangen. Zou de Hoge Raad de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de onderhavige casus afwijzen en zou het verband bij een voorkeursrecht op basis van de statuten wel sterk genoeg zijn?

Wij zijn erg benieuwd naar het arrest van de Hoge Raad en zullen u daarover op de hoogte houden. Indien de Hoge Raad de A-G volgt, wordt de schadevergoeding belast met vennootschapsbelasting. Dit zou voor A BV een onbevredigende uitkomst zijn. Indien A BV de aandelen Y van X Inc had kunnen kopen en met een boekwinst had kunnen doorverkopen, zou de deelnemingsvrijstelling namelijk zonder twijfel van toepassing zijn geweest.

Hoewel de uitkomst van deze procedure moet worden afgewacht, laat de onderhavige casus alvast zien dat de vormgeving van een transactie/compromis van groot belang kan zijn. Wellicht ten overvloede adviseren wij u dan ook om u steeds goed te laten adviseren. 

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


9. Vlaamse Belastingdienst viseert schenkingen in Nederland met voorbehoud van vruchtgebruik

In het kader van familiale vermogensplanning zijn schenkingen van roerende goederen schering en inslag. Schenkingen zorgen er immers voor dat deze goederen niet meer tot de erfenis behoren bij overlijden en dus in principe niet aan erfbelasting kunnen worden onderworpen. Vaak wenst de schenker wel nog de controle op en de inkomsten van de goederen te behouden. Daarom gebeuren in de praktijk schenkingen vaak met voorbehoud van vruchtgebruik. Dergelijk voorbehoud van vruchtgebruik kan wel enkel via een notariële schenkingsakte verkregen worden.

Wanneer de schenking voor een Belgische notaris gebeurt, leidt dit tot 3% schenkbelasting (tussen oudersen kinderen en tussen partners). Om deze schenkbelasting te vermijden, kan men er ook voor opteren om de schenking voor een buitenlandse notaris te doen. De schenking wordt dan niet geregistreerd in Vlaanderen en bijgevolg geldt er geen schenkbelasting. Daaraan is echter wel een risico verbonden. Als de schenker overlijdt binnen de 3 jaar (7 jaar wanneer de schenking een familiebedrijf betreft) na de schenking, dan heft de Vlaamse Belastingdienst toch erfbelasting, waarvan de tarieven oplopen tot 27%. Eens de risicoperiode echter verstreken is, kan er geen erfbelasting meer worden geheven.

In een recent gepubliceerd standpunt wijkt de Vlaamse Belastingdienst hier echter van af en acht het noodzakelijk om erfbelasting altijd uit te sluiten voor een in Vlaanderen geregistreerde schenkingsakte (dus: betaling 3% schenkbelasting), ook als de 3-jarige risicoperiode is verstreken. Maar we willen opmerken dat er verschillende gegronde argumenten zijn om de wettigheid van dit standpunt te betwijfelen.

Het standpunt viseert in principe niet alleen toekomstige schenkingen maar alle schenkingen die sinds 1 september 2013 zouden zijn gebeurd. Het ziet er nu naar uit dat Vlabel zal terugkomen op deze retroactieve toepassing. Voortaan zouden enkel schenkingen gedaan vanaf 1 juni 2016 onder toepassing van deze maatregel vallen.

Dit betekent dat indien u alsnog een schenking wenst te realiseren met voorbehoud van vruchtgebruik en zonder betaling van 3% of 7% schenkbelasting (doch rekening houdende met de risicotermijn van 3 jaar) u de schenking voor 1 juni 2016 dient te realiseren.

Volledigheidshalve merken wij op dat de bestaande regels onverkort blijven gelden voor bijvoorbeeld de schenking van roerende goederen in volle eigendom (van o.m. cash en effecten) voor Nederlandse notaris, de schenking van een kunstcollectie voor Nederlandse notaris (zelfs indien met voorbehoud van vruchtgebruik),…

Kizzy Wandelaer en Sophie Schellens

Naar boven