Belgium-Holland Desk Newsletter – september 2018

17 september 2018

Bollenveld

Inhoud

Naar boven

1. De Belgische optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur krijgt meer concrete vorm

In de april-editie van deze nieuwsbrief zetten wij uiteen dat de Belgische regering een optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur beoogt in te voeren. Het grote voordeel van de btw-heffing is het recht op aftrek van btw dat kan worden uitgeoefend op vaak hoog oplopende kosten voor bijvoorbeeld de constructie of het onderhoud van gebouwen. Recent is het verwachte wetsontwerp voor de invoering van de optionele btw-heffing gepubliceerd. 

Er werd reeds vermeld dat de optionele btw-heffing in principe enkel zal gelden voor (ver)nieuwbouwprojecten. Ook was bekend dat de huurder een btw-plichtige dient te zijn, dat de optie moet worden uitgeoefend door zowel de verhuurder als de btw-belastingplichtige huurder en dat een bijzondere herzieningstermijn van 25 jaar zal gelden. Het wetsontwerp biedt meer duidelijkheid. Met de publicatie van het wetsontwerp zijn de modaliteiten van de nieuwe optieregeling nu grotendeels bekend (onder voorbehoud van eventuele latere wijzigingen). De belangrijkste nieuwigheden worden hierna opgelijst. 

Inwerkingtreding 

In tegenstelling tot eerdere aankondigingen, is de datum van inwerkingtreding van het wetsontwerp gewijzigd van 1 oktober 2018 naar 1 januari 2019. De regeling mag ook worden toegepast voor materiële werken waarvan de btw een eerste keer opeisbaar wordt op of na 1 oktober 2018 en immateriële handelingen (zoals diensten van een architect, afbraakwerken en werken die betrekking hebben op de grond) die vóór 1 oktober 2018 uitgevoerd zijn. 

Verhuur van opslagruimten en kortdurende verhuur 

Het wetsontwerp bevat specifieke regels voor de verhuur van opslagruimten en voor kortdurende verhuur (maximum 6 maanden). Voor wat betreft de verhuur van opslagruimten, zal de huidige regeling van verplichte btw-heffing versoepeld worden. Deze verplichting zal enkel nog gelden indien de huurder de opslagruimte niet gebruikt voor een economische activiteit. Indien de opslagruimte wel voor economische doeleinden gebruikt wordt, geldt de nieuwe optieregeling, ook als het gebouw niet kwalificeert als ‘nieuw gebouw voor btw’. De definitie van ‘opslagruimte’ wordt daarnaast gewijzigd. Op basis van het wetsontwerp is sprake van een opslagruimte indien het gebouw voor meer dan 50% gebruikt wordt voor opslagdoeleinden (was 90%). Nieuw is dat de opslagruimte tevens voor maximaal 10% gebruikt mag worden als verkoopruimte. Lopende overeenkomsten van terbeschikkingstelling van opslagruimtes die momenteel niet worden belast, kunnen opteren voor de nieuwe regeling indien wordt voldaan aan de nieuwe voorwaarden 

Zoals aangehaald in de april-editie, zal de kortdurende verhuur (maximum 6 maanden) verplicht aan de btw worden onderworpen, ongeacht de hoedanigheid van de huurder. Deze regeling zal voornamelijk van belang zijn voor kortstondige verhuur van congres-, seminarie-, vergader- of feestzalen evenals beurs- en tentoonstellingsruimten. Uitzonderingen gelden onder meer wanneer de ruimten zijn bestemd voor bewoning, of andere doeleinden dan een economische activiteit, verhuur aan organisaties zonder winstoogmerk of bij aanwending voor bepaalde vrijgestelde activiteiten. 

Wij zullen u verder informeren zodra de finale wetteksten zijn gepubliceerd. 

Robin de Cock en Nele Pichal

Naar boven

2. Administratieve lastenverlichting voor verplaatste Nederlandse vennootschappen

In de aprileditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u dat de staatssecretaris van Financiën in zijn besluit van 5 februari 2018 opmerkte dat de aangifteplicht voor naar het buitenland verplaatste vennootschappen onder voorwaarden vervalt. 

Het bovenstaande is relevant voor de veelvoorkomende situatie waarin de feitelijke leiding van een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap wordt verplaatst naar het buitenland, bijvoorbeeld naar België. Omdat een ‘naar Nederlands recht opgericht lichaam’ op basis van de Nederlandse wet geacht wordt (oneindig) in Nederland te zijn gevestigd en de vennootschap uit ons voorbeeld feitelijk in België is gevestigd, zal zowel Nederland als België deze verplaatste vennootschap als fiscaal inwoner beschouwen en in beginsel als zodanig in de vennootschapsbelastingheffing betrekken. 

Toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België voorkomt dat beide landen over de resultaten van de vennootschap vennootschapsbelasting heffen. Indien de vennootschap in het hiervoor genoemde voorbeeld na verplaatsing geen vaste inrichting heeft in Nederland, wijst het verdrag het heffingsrecht over de resultaten van de vennootschap toe aan België en moet Nederland voor deze resultaten een vrijstelling verlenen.

Het bovenstaande neemt in beginsel niet weg dat de vennootschap – ongeacht de toepassing van het verdrag – ook over de perioden na de zetelverplaatsing Nederlandse aangiften vennootschapsbelasting moet invullen en indienen. In het genoemde besluit biedt de staatssecretaris aan inspecteurs de mogelijkheid om af te zien van het uitreiken van aangiftebiljetten in gevallen waarin geen heffings- of invorderingsbelang (meer) aanwezig is, zodat hiervoor niet langer aangiften hoeven te worden ingediend. Omdat de staatssecretaris in het besluit stelt dat in voorkomende gevallen met de vennootschap nadere afspraken dienen te worden gemaakt over het verschaffen van informatie over relevante wijzigingen en omstandigheden, moest de uitwerking van deze tegemoetkoming in specifieke situaties worden afgewacht.

Inmiddels hebben wij voor een aantal vennootschappen een bevestiging van de Belastingdienst ontvangen dat geen aangifte meer hoeft te worden ingediend. Wij ervaren dat de Belastingdienst zich hierbij coöperatief opstelt en zijn tot nog toe positief over de afhandeling van onze verzoeken. De Belastingdienst is bereid redelijke afspraken te maken over het verschaffen van informatie over relevante wijzigingen van de omstandigheden, waardoor daadwerkelijk sprake is van een administratieve lastenverlichting! Wanneer deze mogelijk ook voor u toegankelijk is, bespreken wij dit graag met u.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven

3. In België is het Koninklijk Besluit betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register gepubliceerd

Onder meer in de mei-2018 editie van deze nieuwsbrief bespraken wij de invoering van het UBO-register in Nederland en België. Onlangs werd het Koninklijk Besluit betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register in het Belgische Staatsblad geplaatst. 

De invoering van een dergelijk register maakt het mogelijk om de uiteindelijk begunstigden (‘Ultimate Beneficial Owners’) van Belgische vennootschappen, verenigingen en stichtingen, trusts en andere vergelijkbare juridische entiteiten te identificeren. 

Hoewel de verplichting tot het aanleggen van een UBO-register reeds vorig jaar bij wet van 18 september 2017 werd opgelegd, kende het Belgische UBO-register geen praktische uitwerking. Immers was het nog wachten op een Koninklijk Besluit (hierna: “KB”) dat onder meer zou bepalen hoe de informatie wordt verzameld, wat de inhoud moet zijn van de verzamelde informatie, maar ook de details omtrent het beheer, de toegang, het gebruik van de gegevens, de modaliteiten voor de verificatie van de gegevens en de werking van het UBO-register. 

Het Koninklijk Besluit betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register van 30 juli 2018, werd uiteindelijk op 14 augustus jl. gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en zal in werking treden op 31 oktober 2018. Dat betekent concreet dat alle informatieplichtigen vanaf dan één maand de tijd hebben om zich in regel te stellen met deze nieuwe formaliteiten. 

Wie is UBO? 

Een UBO of ‘uiteindelijke begunstigde’ is een natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van een entiteit of zeggenschap heeft over een bepaalde entiteit. De wet somt verschillende categorieën op van uiteindelijke begunstigden volgens de juridische entiteit waaraan ze verbonden zijn. 

Zo is de uiteindelijke begunstigde van een vennootschap doorgaans een natuurlijke persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks (via een andere vennootschap) minstens 25% van de aandelen in een vennootschap aanhoudt of minstens 25% van de stemrechten uitoefent. Daarnaast kan het ook gaan om een natuurlijke persoon die via andere middelen, zoals bijvoorbeeld een aandeelhoudersovereenkomst, zeggenschap over de vennootschap heeft. Indien op basis van voornoemde kwalificaties geen natuurlijke persoon als uiteindelijke begunstigde van de vennootschap kan worden geïdentificeerd, dient het leidinggevend personeel (de bestuurders van de vennootschap) zichzelf aan te duiden als UBO. 

Bij verenigingen en stichtingen kwalificeren niet alleen de stichters en de natuurlijke personen in wier hoofdzakelijk belang de vereniging of stichting werd opgericht of werkzaam is als uiteindelijke begunstigden, maar ook alle natuurlijke personen die in de raad van bestuur zetelen, gemachtigd zijn om de vereniging te vertegenwoordigen, belast zijn met het dagelijks bestuur of op een andere manier uiteindelijke zeggenschap heeft over de vereniging of stichting. Trusts en andere vergelijkbare juridische constructies kennen soortgelijke kwalificatienormen. Hier gaat het om de oprichter, de trustee, de eventuele protector, de begunstigden of de personen in wier hoofdzakelijk belang de trust werd opgericht of werkzaam is of elke andere persoon die wegens het feit dat hij directe of indirecte eigenaar is of via andere middelen, de uiteindelijke zeggenschap over de trust heeft. 

Wie moet het UBO-register aanvullen? 

De verplichtingen hiervoor liggen bij de entiteiten zelf. De (bestuurders van) vennootschappen, verenigingen zonder winstoogmerk (hierna: vzw’s) en stichtingen die hun maatschappelijke zetel in België hebben, zijn gehouden om toereikende, accurate en actuele informatie over hun uiteindelijke begunstigden in te winnen, te rapporteren en tijdig (lees: binnen een maand te rekenen vanaf het tijdstip waarop de informatie van de uiteindelijke begunstigde gekend of gewijzigd is) te actualiseren. 

Deze verplichting geldt ook voor (de trustees van) trusts en andere vergelijkbare juridische entiteiten in het geval dat (1) de trustee in België is gevestigd, is gedomicilieerd of er verblijft, of (2) de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting, zetel van bestuur of beheer van de trustee in België is gevestigd, of (3) indien de trustee niet in een lidstaat is gevestigd, gedomicilieerd of er verblijft of zijn maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting, zetel van bestuur of beheer niet in een lidstaat is gevestigd en als trustee een zakelijke relatie aangaat of in België een onroerend goed verwerft op naam van de trust. 

Bestuurders of trustees die deze formaliteiten niet naleven, riskeren een boete van EUR 250 tot maximaal EUR 50.000 per inbreuk. 

Welke (persoonlijke) gegevens moeten worden bekendgemaakt? 

De bestuurders (of trustees) zijn gehouden om de volgende gegevens aan te leveren:

  • naam en voornaam van de uiteindelijke begunstigde;
  • geboortedatum;
  • nationaliteit;
  • land van verblijf;
  • volledige verblijfadres;
  • datum waarop de persoon uiteindelijke begunstigde is geworden;
  • rijksregisternummer. 

Specifiek voor vennootschappen moet ook worden meegedeeld:

  • de categorie(ën) van personen waartoe hij/zij behoort (i.e. aandeelhouder, zaakvoerder of gelijksoortige uitoefening van het zeggenschap, hoger leidinggevend personeelslid);
  • of het gaat om een persoon die afzonderlijk of samen met andere personen aan één van bovenstaande categorieën beantwoordt;
  • of het gaat om een rechtstreekse of onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde;
  • indien het gaat om een onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde: het aantal tussenpersonen en ook, voor elk van hen, de volledige identificatiegegevens met minstens de naam, de oprichtingsdatum, de handelsnaam, de rechtsvorm, het adres van de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer, (of elk ander vergelijkbaar identificatiemiddel dat wordt afgeleverd door de staat waar de tussenpersoon is geregistreerd); en
  • de omvang van het uiteindelijke belang in de informatieplichtige, uitgedrukt in het percentage van de aandelen of stemrechten in de informatieplichtige (of de gewogen percentages ingeval van een indirecte participatie). 

Al deze informatie moet worden overgemaakt aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze overheidsdienst werd aangeduid als verantwoordelijke voor de aanleg van het UBO-register. 

Toegang tot het UBO-register 

Voor wat betreft vennootschappen kan iedereen het UBO-register inkijken. Echter, gelet op de privacywetgeving zal enkel de naam, geboortemaand en – jaar, land van verblijf, nationaliteit en de aard en omvang van het effectief gehouden belang raadpleegbaar zijn. Anders dan bij vennootschappen, wordt er ten aanzien van vzw’s, stichtingen, trusts of een andere vergelijkbare constructies niet voorzien in een rechtstreekse toegang tot het UBO-register. Deze informatie zal enkel ter beschikking worden gesteld na een schriftelijke gemotiveerde aanvraag waarin de aanvrager een ‘legitiem belang’ aantoont. 

In uitzonderlijke gevallen kan de uiteindelijke begunstigde om geheimhouding van zijn gegevens verzoeken. Hij/zij zal in dat geval dienen aan te tonen dat de toegang hem blootstelt aan een onevenredig risico zoals het risico op fraude, ontvoering, afpersing of intimidatie. Voor begunstigden die minderjarig of handelingsonbekwaam zijn, geldt tevens een uitzondering. 

Praktisch: wat moet u doen? 

Vennootschappen, vzw’s, stichtingen, trusts en andere vergelijkbare juridische entiteiten hebben tot 30 november 2018 de tijd om alle gegevens te verzamelen en te registeren in het UBO-register. Daartoe dienen alle informatieplichten op korte termijn een aanvraag in te dienen bij de Administratie van de Thesaurie en dienen zij aan te geven welk personeelslid verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van de toegangen tot het UBO-register. Zodra de administratie de aanvraag heeft aanvaard, kan deze persoon de identiteit van de personen die toegang zullen hebben tot het register op naam en voor rekening van de betrokken entiteit, rechtstreeks beheren. 

Wij verwachten dat de Belgische administratie op korte termijn meer richtlijnen omtrent de praktische uitwerking kenbaar zal maken. In afwachting hiervan adviseren wij u om u voor te bereiden op het UBO-register door:

  • het verzamelen van nauwkeurige en uitvoerige informatie van de uiteindelijke begunstigden van uw organisatie, alsook alle juridische entiteiten waarvan uw uiteindelijke begunstigden gebruik maken om zeggenschap over uw organisatie uit te oefenen;
  • het verzamelen van bewijsstukken waaruit blijkt dat de informatie toereikend, accuraat en actueel is;
  • te zorgen voor de nodige procedures binnen uw organisatie zodat elke wijziging in de informatie over uw uiteindelijke begunstigden binnen de maand aan het UBO-register tijdig en accuraat wordt doorgegeven; en
  • te zorgen voor een wettelijke vertegenwoordiger of een gevolmachtigde om de gevraagde informatie in naam van uw organisatie mee te delen.

Nederland 

Zoals eerder opgemerkt is ook Nederland bezig met het implementeren van het UBO-register. De Nederlandse Minister van Financiën heeft aangegeven dat hij voornemens is het conceptwetsvoorstel ter invoering van het UBO-register begin 2019 in te dienen bij de Tweede Kamer. Wij houden u hiervan uiteraard eveneens op de hoogte en adviseren u ook ten aanzien van de Nederlandse entiteiten reeds voorbereidingen te treffen. 

Julie Boon en Ilke Vandenbroeck

Naar boven

4. Voor niet-inwoners van Nederland dient vanaf 1 januari 2019 het buitenlandse adres te worden opgenomen in de Nederlandse loonadministratie

Als Nederlandse werkgever bent u verplicht om uw werknemers te identificeren. Voordat een werknemer bij u gaat werken, moet u zijn identiteit vaststellen en zijn persoonlijke gegevens verzamelen voor de Nederlandse aangifte loonheffingen. Indien dit niet (juist) is gedaan, is voor de betreffende werknemer het zogenoemde anoniementarief van toepassing. Dit betekent dat u op het loon van de werknemer 52% loonbelasting/premies volksverzekeringen dient in te houden en dat u geen rekening mag houden met de Nederlandse loonheffingskorting, het maximumpremieloon voor de premies werknemersverzekeringen en/of het maximumbijdrageloon voor de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. 

Hebt u een werknemer die geen (fiscaal) inwoner van Nederland is? Dan gelden vanaf 1 januari 2019 mogelijk aangescherpte voorwaarden. 

Ten aanzien van niet-inwoners van Nederland die (tijdelijk) in Nederland verblijven, bijvoorbeeld voor enkele dagen per week, wordt in de loonadministratie soms het (tijdelijke) Nederlandse adres geregistreerd. Vanaf 1 januari 2019 moet voor deze werknemers het buitenlandse adres in de loonadministratie worden opgenomen. Indien de werkgever dit niet doet, is voor deze werknemer het anoniementarief van toepassing. Wij adviseren u hierop alert te zijn! 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven

5. Dubbele afdracht van Nederlandse premies bij formele salary split voorkomen?

Sinds 1 januari 2013 is de Nederlandse Wet uniformering loonbegrip (hierna: WUL) van toepassing. De WUL introduceerde één loonbegrip voor de Nederlandse loonbelasting/premies volksverzekeringen en moest leiden tot vereenvoudiging van de Nederlandse loonadministratie. In de situatie van een formele ‘salary split’ binnen een concern waarbij een werknemer meerdere afzonderlijke formele dienstbetrekkingen (in verschillende landen) heeft, kan de WUL echter nadelig uitpakken voor het concern. 

De invoering van de WUL leidt ertoe dat de werkgeversbijdragen voor de Nederlandse premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW per werkgever dienen te worden berekend. Stel dat sprake is van een formele salary split met zowel een Nederlandse als een Belgische werkgever waarbij de werknemer in Nederland sociaal verzekerd is, dan zal de Belgische werkgever zich in beginsel in Nederland moeten registreren voor de afdracht van de premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Omdat de Nederlandse werkgever deze premies ook moet afdragen, is sprake van een dubbele afdracht van premies. Iedere werkgever is premies verschuldigd tot het maximale premie-inkomen. De maximale werkgeversbijdrage per werknemer bedraagt in 2018 ongeveer € 10.400. 

Om de administratieve last te verminderen kunnen beide werkgevers (behorend tot hetzelfde concern) een gezamenlijke aanvraag doen tot verlegging van de inhoudingsplicht van de Belgische werkgever naar de Nederlandse werkgever. Als het verzoek wordt gehonoreerd, is het voor de Belgische werkgever niet nodig zich in Nederland te registreren. 

Recent hebben wij van de Nederlandse inspecteur in een specifieke situatie een goedkeuring ontvangen op basis waarvan de inhoudingsplicht wordt verlegd én de verschuldigde werkgeversbijdrage wordt beperkt tot eenmaal de maximale bijdrage. Het gaat hierbij niet om algemeen beleid van de Belastingdienst, maar om een individuele goedkeuring van de inspecteur. Indien u te maken hebt met dubbele premieafdracht en zich in een vergelijkbare situatie bevindt, bespreken wij graag met u de mogelijkheden om een soortgelijke goedkeuring te verkrijgen. 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven

6. Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) geeft gewijzigde administratieve instructies aangaande het loonbegrip

De Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) heeft begin september 2018 een nieuwe interpretatie van het loonbegrip gepubliceerd. Deze nieuwe interpretatie kan belangrijke gevolgen hebben voor internationale groepen. 

Waarover gaat het?
Wanneer een Nederlandse moederonderneming in het verleden bijvoorbeeld een bonus of aandelenopties toekende en betaalde aan de werknemers van de Belgische dochteronderneming kon in het verleden geargumenteerd worden dat deze beloning buiten het loonbegrip viel en dus vrij was van sociale zekerheidsbijdragen in België indien:

  • de financiële kost niet ten laste was van de Belgische werkgever; en
  • de werknemer met betrekking tot dat voordeel geen aanspraak verkreeg ten aanzien van die werkgever. 

In haar recent gepubliceerde administratieve instructie verduidelijkt de RSZ nu dat ten laste van de werkgever ruimer geïnterpreteerd dient te worden dan voorheen. 

Nieuwe administratieve instructie

Volgens de gewijzigde administratieve instructies van de RSZ, omvat het loonbegrip alle situaties waarbij de toekenning van een voordeel het gevolg is van de prestaties geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst die met die werkgever werd afgesloten of verband houdt met de functie die de werknemer bij die werkgever uitoefent, ongeacht of de kost rechtstreeks of onrechtstreeks ten laste is van de werkgever. 

Op basis van deze nieuwe interpretatie kan de RSZ een (op aandelen gebaseerde) bonus, toegekend en betaald door een Nederlandse moederonderneming aan de werknemers van de Belgische dochteronderneming, kwalificeren als loon ten laste van de Belgische werkgever en onderwerpen aan Belgische sociale zekerheid indien het voordeel voortvloeit uit prestaties geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst met de Belgische onderneming of verband houdt met de functie van de werknemer, ongeacht of de financiële kost wordt doorgerekend aan de Belgische dochteronderneming/werkgever. 

Inwerkingtreding 

Deze interpretatie is retroactief van toepassing vanaf 1 juli 2018 (derde kwartaal van 2018). De vraag rijst of deze verruimde interpretatie van het loonbegrip verenigbaar is met de Loonbeschermingswet en of deze interpretatie de toetsing voor de rechtbank zal doorstaan. 

Carolien van Echelpoel

Naar boven

7. De nieuwe beperkingen aan de aftrek voor risicokapitaal: werd het vroegere Belgische paradepaardje de facto gedegradeerd?

De hervorming van de aftrek voor risicokapitaal was bij het inmiddels veel besproken “Zomerakkoord” één van de (compenserende) maatregelen voor de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting. De aftrek voor risicokapitaal werd uiteindelijk wel behouden, maar de berekeningsbasis werd aanzienlijk ingeperkt. 

Het Zomerakkoord 2017: de wet van 25 december 2017 

De aftrek voor risicokapitaal werd gewijzigd in het kader van het Zomerakkoord. Vanaf aanslagjaar 2019 (belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018) wordt de aftrek enkel nog toegepast op het bijkomend eigen vermogen ten opzichte van het voortschrijdend gemiddelde van het risicokapitaal van de vijf voorgaande belastbare tijdperken. 

De bedoeling van de wetgever is de aftrek te spreiden over een periode van vijf jaar en zodoende de aftrek voor risicokapitaal minder gevoelig te maken voor misbruiken. Concreet zal de aftrek voor risicokapitaal voortaan toegepast worden op één vijfde van het positieve verschil tussen het risicokapitaal op het einde van het belastbare tijdperk en het risicokapitaal op het einde van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk. De wet bepaalt ook dat het jaarlijkse bedrag aan risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk waarin de vennootschap nog niet bestond, voor dat belastbaar tijdperk gelijk is aan nul. Dus de eerste vier jaar na de oprichting van een vennootschap, wordt het risicokapitaal bepaald op basis van één vijfde van het risicokapitaal van dat tijdperk. 

De wet van 30 juli 2018 – nieuwe antimisbruikbepalingen ingevoerd 

Met de recente wet van 30 juli 2018 wijzigt de aftrek voor risicokapitaal opnieuw. Ingevolge deze nieuwe wet wordt er rekening gehouden met het risicokapitaal aan het begin van het belastbaar tijdperk en niet op het einde van het belastbaar tijdperk. 

De wetgever heeft eveneens een antimisbruikbepaling ingevoerd om de discussies omtrent structuren met een dubbele aftrek (‘double dip’) aan te pakken. Dergelijke structuren konden ontstaan wanneer een moedervennootschap een kapitaalverhoging bij haar dochtervennootschap doorvoerde via geleende middelen. Op het niveau van de moedervennootschap waren de betaalde intresten aftrekbaar als beroepskosten en op het niveau van de dochtervennootschap wordt de aftrek voor risicokapitaal berekend mede op basis van haar eigen vermogen, dus ook de ingebrachte fondsen. 

In het verleden probeerde de Belgische belastingadministratie de aftrek voor risicokapitaal in dergelijke gevallen te weigeren, wat aanleiding gaf tot discussies en betwistingen. De administratie trok in een recente zaak voor het Hof van Beroep van Antwerpen aan het kortste einde. In deze zaak trachtte de administratie te argumenteren dat de belastingplichtige Belgische dochtervennootschap een kunstmatige tussenschakel in de structuur was, zonder enige toegevoegde economische waarde, die er enkel op gericht was om de aftrek voor risicokapitaal in België te genieten. Het hof wees de argumentatie van de administratie af. De Belgische financieringsvennootschap kon wel degelijk genieten van de aftrek voor risicokapitaal om haar belastbare basis te verminderen. 

Om dergelijke discussies in de toekomst te voorkomen voegt de wetgever nu een aantal specifieke antimisbruikbepalingen toe aan de bepalingen rond de aftrek voor risicokapitaal. Zo wordt gesteld dat het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de aftrek voor risicokapitaal moet worden verminderd met de inbreng van kapitaal door een verbonden vennootschap wanneer die inbreng rechtstreeks of onrechtstreeks haar oorsprong vindt in leningen onderschreven door een verbonden vennootschap die de intresten op deze lening als kosten aftrekt. 

Vervolgens dient ook het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de aftrek voor risicokapitaal verminderd te worden met de fiscale netto waarde van de vorderingen die de vennootschap heeft op een niet-inwoner of op een buitenlandse inrichting die gevestigd is in een land waarmee geen uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden mogelijk is, tenzij de vennootschap bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften. 

Ten slotte moet het eigen vermogen verminderd worden met de inbreng van kapitaal door een niet-inwoner of een buitenlandse vaste inrichting die gevestigd is in een land waarmee geen uitwisseling van inlichtingen inzake belastingaangelegenheden mogelijk is. Ook hier geldt dat geen vermindering moet worden toegepast als de vennootschap bewijst dat de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften. 

Conclusie 

Deze nieuwe bepalingen en het huidige lage tarief van de aftrek voor risicokapitaal heeft tot gevolg dat de aftrek voor risicokapitaal in belangrijke mate aan belang inboet. Ook zal bijzondere aandacht nodig zijn bij de toepassing van de voormelde nieuwe antimisbruikbepalingen, aangezien de belastingadministratie hierbij nieuwe munitie heeft gekregen om de oorsprong van het eigen vermogen van de Belgische vennootschappen nauwgezet te onderzoeken. 

Ilke Vandenbroeck en Thomas Zwaenepoel

Naar boven

© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.