Inhoud

Naar boven


1. KPMG Belgium-Holland Desk Seminar – donderdag 5 oktober 2017

Graag nodigen wij u uit voor de aankomende editie van het jaarlijkse KPMG Belgium-Holland Desk Seminar. Deze vindt plaats op donderdagochtend 5 oktober 2017 in Salons De Groene Jager in Brasschaat (België). Tijdens dit seminar praten onze specialisten van Meijburg & Co Belastingadviseurs (Nederland) en KPMG Belastingconsulenten en Juridische Adviseurs (België) u bij over de laatste fiscale ontwikkelingen in België en Nederland.

Tijdens het seminar kunt u een keuze maken uit de volgende workshops:

  • Tewerkstelling over de grens (deel 1 en 2)
  • Actualiteiten vennootschapsbelasting
  • Actualiteiten voor de dga en vermogende particulier
  • Update btw
  • Estateplanning

Deelname aan dit seminar is gratis en de voertaal is Nederlands. Het seminar komt in aanmerking voor twee PE-uren, waarvoor wij u na afloop een PE-certificaat kunnen uitreiken. Meer informatie leest u hier.

Naar boven


2. Belgische regering bereikt akkoord over begroting 2018

In het kader van het begrotingsakkoord 2018 besloot de Belgische regering in juli 2017 tot een aantal fiscale maatregelen.

De hervorming van de vennootschapsbelasting is de belangrijkste. Deze wordt voorzien in twee fases: vanaf 2018 en vanaf 2020. Enerzijds zal het tarief van de vennootschapsbelasting dalen voor kleine of middelgrote ondernemingen (‘KMO’s’) tot 20% (over de eerste € 100.000) en voor grote ondernemingen tot 29% in 2018 en 25% in 2020. Daarnaast wordt in compenserende maatregelen voorzien, ook in twee fases.

Tariefverlaging vennootschapsbelasting

De regering heeft een akkoord bereikt over de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting.

KMO-vennootschappen

Het tarief daalt naar 20% over de eerste € 100.000 winst voor kleine of middelgrote vennootschappen vanaf inkomsten 2018. Ten einde hiervan te genieten moet er aan één bedrijfsleider een minimumbezoldiging van minstens € 45.000 worden betaald.

Grote vennootschappen

Voor grote vennootschappen daalt het tarief in twee stappen: eerst tot 29% vanaf inkomsten 2018 en later naar 25% voor inkomsten vanaf 2020.

De crisisbijdrage (3% opcentiemen) wordt voor zowel KMO’s als grote vennootschappen gradueel afgeschaft.

Tal van andere maatregelen

De tariefverlaging wordt gefinancierd door een aantal compenserende maatregelen. De meeste treden in werking vanaf 2018. De belangrijkste zijn:

  • een hervorming van de notionele interestaftrek (in de toekomst slechts op de aangroei van het eigen vermogen);
  • de invoering van een minimum belastbare basis door de beperking van een aantal aftrekken (onder meer overgedragen verliezen, notionele interestaftrek en overgedragen dbi) voor het gedeelte boven € 1.000.000. Het bedrag daarboven zal slechts voor 70% aftrekbaar zijn. Dit resulteert in een vorm van minimumbelasting van 7,5% voor dit hogere gedeelte (tarief van 25% van toepassing op de resterende 30%). 

Daarnaast volgt een beperking van de voorzieningen voor risico’s en kosten: deze zouden slechts fiscaal worden aanvaard voor zover ze beantwoorden aan een definitieve verplichting op balansdatum. Om te vermijden dat voorzieningen worden aangelegd die worden teruggenomen zodra het tarief is verlaagd, zal bovendien worden bepaald dat de terugname van voorzieningen steeds wordt belast tegen het nominale tarief dat van toepassing was op het moment dat de voorziening werd gevormd.

De vrijstelling van meerwaarden op aandelen wordt bijkomend afhankelijk gesteld van een participatievoorwaarde (minimum van 10% of € 2.500.000). De afzonderlijke aanslag van 0,412% voor grote vennootschappen wordt daarentegen afgeschaft.

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing van 80% op bezoldigingen van personeel betrokken bij Onderzoek en Ontwikkeling wordt geleidelijk uitgebreid naar werknemers met een (wetenschappelijk) bachelordiploma.

Een kapitaalvermindering zal vanaf 2018 aan roerende voorheffing worden onderworpen naar rato van het aandeel van de belaste reserves in het gestorte kapitaal, verhoogd met de belaste reserves (een zogenoemde pro-rataopdeling). Het gedeelte van de kapitaalvermindering toegerekend op het werkelijk gestorte kapitaal blijft onbelast (zie ook het artikel ‘Roerende voorheffing op kapitaalvermindering’ elders in deze nieuwsbrief).

De investeringsaftrek wordt tijdelijk verhoogd naar 20%, zowel voor KMO’s als voor eenmanszaken.

Vanaf 2020 zouden dan nog een aantal aanvullende maatregelen in werking treden, waarvan onder meer de invoering van een fiscale consolidatie bijzondere aandacht zal verdienen.

De diverse maatregelen moeten nog in concrete wetteksten worden uitgewerkt.

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


3. Nederlandse fiscale maatregelen voor 2018

Op Prinsjesdag, 19 september 2017, heeft het demissionaire kabinet het pakket Belastingplan 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit bestaat onder meer uit de volgende wetsvoorstellen:

  • Belastingplan 2018
  • Overige fiscale maatregelen 2018
  • Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling

Meer informatie leest u hier.

Naar boven


4. Zomerakkoord in België – gevolgen voor de vermogende particulier

Op 26 juli 2017 heeft de Belgische regering een akkoord, het zogenoemde zomerakkoord, gesloten houdende diverse fiscale maatregelen. Naast de hervorming van de vennootschapsbelasting, waar wij in deze bijdrage niet verder op ingaan, werden tevens maatregelen in de sfeer van de personenbelasting aangekondigd. Hierna geven wij u meer duiding over twee specifieke maatregelen die een belangrijke impact voor de vermogende particulier kunnen hebben. Het betreft met name de invoering van een jaarlijkse heffing op effectenrekeningen alsook de belastbaarheid van toekomstige kapitaalverminderingen.

Voorafgaand merken wij op dat de Belgische regering slechts de hoofdlijnen van de nieuwe maatregelen bekend heeft gemaakt. Aangezien er momenteel nog geen wetsontwerpen beschikbaar zijn, kunnen onderstaande maatregelen nog (beperkte) wijzigingen ondergaan.

Abonnemententaks op effectenrekeningen

België is een van de weinige landen die tot op de dag van vandaag geen vermogensbelasting kent. Hieraan lijkt echter definitief een einde te komen. Het zomerakkoord voorziet immers de invoering van een jaarlijkse belasting op effectenrekeningen.

Op basis van het akkoord zullen vermogende particulieren vanaf 2018 op hun effectenrekeningen een jaarlijkse abonnemententaks van 0,15% moeten betalen indien het gemiddelde uitstaande saldo van die rekeningen meer dan € 500.000 bedraagt.

Daar waar de Belgische regering zowel Belgische als buitenlandse effectenrekeningen (aandelen, obligaties en fondsen) treft, moeten effecten gehouden door middel van pensioenfondsen en levensverzekeringen (van welke oorsprong ook) niet worden opgenomen in de optelsom.

De heffing van 0,15% wordt berekend over de volledige waarde van de effectenrekeningen en niet slechts over het saldo dat de drempel van € 500.000 overschrijdt. Daarnaast geldt de drempel van € 500.000 per belastingplichtige. Dit betekent concreet dat de drempel voor een echtpaar € 1.000.000 bedraagt. Het is waarschijnlijk dat de toewijzing van de effectenrekeningen het huwelijksvermogensrecht volgt.

Wij concretiseren de gevolgen van deze taks aan de hand van een voorbeeld.

Stel dat een Belgisch echtpaar beschikt over twee gezamenlijke effectenrekeningen, een Belgische en een buitenlandse effectenrekening. Op 31 december 2018 blijkt dat het gemiddelde uitstaande bedrag van de rekeningen bedraagt                      

  • Belgische effectenrekening
€ 550.000
  • Buitenlandse effectenrekening
€ 650.000
Totaal € 1.150.000


Aangezien de drempel van € 1.000.000 per echtpaar (€ 500.000 per belastingplichtige) is overschreden, zal het echtpaar volgens de nieuwe maatregel onderworpen worden aan een taks ten belope van 0,15% over het volledige bedrag van € 1.150.000. Concreet betekent dit dat zij € 1.725 aan bijkomende belasting zullen moeten betalen.

 Hoe de wettekst eruit zal zien en welke formaliteiten aan deze nieuwe taks zullen worden gekoppeld, zal pas na de zomer worden bekendgemaakt.

Roerende voorheffing op kapitaalvermindering

In een tweede maatregel heeft de Belgische regering aangekondigd dat de terugbetaling van fiscaal kapitaal door een vennootschap gedeeltelijk zal worden onderworpen aan Belgische bronheffing.

Onder het huidige regime kan een vennootschap beslissen om een kapitaalvermindering volledig toe te rekenen aan haar fiscale kapitaal. Dit fiscale kapitaal kan belastingvrij worden terugbetaald aan de aandeelhouder.

De regering heeft echter aangekondigd dat kapitaalverminderingen vanaf 2018 proportioneel zullen worden toegerekend aan de in de vennootschap aanwezige belaste reserves (die al dan niet zijn geïncorporeerd in het kapitaal). Op uitkering van belaste reserves door een vennootschap aan een particulier is Belgische bronheffing, ten belope van 30% onder het huidige tarief, verschuldigd.

Voorbeeld

Stel dat een vennootschap, die beschikt over een fiscaal kapitaal van € 1.000 alsook € 1.000 aan belaste reserves, beslist om over te gaan tot een kapitaalvermindering ten belope van € 500, ten voordele van haar particuliere aandeelhouder.

Deze kapitaalvermindering kan volgens de nieuwe maatregel niet langer volledig worden toegerekend aan het fiscale kapitaal dat belastingvrij kan worden uitgekeerd aan de aandeelhouder. De kapitaalvermindering dient immers volgens deze maatregel pro rata te worden toegerekend aan de in de vennootschap aanwezige belaste reserves.

Concreet betekent dit dat er geacht wordt € 250 aan fiscaal kapitaal en € 250 aan belaste reserves te worden uitgekeerd. De uitkering van belaste reserves van € 250 zal aan een Belgische bronheffing ten belope van € 75 (huidig tarief van 30%) worden onderworpen.

Het is momenteel nog onduidelijk hoe deze nieuwe maatregel in een internationale context zal uitwerken. Mogelijk zullen de eerste wetteksten, die na deze zomer te verwachten zijn, in dit opzicht duidelijkheid brengen.

Indien u (nog voor de formele inwerkingtreding in 2018 van de nieuwe maatregel) een kapitaalvermindering overweegt, adviseren wij een fiscaal adviseur te contacteren om de concrete gevolgen in uw situatie te beoordelen.

Sjeel Debeuf

Naar boven


5. Transferpricingdocumentatie – laatste stand van zaken

In onze nieuwsbrief van juni 2017 hebben wij aandacht besteed aan de deadlines die gelden voor het indienen van het ‘Country-by-Country Report’ (‘CbCR’), de ‘Master File’ en de ‘Local File’. In deze nieuwsbrief zullen wij de belangrijkste informatie met betrekking tot de documentatievereisten voor u aanstippen. Daarnaast zullen wij ingaan op de recent aangepaste OECD Transfer Pricing Guidelines.

Country-by-Country Reporting

Zoals eerder vermeld zijn Nederlandse en Belgische uiteindelijke moederentiteiten (of surrogaatentiteiten) die deel uitmaken van een internationale groep met een geconsolideerde groepsomzet van minstens € 750 miljoen, verplicht om jaarlijks een CbC-rapport in te dienen. Elke Belgische en Nederlandse entiteit die deel uitmaakt van zo’n groep moet hiervoor de belastingautoriteiten notificeren welke groepsentiteit het CbC-rapport zal indienen. Voor beide landen geldt dat het rapport uiterlijk twaalf maanden na het afsluiten van het betreffende groepsboekjaar moet worden ingediend. Bijvoorbeeld: het CbC-rapport voor een boekjaar eindigend op 31 december 2016 moet uiterlijk op 31 december 2017 worden ingediend.

Nederland 

De deadline voor het indienen van de notificatie voor het boekjaar 2016 was 1 september 2017. Nederlandse belastingplichtige groepsentiteiten met een boekjaar dat eindigt na 31 augustus 2017 dienen de Belastingdienst uiterlijk op de laatste dag van dat boekjaar te notificeren. Vanaf het boekjaar 2017 moet de notificatie uiterlijk op de laatste dag van elk boekjaar plaatsvinden. De notificatie kan worden gedaan via de online tool van de Nederlandse belastingdienst. In geval van opzet of grove schuld kan bij het nalaten of niet juist of niet volledig indienen van het CbC-rapport en/of de notificatie een boete worden opgelegd. Deze kan oplopen tot een maximum van € 820.000 en/of een gevangenisstraf.

België

De notificatie moet in principe elektronisch worden ingediend, maar in afwachting hiervan kan de indiening in een overgangsperiode (tot en met 30 september 2017) gebeuren via e-mail of post. In beginsel moet voor het jaareinde van iedere rapporteringsperiode van de groep aan de notificaties zijn voldaan, maar voor het boekjaar 2016 geldt een uitgestelde deadline tot 30 september 2017. In België kunnen er vanaf de tweede overtreding ook boetes worden opgelegd voor het niet naleven van de verplichting. Deze administratieve boetes kunnen oplopen tot € 25.000. Er wordt hieromtrent nog een circulaire verwacht met praktische richtlijnen.

Master File en Local File

Voor Nederland geldt dat de Master File en Local File beschikbaar moeten zijn bij de belastingplichtige na afloop van de periode waarbinnen de aangifte vennootschapsbelasting moet worden ingediend, inclusief eventueel verleend uitstel voor indiening. Voor het boekjaar 2016 is dit voor belastingplichtigen die het kalenderjaar als verslaggevingsperiode hanteren – in beginsel – op 1 juni 2017, maar indien de uitstelregeling van toepassing is ligt de deadline doorgaans op 1 mei 2018.

Voor België geldt dat het Master File-formulier moet worden ingediend bij de belastingautoriteiten binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar. Voor boekjaren eindigend per 31 december 2016 betekent dit dat het Master File-formulier (waarbij in de praktijk als bijlage het Master File-rapport van de groep zal worden gevoegd) moet worden ingediend tegen 31 december 2017. Het Local File-formulier moet reeds worden ingediend op het moment van de indiening van de aangifte in de vennootschapsbelasting. Voor een boekjaar eindigend op 31 december 2016 is de deadline gezet op 27 september 2017. Hoewel er geen formele verplichting is om een Local File-rapport in te dienen, is het aangeraden om deze beschikbaar te houden indien er materiële intragroepstransacties zijn waarbij de Belgische entiteit betrokken is.

OECD Transfer Pricing Guidelines 2017

Onlangs is er een nieuwe versie verschenen van de OECD Transfer Pricing Guidelines. Deze vervangen de eerdere Transfer Pricing Guidelines die in 2010 werden uitgegeven. In de nieuwe Guidelines worden substantiële wijzigingen en inzichten opgenomen die zijn overeengekomen in de 2015 OESO-rapporten om ‘Base Erosion and Profit Shifting’ (‘BEPS’) tegen te gaan.

Een van de voornaamste wijzigingen in de Transfer Pricing Guidelines 2017 betreft de fiscale behandeling van immateriële activa. In de praktijk is er regelmatig discussie over het bepalen van een juiste beloning voor de eigendom en het gebruik van deze activa, mede omdat het lastig is te bepalen waar de waarde met betrekking tot het immaterieel actief wordt toegevoegd. Naast een uitgebreidere definitie van het begrip ‘immaterieel actief’ wordt nu ook meer uitleg gegeven over hoe de winsten en verliezen die verband houden met een immaterieel actief moeten worden toegerekend aan verschillende groepsmaatschappijen. Daarbij is het enkele houden van het immateriële actief als (juridische) eigenaar niet voldoende om alle winsten die verband houden met dat immaterieel actief, toe te rekenen aan die onderneming. Er zal op basis van de zogenoemde DEMPE-functies een winstallocatie plaatsvinden.[1] Kort gezegd betekent dit dat ondernemingen binnen de groep moeten worden beloond voor de uitgevoerde functies, gelopen risico’s en gebruikte activa bij het ontwikkelen, verbeteren, onderhouden, beschermen en exploiteren van het immaterieel actief.

Tim Bruins en Véronique Slachmuylders

-------------------------------------------------------
[1] OECD (2017) Transfer Pricing Guidelines, section 6.32: “Members of the MNE group should be compensated for functions performed, assets used, and risks assumed in the development, enhancement, maintenance, protection and exploitation of intangibles (‘DEMPE’).”

Naar boven


6.  Implementatie ATAD 1 in NL wetgeving

In onze nieuwsletter van maart 2017 hebben wij u al geïnformeerd over de Anti Tax Avoidance Directive (hierna: ATAD). Deze Europese richtlijn schrijft lidstaten voor een vijftal maatregelen te nemen tegen belastingontwijking. De richtlijn verplicht zowel Nederland en België als alle andere lidstaten om de volgende maatregelen te nemen:

  1. een beperking van de aftrekbaarheid van rente in de vorm van een earningsstrippingregeling;
  2. een regeling voor exitheffingen;
  3. een algemene antimisbruikbepaling (General Anti Abuse Rule, GAAR);
  4. een regeling voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en vaste inrichtingen (controlled foreign companies, CFC’s);
  5. een maatregel tegen hybride mismatches.

De eerste vier maatregelen worden tezamen aangeduid als ‘ATAD 1’ en dienen in beginsel vanaf 1 januari 2019 in de nationale wetgeving van iedere lidstaat geïmplementeerd te zijn. Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft op 10 juli 2017 een internetconsultatie geopend en in het kader daarvan een conceptwetsvoorstel gepubliceerd voor de implementatie van ATAD 1 in de Nederlandse wetgeving, met name in de Wet op de Vennootschapsbelasting. De consultatie is inmiddels afgesloten op 21 augustus2017 en er zijn commentaren en reacties van diverse partijen ingediend.

In deze bijdrage gaan wij specifiek in op de voorgeschreven renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingregeling en de in de ATAD opgenomen versoepelingen. 

ATAD 1 legt EU-lidstaten de verplichting op om een algemene renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingregeling in te voeren. Deze maatregel is erop gericht om binnen concern grondslaguitholling en winstverschuiving door middel van rentebetalingen te voorkomen. Deze renteaftrekbeperking kent, in tegenstelling tot de bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen in de Wet VPB, een algemeen karakter. Het begrip rente is ruim gedefinieerd. Ook valutaresultaten en kosten kwalificeren bijvoorbeeld als rente.  De earningsstrippingmaatregel treft niet alleen nieuwe schulden, de regeling is ook van toepassing op schulden ontstaan voor invoering van deze maatregel.

De earningsstrippingmaatregel is niet van toepassing op een “op zichzelf staande entiteit”. De entiteit mag dan geen deel uitmaken van een groep en niet met een andere onderneming gelieerd zijn (ruwweg indien niemand een belang van meer dan 25% heeft in de entiteit). Ook mag de onderneming geen vaste inrichting hebben.

De voorgeschreven earningsstrippingregeling zorgt ervoor dat het overschot aan rentelasten (aftrekbare rentelasten – belaste rentebaten) niet in aftrek komt voor zover deze rentelasten meer bedragen dan 30% van de fiscale EBITDA. De fiscale EBITDA is de belastbare winst (dus vrijgestelde inkomsten of niet aftrekbare kosten worden niet meegenomen) vermeerderd met het overschot aan rentelasten en het bedrag van de afschrijvingen.

Ter illustratie is hieronder een voorbeeld opgenomen:

X B.V.:

Opbrengsten X B.V. in EUR

kosten X B.V. in EUR

Opbrengst verkopen                                                       15.000.000

Inkoop                                             9.000.000

Resultaat deelneming  (deelnemingsvrijstelling)        2.000.000

Afschrijvingen                                1.000.000

 

Rentelasten                                    4.000.000

  • De fiscale EBITDA van belastingplichtige is € 6.000.000 (resultaat deelneming wordt niet meegenomen, dit is vrijgesteld door de deelnemingsvrijstelling). De totale aftrekcapaciteit is € 1.800.000 (€ 6.000.000 * 30%). Dit is de het maximum aan rentekosten dat van de fiscale winst afgetrokken kan worden.
  • Het overschot aan rente van X B.V. is € 4.000.000 

In het conceptwetsvoorstel is een drempel opgenomen, zodat het overschot aan rente in aftrek komt tot een bedrag van €3.000.000 indien dat hoger is dan 30% van de fiscale EBITDA (zodat kleinere belastingplichtigen niet door de regeling worden getroffen). In bovenstaand voorbeeld zou in beginsel maximaal € 1.800.000 van de € 4.000.000 aan rentelasten in aftrek gebracht mogen worden. Echter, door de in het conceptwetsvoorstel opgenomen drempel kan € 3.000.000 (dit is meer dan 30% van de fiscale EBITDA van X B.V.) in aftrek gebracht worden.

Indien het overschot aan rentelasten de 30% van de fiscale EBITDA of de drempel van
€3.000.000 overschrijdt is er nog één escape, de zogenoemde ‘groepsescape’. In het conceptwetsvoorstel zijn twee varianten van een dergelijke groepsescape opgenomen:

  1. De ‘eigenvermogenuitzondering’: de beperking geldt niet indien – kort gezegd – de verhouding tussen het eigen vermogen en totale vermogen van de belastingplichtige ten hoogste 2 procentpunten lager is dan de overeenkomstige groepsratio.
    voorbeeld: X B.V. maakt deel uit van een groep en deze groep heeft in de geconsolideerde jaarrekening een totaal vermogen (totaal aan activa) € 10.000.000 en een eigen vermogen van € 2.000.000 dan is de groepsratio 20%. Als de ratio van eigen vermogen/totaal vermogen van X B.V. 18% of hoger is, zou het renteoverschot toch in aftrek kunnen worden gebracht.
  2. De ‘EBITDA-uitzondering’: het percentage van 30% zoals dat geldt in de EBITDA-regel wordt vervangen door de verhouding tussen de nettorentelasten van de groep en het resultaat voor belasting van de groep, indien die verhouding hoger is dan 30%.
    Voorbeeld: X B.V. maakt deel uit van een groep en deze groep betaalt gedurende het belastingjaar € 12.000.000 rente aan derden. Deze rentelasten worden vervolgens afgezet te worden tegen de EBITDA van de groep. Indien deze EBITDA € 20.000.000 is, is de verhouding van de groep 60%. Deze 60% is gunstiger dan de 30% die volgt uit de earningsstrippingregelging. Hierdoor zou X B.V. recht hebben op een totale aftrek van € 3.600.000 (60% van € 6.000.000) van het renteoverschot in plaats van € 3.000.000.

Tot slot is het mogelijk om van de niet-aftrekbare rente en/of rentecapaciteit voort te wentelen. In de ATAD zijn de volgende mogelijkheden opgenomen:

  1. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen;
  2. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen in combinatie met achterwaartse verrekening van hoogstens drie jaar; of
  3. het niet-aftrekbare overschot aan rentelasten onbeperkt voortwentelen in combinatie met het voortwentelen van de onbenutte rentecapaciteit van vijf jaar.

In het consultatiedocument is gekozen voor optie 1. Volgens het consultatiedocument is deze optie het meest eenvoudig in de uitvoering. Mogelijk dat het (nieuwe) kabinet voor een andere optie kiest.

Het conceptwetsvoorstel bevat dus nog een aantal keuzepunten voor het (nieuwe) kabinet en zal ongetwijfeld nog aangepast worden aan de hand van de diverse commentaren. Tevens moet het nog duidelijk worden of er bestaande renteaftrekbeperkingen gaan verdwijnen. Dat er diverse nieuwe maatregelen worden ingevoerd is echter duidelijk. Bestaande structuren zullen mogelijk moeten worden geherstructureerd voor 1 januari 2019. Uiteraard zijn wij bereid u te assisteren bij het analyseren en “ATAD-proof” maken van uw structuur.

Wij houden u op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.

Mark Bos en Rob Spriensma

Naar boven


7. Aangekondigde wetswijziging zorgt voor belastbaarheid AOW-uitkering in België

Recent bevestigde het Belgische Hof van Cassatie dat voor zover een Nederlandse AOW-uitkering geen verband houdt met een beroepswerkzaamheid, deze niet belastbaar is in België. Een aangekondigde Belgische wetswijziging maakt echter alweer een einde aan deze recente rechtspraak, met de volledige belastbaarheid van de AOW-uitkering in België tot gevolg.

De heffingsbevoegdheid van België ten aanzien van Nederlandse AOW-uitkeringen was al langer een punt van discussie. In een arrest van 5 mei 2017 bevestigde het Belgische Hof van Cassatie dat een Nederlandse AOW-uitkering verkregen door een inwoner van België, slechts belastbaar is in België indien deze uitkering een (on)rechtstreekse band met de beroepswerkzaamheid heeft. Deze rechtspraak betekende de (gedeeltelijke) niet-belastbaarheid in België van vele AOW-uitkeringen genoten door Belgische inwoners (wij verwijzen naar de juni 2017-editie van deze nieuwsbrief). Dit was niet naar de zin van de Belgische belastingadministratie, die van mening was dat een AOW-uitkering integraal belastbaar is in België.

De Belgische regering kondigde dan ook een wetswijziging aan die bovenvermelde cassatierechtspraak buitenspel zet. In het voorontwerp van wet wordt de omschrijving van belastbare pensioeninkomsten uitgebreid, waardoor de AOW-uitkeringen verkregen door Belgische inwoners steeds integraal belastbaar zijn in België.

De aangekondigde wetswijziging zou van toepassing zijn op de inkomsten genoten vanaf 1 januari 2017. Concreet betekent dit dat voor de aangifte over inkomstenjaar 2016 een eventuele vrijstelling van de AOW-uitkering op basis van de hierboven vermelde cassatierechtspraak mogelijk blijft.

Sjeel Debeuf

Naar boven


8. Het nieuwe erfrecht: eindelijk de baas over uw erfenis?

De langverwachte en aangekondigde hervorming van het Belgische erfrecht is een feit. De Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de erfenissen en de giften werd immers gepubliceerd in het Belgische Staatsblad en zal van toepassing zijn op alle overlijdens na 31 augustus 2018. Met de voorgenomen hervorming tracht men tegemoet te komen aan de actuele noden van onze maatschappij.

Zo zorgt de toename van het aantal nieuw samengestelde gezinnen immers voor nieuwe uitdagingen met betrekking tot de verhouding tussen stiefkinderen, gemeenschappelijke kinderen, halfbroers en -zussen en stiefouders.

De rode draad van de wijziging is een ruimere beschikkingsvrijheid voor u als erflater. Dergelijke autonomie biedt u immers de mogelijkheid om een successieplanning ‘op maat’ uit te werken, rekening houdende met uw specifieke situatie en wensen.

U kunt bijvoorbeeld samen met uw erfgenamen een globale erfovereenkomst (familiepact) sluiten. Daarbovenop wordt de reserve (legitieme portie) onder de nieuwe regelgeving vastgeklikt op de helft (50%), ongeacht het aantal kinderen dat tot uw nalatenschap komt, en dit in tegenstelling tot de huidige wetgeving. De overige helft kunt u voortaan vermaken aan wie u wilt.

Voor uw langstlevende gehuwde partner wijzigt er op zich weinig. Zo blijft deze gerechtigd tot het vruchtgebruik over minimaal de helft van uw nalatenschap of in ieder geval over het vruchtgebruik op de gezinswoning en huisraad.

Maar er is meer. Wat als u in het verleden schenkingen hebt gedaan aan uw kinderen met een verschillend voorwerp? Op het moment van uw overlijden zal worden nagegaan of de kinderen gelijk behandeld zijn geweest. Dit noemt men de ‘inbreng’ en ‘inkorting’. Beide verrichtingen zullen voortaan plaatsvinden in waarde, te rekenen op de dag van de schenking maar geïndexeerd tot de dag van het overlijden.

Een voorbeeld ter verduidelijking

Een vader heeft op hetzelfde ogenblik een huis geschonken ter waarde van € 200.000 aan zijn dochter en, bij gebreke aan een ander onroerend goed, een gelijk bedrag in geld aan zijn zoon. Onder de nieuwe wet zal elk kind € 200.000 moeten inbrengen (mits indexering). Onder het huidige recht zien we in dergelijke situaties vaak een onbedoelde scheeftrekking tussen de kinderen, omdat roerende goederen (geld) worden gewaardeerd aan hun waarde op het tijdstip van schenking (nominale bedrag), terwijl een onroerend goed wordt gewaardeerd op het tijdstip van overlijden. Indien bij overlijden van de vader zou blijken dat het onroerend goed in waarde is gestegen tot € 300.000, dan bedraagt de totale nalatenschap € 500.000 (€ 200.000 + € 300.000). Ieder kind komt dan € 250.000 toe. De dochter wordt aldus verondersteld € 50.000 te veel te hebben ontvangen, hoewel de vader op het tijdstip van schenking aan beide kinderen dezelfde waarde heeft geschonken, namelijk € 200.000. Onder de huidige wet moet de dochter dan € 50.000 teruggeven aan haar broer. Dit wordt in de nieuwe wet uitgesloten.

Wat betekent de wijziging van het nieuwe erfrecht concreet voor u?

Indien u al een erfplanning hebt gemaakt, hebt u nog tot en met 31 augustus 2018 de tijd om voor uw notaris te verklaren dat u de huidige regels met betrekking tot de waardering en de aard van de schenking wenst te behouden. Wij adviseren om de doelstellingen van uw bestaande planning opnieuw onder de loep te (laten) nemen om na te gaan of uw oude planning al dan niet moet worden aangepast aan de nieuwe regelgeving dan wel of een verklaring van behoud het meest geschikt is voor uw situatie.

Indien u nog geen erfplanning hebt doorgevoerd, staan wij u graag bij om na te gaan welke wetgeving u de meeste perspectieven biedt.

Kizzy Wandelaer en Julie Boon

Naar boven


9. Alle dagen van verblijf in Nederland tellen mee bij toepassing 183-dagenregeling

In het belastingverdrag tussen België en Nederland is voor de allocatie van het heffingsrecht over loon uit dienstbetrekking een 183-dagenregeling opgenomen. Indien u als inwoner van België in Nederland werkzaamheden verricht, zal Nederland in principe mogen heffen over het inkomen verdiend met deze werkzaamheden wanneer u meer dan 183 dagen (gedurende een twaalfmaandsperiode) in Nederland verblijft. Nederland mag daarnaast ook heffen over dit inkomen indien deze werkzaamheden worden verricht voor een in Nederland gevestigde materiële werkgever of een vaste inrichting van de Belgische werkgever in Nederland.

Oordeel Hoge Raad

De onderhavige casus is als volgt. Een inwoner van België werkte minder dan 183 dagen in Nederland. Hij verbleef echter ook om privéredenen in Nederland, waardoor hij in totaal meer dan 183 dagen in Nederland verbleef. In een eerder stadium oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant en later Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch dat dagen die een privékarakter hebben niet meetellen voor de 183-dageneis. In de april 2015-editie van deze nieuwsbrief uitten wij hierover al onze verbazing, omdat de rechtbank en het hof afweken van de heersende jurisprudentie van de Nederlandse Hoge Raad. De grensarbeider was namelijk gedurende een twaalfmaandsperiode meer dan 183 dagen fysiek in Nederland aanwezig.

De vraag waarover de Hoge Raad onlangs onder meer moest oordelen, was hoe het begrip ‘verblijven’ in de 183-dagenregeling dient te worden geïnterpreteerd. Is dit beperkt tot werkdagen of moeten alle verblijfsdagen hierbij in aanmerking worden genomen?

Gemakkelijk te hanteren maatstaf

Voor de interpretatie van belastingverdragen is het commentaar op het OESO-Modelverdrag van belang. Hierin zijn richtlijnen opgenomen voor de uitleg van belastingverdragen. Voor de interpretatie van het begrip verblijven voor de 183-dagenregeling verwijst de Hoge Raad naar de ‘days of physical presence’-methode. Dit betekent dat iedere dag (of een deel daarvan) waarop de werknemer verblijft in de werkstaat in aanmerking moet worden genomen. Het is hierbij niet van belang of de werknemer om zakelijke of privéredenen hier verblijft.

Op basis van het bovenstaande is het loon van een Belgische werknemer die minder dan 183 dagen in Nederland heeft gewerkt maar wel meer dan 183 dagen in Nederland verblijft, aan de Nederlandse inkomstenbelasting onderworpen (indien en voor zover de werkzaamheden in Nederland zijn verricht). Dit is een voor de praktijk gemakkelijk(er) te hanteren maatstaf. In voorkomende gevallen kan een privébezoek aan Nederland (bijvoorbeeld voor vakantie of in het kader van een bezoek aan een pretpark of familie) leiden tot belastingplicht in Nederland. Bent u zich hiervan bewust?

Monique van Leeuwen en William Donders

Naar boven


10. Handhaving Nederlandse Wet DBA uitgesteld tot 1 juli 2018

Onlangs heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer bekendgemaakt dat de handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) zal worden opgeschort tot 1 juli 2018. In een eerder stadium werd al besloten dat de handhaving van deze wet zou worden opgeschort tot 1 januari 2018     

Deze opschorting is nu verlengd naar aanleiding van het rapport Onderzoek varianten kwalificatie arbeidsrelatie. Hierin wordt een aantal suggesties gegeven voor het vervolgtraject in het DBA-dossier. Hoe het nu verder gaat, is afhankelijk van de keuzes die het nieuwe kabinet zal maken.

Wat in elk geval duidelijk wordt, is dat het kabinet het belangrijk vindt dat opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om zich aan de nieuwe wetgeving aan te passen. De Wet DBA wordt dus niet buiten werking gesteld. Tot 1 juli 2018 zullen er echter geen handhavingsmaatregelen als boetes en naheffingsaanslagen worden opgelegd, behalve aan evident kwaadwillenden. 

Het voorgaande neemt niet weg dat het van belang is om de Wet DBA toe te passen en, indien aan de orde, modelovereenkomsten te hanteren. Indien gewenst, zijn wij u hierbij vanzelfsprekend graag van dienst.

Esther Hoppenbrouwers en William Donders

Naar boven


11. Regeerakkoord in België: invoering van een optionele btw-heffing op onroerende verhuur

Het zomerakkoord van de Belgische regering bevat een opvallende maatregel. Vanaf 1 januari 2018 wordt het in België mogelijk om nieuwe professionele contracten van onroerende verhuur optioneel te onderwerpen aan btw.

Situering  

De onroerende verhuur is volgens de Btw-richtlijn in principe vrijgesteld van btw. Een eerste uitzondering op deze btw-vrijstelling zijn de volgende diensten:

  • het verstrekken van accommodatie (hoteldiensten, verhuur van vakantiekampen, terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen);
  • de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;
  • de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;
  • de verhuur van safeloketten.

Daarnaast staat de Btw-richtlijn toe dat lidstaten ook nog andere handelingen van de btw-vrijstelling kunnen uitsluiten. België heeft op basis van dit artikel de volgende diensten uitgesloten van de btw-vrijstelling:

  • de verhuur van bergruimte voor het opslaan van goederen;
  • de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;
  • de onroerende financieringshuur.

Lidstaten kunnen aan de belastingplichtigen ook het recht verlenen voor een btw-heffing over de verhuur en verpachting van onroerende goederen. België heeft deze mogelijkheid tot op heden niet voorzien in zijn btw-wetgeving, maar zal dit op basis van het zomerakkoord vanaf 1 januari 2018 wel doen.

Impact recht op aftrek van btw

De eigenaar-verhuurder die een onroerend goed verhuurt en de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur toepast, heeft geen recht op aftrek van de btw geheven over de diverse aankoop-, onderhouds- of constructiekosten. De opgelopen btw vormt bijgevolg een kost die hoog kan oplopen.

De invoering van een optionele btw-heffing zal btw op de huurvergoedingen met zich meebrengen, maar ook het recht voor de eigenaar-verhuurder om de btw geheven over de aankoop- of constructiekosten van het gebouw in aftrek te brengen. Btw-plichtige huurders zullen de btw op de huurvergoedingen (deels) kunnen recupereren.

De optie zal voornamelijk voordelig zijn wanneer de eigenaar-verhuurder een onroerend goed verhuurt aan een btw-plichtige huurder met een volledig recht op aftrek van btw. In voorkomende gevallen kan de eigenaar-verhuurder de btw geheven over de aankoopkosten in aftrek brengen en hoeft er geen ‘niet-aftrekbare btw’ te worden verrekend in de huurvergoedingen. Omdat de btw aangerekend over de huurvergoedingen in deze situatie aftrekbaar is voor de huurder, vormt de btw geen kost voor de verhuurder of de huurder.

Details omtrent de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten zijn momenteel nog niet bekend. De optie tot btw-heffing zal gelden voor nieuwe contracten van professionele onroerende verhuur gesloten vanaf 1 januari 2018. Verder valt af te wachten of en onder welke voorwaarden de btw-administratie een herziening van de btw vereist, bijvoorbeeld in het voordeel van eigenaars-verhuurders voor het geval een gebouw voorheen zonder btw werd verhuurd en onder het nieuwe optiestelsel met btw.

Conform Nederlands model?

De Belgische fiscus heeft onderzocht of een optionele btw-heffing op de professionele verhuur van onroerende goederen naar Nederlands model kan worden ingevoerd. In Nederland kan de verhuur van onroerende goederen onder voorwaarden worden onderworpen aan btw. Een van deze voorwaarden is dat de huurder het onroerend goed gebruikt voor doeleinden waarvoor hij minstens 90% aftrekgerechtigd is. Indien blijkt dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, dan vervalt de mogelijkheid van btw-heffing en het daaraan verbonden recht op aftrek van btw. Wij dienen af te wachten of de Belgische btw-administratie dezelfde richting wil uitgaan.

Gladys Cristiaensen en Geoffrey Gilis

Naar boven