Inhoud

Naar boven


1. Belastingplan 2019: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse inkomstenbelasting

Op de derde dinsdag van september 2018 (Prinsjesdag) maakte het Nederlandse kabinet in het Belastingplan 2019 zijn fiscale plannen voor de komende jaren bekend. Na diverse debatten, met name over de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting, kondigde de staatssecretaris op 15 oktober 2018 aan dat de dividendbelasting niet zal worden afgeschaft en dat een aantal maatregelen in het Belastingplan 2019 is aangepast. Een gedetailleerd overzicht van de initiële plannen en de wijzigingen treft u hier aan. Een aantal maatregelen werd reeds aangekondigd in het regeerakkoord, maar dat geldt niet voor alle voorstellen. Hierna bespreken wij enkele opvallende wijzigingen betreffende de Nederlandse inkomstenbelasting.

Box 1: tariefverlaging en beperking effectief tarief aftrekposten

Inkomsten uit werk en woning worden belast met inkomstenbelasting in box 1. De progressieve tarieven die hiervoor gelden gaan stapsgewijs omlaag en zien er als volgt uit.

Van (ca.)

t/m (ca.)

2018

2019

2021

€ 0

€ 20.142

36,55%

36,65%

37,05%

€ 20.143

€ 68.507

40,85%

38,10%

37,05%

€ 68.508

-

51,95%

51,75%

49,50%

De maximale hypotheekrenteaftrek wordt sinds 2014 met 0,5% per jaar verlaagd, waardoor het aftrekpercentage in 2018 maximaal 49,5% bedraagt. Op basis van het wetsvoorstel wordt de jaarlijkse afbouw vanaf 2020 versneld, zodat de maximale aftrek vanaf 2023 maximaal 37,05% bedraagt. Het percentage waartegen overige aftrekposten, zoals alimentatie, giften en de zelfstandigenaftrek, kunnen worden geëffectueerd, wordt eveneens stapsgewijs verlaagd tot 37,05% in 2023.

Tariefverhoging box 2

Inkomsten uit aanmerkelijk belang worden belast met inkomstenbelasting in box 2. Van een aanmerkelijk belang is doorgaans sprake indien u 5% of meer van (een soort van) de aandelen van een vennootschap bezit. Momenteel worden dividenden en vermogenswinsten uit aanmerkelijk belang belast met 25% inkomstenbelasting. Op basis van de gepresenteerde voorstellen wordt dit tarief vanaf 1 januari 2020 verhoogd tot 26,25% en vanaf 1 januari 2021 tot 26,90%.

'Dga-taks'

Een maatregel in het Belastingplan die niet eerder was aangekondigd maar waarover reeds veel is gesproken betreft de rekening-courantmaatregel, ook wel 'dga-taks'. Het kabinet stelt voor om vorderingen van vennootschappen op hun aandeelhouder(s) indien en voor zover deze € 500.000 te boven gaan vanaf 1 januari 2022 aan te merken als een dividenduitkering en te belasten met 26,90% inkomstenbelasting (zie boven). De staatssecretaris heeft aangekondigd dat deze maatregel niet zal gelden voor bestaande en nieuwe eigenwoningschulden. Omdat nadere details en de voorgestelde toepassing van deze maatregel in internationaal verband nog niet bekend zijn, moeten wij verdere bijzonderheden nog afwachten.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


2. Belastingplan 2019: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse vennootschapsbelasting

Hierna bespreken wij enkele opvallende wijzigingen ten aanzien van de Nederlandse vennootschapsbelasting.

Tariefverlaging

Nederland doet, evenals België mee aan de internationale trend waarbij vennootschapsbelastingtarieven worden verlaagd. Het Nederlandse kabinet stelt voor de vennootschapsbelastingtarieven stapsgewijs te verlagen, van de huidige 20% voor winst tot en met € 200.000 en 25% voor het meerdere tot 15% respectievelijk 20,5% vanaf 1 januari 2021.

Beperking termijn voorwaartse verliesverrekening

Om bovengenoemde tariefverlaging te kunnen realiseren heeft Nederland ervoor gekozen om de belastinggrondslag te verbreden. Een van de maatregelen in dit verband betreft de beperking van de termijn voor voorwaartse verliesverrekening. Fiscale verliezen kunnen momenteel worden verrekend met fiscale winsten van het voorgaande boekjaar (één jaar carry-back) en de negen volgende boekjaren (negen jaar carry-forward). De termijn voor carry-forward wordt voor fiscale verliezen geleden vanaf het boekjaar 2019 verkort tot zes jaar.

Beperking afschrijving gebouwen in eigen gebruik

Voor Nederlandse fiscale doeleinden worden gebouwen afgeschreven tot de bodemwaarde. Momenteel bedraagt deze bodemwaarde voor gebouwen in eigen gebruik 50% van de WOZ-waarde en voor overige gebouwen de WOZ-waarde. Vanaf 1 januari 2019 wordt de bodemwaarde voor gebouwen in eigen gebruik verhoogd tot de WOZ-waarde. Indien de fiscale boekwaarde van een gebouw reeds lager is dan de bodemwaarde, wordt deze fiscale boekwaarde gehandhaafd. Voor gebouwen die voor 1 januari 2019 in gebruik zijn genomen en waarop nog geen drie boekjaren is afgeschreven blijft (tijdelijk) het huidige regime van toepassing.

Generieke renteaftrekbeperking (30% EBITDA)

In onder meer de juni-editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de introductie van de 30%-EBITDA-maatregel (‘earningsstripping’) waartoe Nederland op grond van de Europese Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) is gehouden. De richtlijn stelt, kort gezegd, dat geen renteaftrek moet worden toegestaan indien en voor zover het saldo van de verschuldigde en ontvangen rente 30% van de fiscale EBITDA te boven gaat.

De ATAD biedt diverse mogelijkheden om het toepassingsgebied van deze generieke renteaftrekbeperking te beperken. Terwijl België een groot deel van deze mogelijkheden benut, is Nederland - zoals eerder aangekondigd - voornemens deze mogelijkheden beperkt te gebruiken en de renteaftrekbeperking ruim toe te passen. Nederland past geen groepsuitzondering en een drempel van slechts € 1 miljoen toe en implementeert geen uitzondering voor bestaande financieringen. Wij verwijzen naar bijgevoegd memorandum over de gepresenteerde voorstellen en onze eerdere berichtgeving hieromtrent.

Goed nieuws is dat de introductie van de 30%-EBITDA-maatregel gepaard gaat met afschaffing van enkele specifieke (renteaftrek)beperkingen voor: deelnemingsrente (artikel 13l), overnamerente (artikel 15ad) en de verrekening van houdsterverliezen (artikel 20, lid 4).

Introductie CFC-wetgeving en conditionele bronbelasting op interesten en royalty's

Een tweetal wijzigingen die grote impact kunnen hebben in internationale structureren betreffen de introductie van de CFC-wetgeving per 1 januari 2019 en de invoering van conditionele bronheffingen op interesten en royalty's vanaf 1 januari 2021. Deze maatregelen zijn met name relevant indien uw structuur een (klein)dochtervennootschap bevat die is gevestigd in een laagbelaste jurisdictie of indien u rente- of royaltybetalingen doet aan een entiteit gevestigd in een dergelijke jurisdictie.

Een land kwalificeert in dit verband als een laagbelaste jurisdictie indien het:

  • wordt genoemd op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen (de EU-blacklist);
  • geen winstbelasting heft of een winstbelastingtarief met een statutair tarief van minder dan 7% heeft.

Omdat bovengenoemde wijzigingen de fiscale positie van uw vennootschap(pen) significant kan beïnvloeden, adviseren wij de gevolgen hiervan zo spoedig mogelijk in kaart te brengen. Wij zijn u daarbij vanzelfsprekend graag van dienst.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


3. Belastingplan 2019: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse loonbelasting

Hierna bespreken wij de meest in het oog springende wijzigingen voor de Nederlandse loonbelasting

30%-regeling verkort naar vijf jaar (met overgangsrecht)

In de mei-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u al over de aankondiging van het kabinet om de maximale periode van toekenning van de 30%-regeling met ingang van 1 januari 2019 te beperken van acht tot vijf jaar. Naar aanleiding van deze aankondiging werd duidelijk dat de voorgestelde wijziging ook zou gelden voor werknemers die momenteel gebruikmaken van de 30%-regeling. Inmiddels heeft het kabinet bekendgemaakt dat voor werknemers die momenteel gebruikmaken van de 30%-regeling en voor wie de regeling als gevolg van de wijzigingen in 2019 of 2020 vervalt, in 2019 en 2020 nog de bestaande regeling zal gelden.

Vanwege de verkorting van de toekenningsduur van de 30%-regeling wordt ook de mogelijkheid om de extraterritoriale kosten belastingvrij te vergoeden beperkt tot een periode van vijf jaar. Schoolgelden voor een internationale school mogen onder de 30%-regeling onbelast worden vergoed. Indien de gelden betrekking hebben op het schooljaar 2018/2019, mogen deze in 2019 onbelast worden vergoed aan werknemers die op dat moment nog van de 30%-regeling gebruik hadden kunnen maken indien de toekenningsduur niet was beperkt.

Daarnaast wordt het keuzerecht voor de partiële buitenlandse belastingplicht teruggebracht van acht naar vijf jaar. Dit keuzerecht houdt in dat de werknemer voor de belastingheffing in box 2 en box 3 wordt aangemerkt als buitenlands belastingplichtige. In principe betekent dit dat de belastingplichtige in box 2 slechts in de heffing wordt betrokken voor inkomsten uit een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap en in box 3 voor inkomsten uit in Nederland gelegen onroerende zaken (niet zijnde de eigen woning).

Fiets van de zaak

De regeling voor de fiets van de zaak wordt met ingang van 1 januari 2020 vereenvoudigd. Vanaf 2020 zal voor het privégebruik van de fiets van de zaak een vaste bijtelling gelden, zoals voor de auto van de zaak. Voor de ter beschikking gestelde fiets wordt de bijtelling gesteld op 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets inclusief accessoires die met de fiets ter beschikking worden gesteld.

Heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen

In het Belastingplan van vorig jaar was reeds een wijziging voor de heffingskortingen opgenomen. Met ingang van 1 januari 2019 mag in de salarisadministratie voor buitenlandse belastingplichtigen alleen nog rekening worden gehouden met het belastingdeel van de arbeidskorting en niet met het belastingdeel van de overige heffingskortingen (zoals de algemene heffingskorting).

Als aanvullende voorwaarde voor het toepassen van het belastingdeel van de arbeidskorting in de salarisadministratie geldt dat de werknemers wonen in een land binnen de EU/EER, Zwitserland of de BES-eilanden. In het kader hiervan moet de werkgever dus gaan vastleggen wat de fiscale woonplaats van zijn werknemers is. In de vorige editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u al dat voor werknemers die geen fiscale woonplaats in Nederland hebben hun buitenlandse woonadres in de Nederlandse salarisadministratie dient te worden opgenomen. Indien het (onjuiste) Nederlandse verblijfsadres is opgenomen, is in principe het anoniementarief van toepassing.

Nog van belang is dat de werkgever bij buitenlandse belastingplichtigen geen onderscheid kan maken tussen kwalificerende en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Voor de werkgever is immers niet altijd duidelijk of de werknemer over meer dan 90% van het wereldinkomen in Nederland belasting betaalt en of de werknemer een inkomensverklaring van de buitenlandse belastingdienst kan overleggen. Indien de werknemer kwalificeert als kwalificerende buitenlands belastingplichtige, heeft hij eveneens recht op het belastingdeel van de overige heffingskortingen en kan dit recht via de aangifte inkomstenbelasting te gelde worden gemaakt.

Dit laatste geldt overigens niet voor inwoners van België die in Nederland werkzaam zijn. Zij hebben namelijk recht op onder meer het belastingdeel van de algemene heffingskorting op basis van de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en België en de goedkeuring in een beleidsbesluit, ongeacht of sprake is van kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Er moet dan wel een aangifte inkomstenbelasting worden ingediend. De heffingskorting kan gedurende het kalenderjaar al worden geclaimd door middel van het aanvragen van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


4. Belastingplan 2019: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse omzetbelasting

Hierna bespreken wij de meest in het oog springende wijzigingen ten aanzien van de Nederlandse omzetbelasting: de verhoging van het verlaagde btw-tarief en de modernisering van de kleineondernemersregeling. Op de eveneens aangekondigde verruiming van de Nederlandse btw-sportvrijstelling gaan wij hier niet nader in.

Verhoging verlaagde btw-tarief

Het kabinet wenst arbeid meer te belonen en verschuift daarom lasten op arbeid (directe belastingen) naar lasten op consumptie (indirecte belastingen) door het verlaagde btw-tarief, thans 6%, te verhogen naar 9%. Een van de onderliggende argumenten is dat het belasten van consumptie een minder economisch verstorend effect heeft.

In 2012 werd het algemene btw-tarief verhoogd. Bij deze verhoging werden specifieke overgangsmaatregelen gehanteerd voor leveringen en diensten die werden vooruitbetaald voor invoering van het nieuwe tarief, maar die pas feitelijk plaatsvonden na invoering van het nieuwe tarief. Voor de voorgestelde verhoging van het verlaagde btw-tarief is - om de extra administratieve lasten voor ondernemers te beperken - gekozen voor een andere benadering. De Belastingdienst zal niet naheffen over prestaties die worden gefactureerd en vooruitbetaald in 2018 maar plaatsvinden in 2019. Voor deze prestaties geldt het huidige verlaagde btw-tarief van 6%.

Modernisering kleineondernemersregeling

De huidige Nederlandse kleineondernemersregeling voorziet in een degressieve belastingvermindering indien een in Nederland gevestigde ondernemer (natuurlijke persoon) na aftrek van voorbelasting minder dan € 1.883 btw is verschuldigd. Deze vermindering bedraagt maximaal de verschuldigde btw en niet meer dan € 1.345. Een ondernemer die op basis van de huidige kleineondernemersregeling geen btw is verschuldigd, kan verzoeken om ontheffing van administratieve en factureringsverplichtingen.

Per 1 januari 2019 kunnen ondernemers met een omzet niet hoger dan € 20.000 kiezen voor een btw-vrijstelling. In tegenstelling tot de huidige regeling kunnen alle ondernemers (natuurlijke personen en rechtspersonen) hiervan gebruikmaken. Onder toepassing van de nieuwe kleineondernemersregeling zijn de prestaties van de ondernemer vrijgesteld van btw, zodat de voorbelasting op deze prestaties niet mag worden afgetrokken. De ondernemer die de nieuwe regeling toepast, is ontheven van het indienen van btw-aangiften en moet een beperkte btw-administratie voeren.

Camille Corten

Naar boven


5. Komen interesten van Nederlandse spaardeposito’s in aanmerking voor het Belgisch fiscaal gunstregime?

Als Belgisch Rijksinwoner genoot u tot inkomstenjaar 2017 (aanslagjaar 2018) van een fiscale vrijstelling op de eerste schijf van € 1.880 aan renten ontvangen op een spaardeposito. Deze vrijstelling werd vanaf aanslagjaar 2019 (inkomstenjaar 2018) bijna gehalveerd tot € 960. Over renten boven deze grens betaalt u 15% roerende voorheffing (in plaats van het standaardtarief van 30%). Dit fiscale gunstregime staat echter al langere tijd onder vuur. De stelling is dat België voorwaarden oplegt die typisch zijn aan haar eigen markt zodat spaargelden op buitenlandse spaarrekeningen de facto buiten de vrijstelling vallen.

Aan welke voorwaarde dient een spaardeposito te voldoen?

Opdat u van deze vrijstelling kan genieten dient uw spaardeposito te voldoen aan enkele concrete basisvoorwaarden. Zo wordt onder meer bepaald dat een spaardeposito moet worden uitgedrukt in euro, dat de opvragingsmogelijkheden moeten worden beperkt en dat de vergoeding moet bestaan uit een basisrente en een getrouwheidspremie (de dubbele vergoedingsregeling).

Indien u renten heeft ontvangen op een buitenlandse spaardeposito, dan kan de eerste schijf van € 1.880 in principe de vrijstelling genieten op voorwaarde dat u aan de Belgische fiscale administratie kan bewijzen dat (1) het gaat om een spaardeposito dat wordt gereglementeerd door een gelijkwaardige bevoegde overheidsinstantie van die desbetreffende lidstaat en (2) naar analogie voldoet aan de vereisten die de Belgische wetgever oplegt aan Belgische spaardeposito's. Concreet moet u dus kunnen aantonen dat uw Nederlandse spaardeposito 'vergelijkbaar' is met dat van een Belgische bank.

Nu blijkt echter dat de vooropgestelde vergoedingsregeling die bestaat uit een basispremie en een getrouwheidspremie 'typisch' Belgisch zou kunnen zijn, waardoor buitenlandse spaardeposito's indirect worden uitgesloten van de Belgische fiscale vrijstelling. Het Europees Hof van Justitie heeft in haar arrest van 8 juni 2017 aangegeven dat het opleggen van dergelijke voorwaarde die de facto 'eigen' is aan de Belgische markt, een schending kan inhouden van het Europese principe van vrij verkeer van diensten. Zij liet echter de finale beoordeling over aan de verwijzende rechter, die tot op heden geen uitspraak heeft gedaan.

De rechtspraak staat ondertussen niet stil..

De rechtbank van Antwerpen heeft zich op 15 juni 2018 uitgesproken over een situatie waarbij twee Belgische (fiscaal) inwoners twee spaardeposito's aanhielden bij een Nederlandse grootbank. Het ging om een 'vermogensspaarrekening' en een formule 'direct sparen'. Voor beide formules was het echtpaar van oordeel dat de rentes, die op deze rekeningen werden ontvangen, in aanmerking kwamen voor de vrijstelling ten belope van de eerste schijf. De Belgische fiscus was het niet eens met de zienswijze van de belastingplichtige, immers beantwoordden beide spaardeposito's volgens de Belgische fiscus niet aan de voorwaarden zoals die in de Belgische wetgeving worden gesteld.

Het echtpaar grijpt voor de rechtbank terug naar de bovengenoemde Europese rechtspraak hieromtrent en oppert dat een strikte toepassing van de Belgische voorwaarden op buitenlandse spaardeposito's in strijd is met het Europees beginsel van vrij verkeer van diensten.

De rechtbank te Antwerpen lijkt het Europees Hof van Justitie te volgen in die zin dat zij opmerkt dat buitenlandse spaardeposito's aan analoge, doch niet identieke voorwaarden moeten voldoen. In wat volgt, bespreekt de rechtbank alle voorwaarden die door de Belgische wetgever worden opgelegd waaronder ook de vereiste van de dubbele vergoedingsregeling.

De Administratie haalt, net zoals bij de zaak voor het Europees Hof van Justitie, aan dat de dubbele vergoedingsregeling voornamelijk is ingegeven ter bescherming van de consument en dus zonder meer ook moet kunnen worden opgelegd aan financiële instellingen gelegen binnen de Europese Economische Ruimte (EER). De rechtbank te Antwerpen besluit, naar onze mening opvallend, dat enkel de 'vermogensspaarrekening' in aanmerking komt voor het fiscale gunstregime omdat enkel deze voldoet aan de dubbele vergoedingsregeling.

Zijn appelen met peren te vergelijken? 

Dit vonnis van de rechtbank te Antwerpen lijkt op het eerste zicht een eigenaardige beslissing. Toch zijn de feiten die aan de basis lagen van deze casus fundamenteel anders dan de feiten die voorlagen voor het Europees Hof van Justitie. Zo ging het Europees Hof van Justitie uit van de presumptie dat de zogenaamde dubbele vergoedingsregeling nergens anders dan in België voorkomt, terwijl de Antwerpse rechter nu wél te maken krijgt met een buitenlandse spaarformule die gekenmerkt wordt door een dubbele vergoedingsregeling, zij het niet onder de vorm van een 'getrouwheidspremie', maar eerder een 'bonusrente'.

Hieruit volgt dat wanneer dergelijke vergoedingsstructuur niet noodzakelijk eigen is aan de Belgische markt, zoals de rechtbank van Antwerpen met haar vonnis doet uitschijnen, we ons de vraag kunnen stellen of er wel degelijk sprake is van een belemmering van het Europese vrije verkeer van diensten. Het is wachten op de beslissing van de rechtbank te Brugge die in navolging van de prejudiciële vraag die aan het Europees Hof van Justitie werd gesteld, zal moeten beoordelen of er werkelijk een schending is van het vrije verkeer van diensten.

Julie Boon

Naar boven


6. Belgische vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid uitgebreid tot de bouwsector

Ingevolge de wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de versterking van de sociale cohesie werd de reeds bestaande vrijstelling voor ploegenarbeid vanaf 1 januari 2018 uitgebreid naar de bouwsector. Ondernemingen die in de bouwsector werkzaam zijn en die werknemers in ploegen tewerkstellen, kunnen sindsdien genieten van een vrijstelling voor de doorstorting van een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing op de door hen betaalde of toegekende bezoldigingen en premies. Dit gedeelte hoeft door de onderneming aldus niet meer doorgestort te worden aan de Belgische Schatkist. Naast ondernemingen die in de bouwsector werkzaam zijn, geldt deze maatregel ook voor uitzendbedrijven die uitzendkrachten ter beschikking stellen aan deze ondernemingen.

De Belgische regering beoogt door middel van deze wijzigingen de werkzaamheidsgraad binnen de bouwsector te bevorderen, de loonkost te verlagen en de indirecte sociale fraude en sociale dumping te bestrijden. Twee circulaires van respectievelijk 11 en 15 juni 2018 hebben hieromtrent recent meer duidelijkheid verschaft.

Wie komt in aanmerking? 

Ondernemingen in de bouwsector (dat wil zeggen iedere onderneming die zich bezighoudt met 'werk in onroerende staat' in de zin van de BTW-wetgeving) waar werknemers in ploegverband werken in onroerende staat verrichten, komen in aanmerking voor deze maatregel. Dit betreft ondernemingen waar 'ploegenarbeid' wordt verricht in één of meerdere ploegen die minstens twee personen omvatten en waarbij deze ploegen op locatie hetzelfde of complementair werk in onroerende staat verrichten. We merken hierbij op dat 'werk in onroerende staat' in ruime zin begrepen dient te worden en bijgevolg niet alleen het geheel of gedeeltelijk bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden, reinigen en afbreken van een onroerend goed omvat, maar ook betrekking heeft op het aanbrengen van een roerend goed aan een onroerend goed. Werknemers die werk in onroerende staat verrichtingen in een atelier of administratief personeel komen niet in aanmerking voor deze maatregel.

Om in aanmerking te komen dient het brutoloon van de werknemer ten minste € 13,75  per uur te bedragen (€ 17,42 - geïndexeerd bedrag voor 2018) en dient de werkgever:

  • een belastbare ploegenpremie te betalen of toe te kennen aan zijn werknemers;
  • schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing op de ploegenpremie te zijn; en
  • de volledige bedrijfsvoorheffing op de betrokken bezoldigingen en ploegenpremies in te houden.

Vrijstellingspercentages

Alhoewel de definitie van ploegenarbeid is verruimd, is het vrijstellingspercentage met ingang van 1 januari 2018 drastisch verlaagd naar 3% (in vergelijking met het algemene vrijstellingspercentage van 22,8%). Deze verlaging wordt echter wel weer gevolgd door een graduele stijging van het vrijstellingspercentage voor bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019 (6%) en 1 januari 2020 (18%).

Een belangrijke nieuwigheid hierbij is dat de wijze waarop deze vrijstelling wordt berekend, is aangepast voor de industriële sector en de bouwsector. De vrijstelling wordt voortaan niet meer berekend op het niveau van de individuele werknemer, maar per groep van werknemers die in aanmerking komen voor deze vrijstelling ('collectieve berekeningsmethode') waarbij het vrijstellingspercentage toegepast wordt op het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze vrijstelling van toepassing is'.

Praktisch

De bovengenoemde vrijstelling is niet van toepassing op premies andere dan de ploegenpremie, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en achterstallige bezoldigingen en kan niet gecumuleerd worden met de reeds bestaande vrijstelling voor doorstorting van de bedrijfsvoorheffing bij nacht- en ploegenarbeid. Daarnaast dient voor de vrijstelling een bijzondere aangifte gedaan te worden in de bedrijfsvoorheffing via het sociaal secretariaat van de desbetreffende onderneming.

Bernhard Glorieux en Eva Stroobant

Naar boven


7. Belgische maatregelen voor de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking inzake roerende voorheffing

Op aangeven van minister Johan Van Overtveldt, bevoegd voor de bestrijding van fiscale fraude, heeft de ministerraad recent een voorontwerp van wet goedgekeurd met maatregelen ter bestrijding van belastingfraude en -ontwijking aangaande roerende voorheffing. Met dit voorontwerp wordt getracht oneigenlijke vrijstellingen van roerende voorheffing te bestrijden en de opeisbaarheid van roerende voorheffing bij een onterechte vrijstelling of terugbetaling te vereenvoudigen.

Hoewel de tekst van het voorontwerp momenteel bij de Raad van State ligt voor advies en derhalve nog niet beschikbaar is, delen we reeds graag de verwachte anti-misbruikmaatregelen:

  • Wanneer een Belgisch of buitenlands pensioenfonds minder dan 60 dagen effecten aanhoudt, die dividenden genereren en die recht geven op een vrijstelling of verrekening van roerende voorheffing, wordt dat voortaan door de Belgische belastingautoriteiten gezien als een kunstmatige rechtshandeling. Het gevolg is dat geen vrijstelling of verrekening van roerende voorheffing wordt toegepast. Om de vrijstelling of verrekening van de roerende voorheffing toch te kunnen toepassen, moet het pensioenfonds zelf bewijzen dat geen kunstmatige rechtshandelingen werden verricht.
  • In geval van onrechtmatige toepassing van de vrijstelling of onrechtmatige terugbetaling van roerende voorheffing, zal de verkrijger van de roerende inkomsten aangewezen worden als schuldenaar van de roerende voorheffing. Dit geldt zelfs wanneer het in werkelijkheid de schuldenaar van de roerende inkomsten was die de vrijstelling of terugbetaling heeft ontvangen.
  • Voor het toepassen van de verrekening van de roerende voorheffing, zal de belastingplichtige als volle eigenaar moeten beschikken over de onderliggende effecten op de datum dat de rechthebbenden van de dividenden worden geïdentificeerd. Dit is de datum vóór de dag van toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden. Deze maatregel moet een onterechte verrekening van roerende voorheffing op dividenden tegengaan.

Wij houden u uiteraard op de hoogte en bericht u zodra de tekst van het voorontwerp ontwerp beschikbaar wordt gemaakt.

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


8. Is de btw op kosten ter zake van een (beoogde) overname in Nederland aftrekbaar?

Dit is een vraag die in de praktijk geregeld aan de orde komt. In deze bijdrage gaan wij nader in op de algemene beginselen van het btw-aftrekrecht van een (houdster)vennootschap in het kader van overname en beschrijven wij een aantal recente ontwikkelingen in de jurisprudentie op dit gebied.

De btw-positie van een houdstervennootschap 

De btw-positie van een houdstervennootschap en het recht op aftrek van btw hangen samen met de aard van de activiteiten van de vennootschap. Hierbij maken we onderscheid tussen economische activiteiten en niet-economische activiteiten.

Economische activiteiten vallen binnen het bereik van de btw. Een voorbeeld hiervan is het verstrekken van rentedragende leningen. Economische activiteiten kunnen leiden tot recht op aftrek van btw, zoals het verstrekken van rentedragende leningen aan partijen die buiten de Europese Unie zijn gevestigd en het verrichten van managementdiensten tegen vergoeding. Economische activiteiten die niet leiden tot recht op aftrek van btw zijn bijvoorbeeld het verstrekken van rentedragende leningen aan partijen binnen de Europese Unie. Deze activiteiten zijn namelijk vrijgesteld van btw.

Niet-economische activiteiten vallen buiten het bereik van de btw. Een voorbeeld hiervan is het houden van aandelen zonder directe of indirecte inmenging in het management van de deelneming en zonder het verrichten van belastbare activiteiten. Het verrichten van diensten zonder hiervoor een vergoeding te vragen kan onder omstandigheden ook worden aangemerkt als een niet-economische activiteit.

Recht op aftrek van btw 

Hoofdregel is dat btw op kosten slechts aftrekbaar is in zoverre de kosten worden gebruikt voor btw-belaste activiteiten. Btw op kosten die direct te relateren zijn aan btw-belaste activiteiten is volledig aftrekbaar, btw op kosten die direct te relateren zijn aan btw-vrijgestelde activiteiten is niet aftrekbaar. Soms zijn kosten echter niet toe te rekenen aan een specifieke activiteit, maar hangen deze samen met de gehele bedrijfsactiviteit (denk aan accountantskosten, reorganisatiekosten en telefoonkosten). De btw op deze zogeheten indirecte kosten is in beginsel aftrekbaar op basis van de verhouding tussen de belaste omzet ten opzichte van de totale omzet, ook wel pro rata genoemd (er zijn onder voorwaarden mogelijkheden om een andere sleutel toe te passen).

Op basis van Europese jurisprudentie dient bij het bepalen van het recht op aftrek van btw rekening te worden gehouden met niet-economische activiteiten. Deze leiden namelijk tot een extra beperking van het recht op aftrek van btw, ook wel pre pro rata. De toepassing van pre pro rata leidt in de praktijk tot veel discussie: niet alleen de vraag of een pre pro rata van toepassing is, maar ook op welke wijze deze dient te worden vastgesteld houdt de gemoederen bezig.

Btw-aftrek op aankoopkosten van een deelneming 

Is de btw op kosten ter zake van een (beoogde) overname aftrekbaar? Het aankopen, houden en verkopen van aandelen is in beginsel een niet-economische activiteit, zodat btw op kosten ter zake hiervan niet aftrekbaar is. Het dividend kan niet worden gezien als een vergoeding voor een (btw-belaste) prestatie. Dit kan echter anders zijn als het houden van de aandelen gepaard gaat met een directe of indirecte inmenging in het beheer van de deelneming tegen een (management)vergoeding of als de handelingen inzake het houden van de aandelen het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit vormen. In het laatste geval gaat het om inmenging zonder een (management)vergoeding, maar wordt wel een vergoeding gevraagd voor gerelateerde handelingen.

Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) geoordeeld dat de verhuur van panden door een houdstervennootschap aan haar dochteronderneming een 'inmenging in het beheer' van deze onderneming kan vormen en dat het houden van de aandelen in dat geval kan worden gezien als een economische activiteit. Het HvJ legt het begrip 'inmenging in het beheer' daarmee ruim uit. Bij het bepalen van het recht op aftrek van btw op overnamekosten is het dus van belang om te kijken welke activiteiten de (houdster)vennootschap tegen vergoeding (gaat) verricht(en) aan de deelneming.

Transactie komt uiteindelijk niet tot stand

Maar wat nu als kosten gemaakt zijn en de transactie uiteindelijk niet tot stand komt? Over deze vraag is momenteel een procedure aanhangig bij het HvJ in de zaak Ryanair.

Ryanair heeft in 2006 een poging ondernomen om de Ierse luchtvaartmaatschappij Aer Lingus over te nemen. Ryanair heeft hiertoe kosten voor advies en andere dienstverleningen gemaakt. De relevante rechtsvraag in deze zaak komt neer op de vraag of Ryanair recht heeft op aftrek van btw op deze kosten, gelet op het feit dat de nagestreefde economische activiteit (zijnde het verrichten van managementdiensten tegen vergoeding aan de deelneming) niet tot stand is gekomen. De advocaat-generaal van het HvJ geeft aan dat ook bij uitgaven ter voorbereiding van een economische activiteit recht op aftrek van btw bestaat. Om te bepalen of recht op btw-aftrek bestaat, is het derhalve van belang dat de (houdster)vennootschap de objectieve intentie heeft om een economische activiteit te verrichten en dus niet of de economische activiteit uiteindelijk tot stand komt. De advocaat-generaal suggereert daarmee dat de betreffende kosten kwalificeren als algemene kosten en dat Ryanair recht op btw-aftrek heeft conform pro rata voor zijn gehele bedrijfsactiviteiten.  

Een (bijna) spiegelbeeldsituatie doet zich voor in de zaak C&D Foods Acquisition (hierna: C&D Foods), waarin de Deense vennootschap C&D Foods indirect alle aandelen in Arovit Petfood houdt en tegen vergoeding managementdiensten aan deze vennootschap verricht. Voor de verkoop van aandelen in Arovit Petfood besluit C&D Foods een advocatenkantoor in te schakelen. Uiteindelijk ziet C&D Foods van de verkoop af, omdat geen geschikte koper kan worden gevonden. Conform de conclusie in de zaak Ryanair geeft de advocaat-generaal aan dat ook de handelingen ter beëindiging van een economische activiteit een economische activiteit kunnen vormen.  Anders dan in de zaak Ryanair meent de advocaat-generaal echter dat de advocaatkosten in de onderhavige zaak rechtstreeks zijn toe te rekenen aan een btw-vrijgestelde aandelenverkoop (met het gevolg dat de btw op deze kosten niet aftrekbaar is). Het is wachten op de uitspraak van het HvJ om te weten in hoeverre de btw aftrekbaar is.

Wat te doen?

Het bepalen van de omvang van het recht op btw-aftrek bij aankoop- en verkoopkosten van een deelneming is complex. Om te voorkomen dat btw een onnodige kostenpost is en om discussie met de Belastingdienst te voorkomen, is het raadzaam om tijdig de btw-positie van de (houdster)vennootschap in kaart te brengen en te bekijken in hoeverre btw-optimalisaties mogelijk zijn. Het tegen vergoeding verrichten van diensten aan de betreffende deelneming kan ervoor zorgen dat de btw op aankoopkosten aftrekbaar is. Daarnaast is het raadzaam om de lopende procedures in dit kader te blijven volgen. Wij houden u op de hoogte en zijn uiteraard graag bereid u te assisteren.

Marieke Herber en Camille Corten

Naar boven