Naar boven


1. Terugblik Belgium-Holland Desk Seminar 5 oktober 2017

Op donderdagochtend 5 oktober 2017 vond in Salons De Groene Jager in Brasschaat (B) het jaarlijkse seminar van onze KPMG Belgium-Holland Desk plaats. Tijdens een zestal workshops werden de laatste fiscale ontwikkelingen in België en Nederland toegelicht. Gedurende de pauze en na afloop werden deze en andere ontwikkelingen uitvoerig nabesproken. De goede opkomst en de vele positieve reacties maken dat wij opnieuw terugkijken op een geslaagde bijeenkomst. Indien u de presentaties van de diverse workshops wenst te ontvangen, neemt u dan gerust contact met ons op.

Naar boven


2. Regeerakkoord: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse vennootschaps- en dividendbelasting

Dat het vormen van een regering na verkiezingen ook in Nederland enige tijd in beslag kan nemen, is bekend. Ruim een half jaar na de verkiezingen in maart 2017 presenteerden de VVD, het CDA, D66 en de ChristenUnie op 10 oktober 2017 het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst.

In dit memorandum worden de fiscale onderdelen van het regeerakkoord besproken. Hierna lichten wij enkele voorstellen op het vlak van de vennootschaps- en dividendbelasting nader toe. Omdat er nog geen wetteksten en nadere details beschikbaar zijn, moet de uitwerking van de voorstellen vooralsnog worden afgewacht.

Vennootschapsbelasting

Verlaging tarieven

Ten aanzien van de vennootschapsbelasting springt met name de verlaging van de tarieven in het oog. Om het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat concurrerend te houden, stelt het nieuwe kabinet voor het reguliere tarief van 25% stapsgewijs te verlagen naar 21% in 2021 en het tarief voor winst tot € 200.000 van 20% naar 16% in 2021. Op basis van de voorstellen zien de vennootschapsbelastingtarieven er de komende jaren als volgt uit:

tot en met 2018          20,0%          25,0%

2019                          19,0%          24,0%

2020                          17,5%          22,5%

vanaf 2021                 16,0%          21,0%

Hoewel eerder werd besloten de eerste schijf te verlengen van € 200.000 naar € 350.000 in 2021, stelt het kabinet voor deze aanpassing terug te draaien.

Tegenmaatregelen

Om de tariefsverlaging te financieren, stelt het kabinet onder meer voor:

  • a) een generieke renteaftrekbeperking te introduceren;
  • b) de mogelijkheden tot voorwaartse verliesverrekening te beperken.

De onder a) genoemde renteaftrekbeperking moet ervoor gaan zorgen dat rente vanaf 2019 niet langer aftrekbaar is indien het saldo van verschuldigde en ontvangen (groeps- en derden)rente meer bedraagt dan 30% van het brutobedrijfsresultaat (‘EBITDA’). Deze maatregel komt voort uit de Anti-Tax Avoidance Directive (‘ATAD’), op basis waarvan Nederland verplicht is zijn wetgeving voor 1 januari 2019 aan te passen. Wij verwijzen in dit verband naar de septembereditie van deze nieuwsbrief. Hoewel de ATAD landen de mogelijkheid biedt een zogenoemde groepsescape en een drempel van € 3.000.000 te hanteren, stelt het nieuwe Nederlandse kabinet geen groepsescape voor en hanteert het een drempel van slechts € 1.000.000.

In het kader van de aftrek van rente is het goed nieuws dat het kabinet voorstelt enkele van de bestaande renteaftrekbeperkingen af te schaffen. Wij zijn erg benieuwd om welke van de bestaande beperkingen dit gaat en houden de ontwikkelingen op dit vlak uiteraard nauwlettend in de gaten.

Een tweede belangrijke tegenmaatregel is de onder b) genoemde beperking van de mogelijkheden tot voorwaartse verliesverrekening. Momenteel kunnen fiscale verliezen in de vennootschapsbelasting worden verrekend met fiscale winsten van het voorafgaande jaar (één jaar carry-back) en de volgende negen jaar (negen jaar carry-forward). In het regeerakkoord wordt voorgesteld de termijn voor carry-forward in de vennootschapsbelasting te beperken tot zes jaar. Het is niet duidelijk wanneer deze maatregel in werking zal treden.

Dividendbelasting

Prinsjesdag 2017: inhoudingsplicht coöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling in verdragssituaties

Op het vlak van de dividendbelasting presenteerde het demissionaire Nederlandse kabinet op Prinsjesdag, 22 september 2017, een aantal ingrijpende wetsvoorstellen. Meer informatie leest u hier. Kort gezegd betreffen de op Prinsjesdag gepresenteerde voorstellen de introductie van:

  • een inhoudingsplicht voor de uitkering van dividenden door zogenoemde houdstercoöperaties aan hun leden met een belang van 5% of meer;
  • een algemene inhoudingsvrijstelling voor dividenden betaald aan aandeelhouders/leden met een (aandelen)belang van 5% of meer die zijn gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag met dividendbepaling heeft afgesloten.

Wij beschouwen bovenstaande voorstellen per saldo als goed nieuws, omdat op basis hiervan vanaf 1 januari 2018 in meer gevallen – bijvoorbeeld in de relatie met de Verenigde Staten en Canada – een inhoudingsvrijstelling zal gelden voor uitkering van dividenden aan vennootschappen gevestigd in landen waarmee Nederland een kwalificerend belastingverdrag heeft gesloten.

Regeerakkoord – (gedeeltelijke) afschaffing

Of de op Prinsjesdag gepresenteerde voorstellen zullen worden doorgezet, was enige tijd onzeker nu het nieuwe kabinet in zijn regeerakkoord verdergaande maatregelen heeft gepresenteerd. Hierin wordt namelijk voorgesteld de Nederlandse dividendbelasting met werking vanaf 2020 af te schaffen, behoudens voor misbruiksituaties en uitkeringen naar ‘low tax jurisdictions’. Als flankerende maatregel stelt het kabinet voor vanaf 2023 een bronheffing op rente en royalty’s naar low tax jurisdictions te heffen.

Nu de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inhoudingsplicht coöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling in verdragssituaties inmiddels is voortgezet, mogen we aannemen dat dit voorstel ondanks de (gedeeltelijke) afschaffing van de dividendbelasting niet zal worden ingetrokken.

De (gedeeltelijke) afschaffing van de dividendbelasting is goed nieuws voor velen van u!

Indien u inwoner bent van België en een belang hebt in een Nederlandse vennootschap, wordt op een door deze vennootschap aan u uitgekeerd dividend van 100 momenteel 15 Nederlandse dividendbelasting ingehouden (15% van 100) en vervolgens 25,5 Belgische belasting (30% van (100 -/- 15)), zodat u ‘netto’ 59,5 ontvangt.

Indien Nederland de dividendbelasting (gedeeltelijk) afschaft, is over door een Nederlandse vennootschap aan u uitgekeerd dividend van 100 slechts 30 Belgische personenbelasting (30% van 100) verschuldigd en ontvangt u per saldo dus 70.

Is het in uw geval mogelijk en passend dividenden uit te stellen tot 2020? In voorkomende gevallen adviseren wij u dit zeker te beoordelen.

Omdat nog geen wetsvoorstellen en details bekend zijn ten aanzien van de situaties waarvoor de dividendbelasting blijft behouden en de flankerende maatregelen, dienen deze te worden afgewacht. Wij kijken hier met belangstelling naar uit en houden u uiteraard op de hoogte.

Mark Foesenek en Mark Bos

Naar boven


3. Regeerakkoord: ontwikkelingen op het vlak van de Nederlandse loon- en inkomstenbelasting

Hierna lichten wij enkele voorstellen uit het regeerakkoord op het gebied van de Nederlandse loon- en inkomstenbelasting toe. Ook hier is van belang dat er nog geen wetteksten en nadere details beschikbaar zijn, waardoor de uitwerking van de voorstellen vooralsnog moet worden afgewacht. Voorts verwijzen wij naar ons memorandum in dit kader.

Box 1: tweeschijvenstelsel

Het kabinet stelt voor de inkomsten uit werk en woning (box 1) vanaf 2019 te belasten volgens een tweeschijvenstelsel (in plaats van de huidige vier), waarbij inkomsten uit werk en woning tot en met circa € 68.600 worden belast tegen een basistarief van 36,93% en het meerdere tegen een toptarief van 49,5%.

Net zoals in de huidige situatie betalen AOW-gerechtigden geen AOW-premie. Voor deze groep blijven drie schijven bestaan, omdat over een gedeelte van het inkomen in de eerste schijf geen AOW-premies zijn verschuldigd.

Box 1: maatregelen eigen woning

Het maximale percentage waartegen hypotheekrenteaftrek kan worden geëffectueerd (in 2017: 50%) wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd. Nu gaat de afbouw van de aftrek in de hoogste schijf in box 1 nog met stapjes van 0,5% per jaar. Vanaf 2020 wordt de aftrek in vier jaarlijkse stappen van 3%-punt verlaagd naar 36,93%, het nieuwe basistarief in box 1. Huizenbezitters zullen hiervoor via een verlaging van het eigenwoningforfait worden gecompenseerd. Dit gaat van 0,75% naar 0,6% van de zogenoemde WOZ-waarde, maar blijft wel belast tegen het marginale tarief (maximaal 50%).

De aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld (de zogenoemde Hillenaftrek) wordt in dertig jaar met gelijke stappen afgebouwd. Hoewel in het regeerakkoord een periode van twintig jaar wordt vermeld, hebben de vier fractievoorzitters afgesproken deze termijn te verlengen naar dertig jaar. Het hoge eigenwoningforfait van 2,35% dat wordt berekend over de WOZ-waarde voor zover die meer dan € 1.060.000 (2017) bedraagt, lijkt vooralsnog in stand te blijven.

Stelt u zich de volgende situatie voor. U bent inwoner van België en uw arbeidsinkomen is voor meer dan 90% belast in Nederland. U hebt een in België gelegen eigen woning en geen andere inkomsten naast uw arbeidsinkomen (zoals inkomen uit sparen en beleggen, box 3). Hierdoor komt u in aanmerking voor behandeling als zogenoemde kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en kunt u bepaalde aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, effectueren in uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting. Voor het jaar 2017 bedraagt uw eigenwoningforfait € 2.000 en de betaalde hypotheekrente € 10.000. Derhalve hebt u recht op een vermindering van uw belastbaar inkomen van € 8.000. Aftrek tegen het huidige maximale tarief van 50% betekent een belastingvoordeel van € 4.000. Op basis van de plannen in het regeerakkoord zou u de aftrek van € 8.000 uiteindelijk kunnen effectueren tegen 36,93%, wat neerkomt op een belastingvoordeel van nog slechts € 2.955.

De afbouw van de Hillenaftrek is van belang indien u als inwoner van Nederland een eigen woning hebt en uw aftrekbare kosten, zoals hypotheekrente, lager zijn dan het eigenwoningforfait. Door de afbouw van deze regeling bent u wellicht inkomstenbelasting verschuldigd vanwege het bezit van een eigen woning. Stel dat gedurende het jaar 2017 uw eigenwoningforfait € 2.000 bedraagt en de betaalde hypotheekrente € 1.000. Hierbij hebt u recht op een extra aftrek van het verschil (€ 1.000), waardoor uw belastbaar inkomen uit eigen woning nihil bedraagt. Door de maatregelen in het regeerakkoord verdwijnt deze extra aftrek uiteindelijk, waardoor u over het verschil tussen het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten uiteindelijk € 495 inkomstenbelasting (49,5% van € 1.000) verschuldigd bent.

Box 2: tariefsverhoging

Vanwege de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting wordt het box 2-tarief in de inkomstenbelasting verhoogd naar 27,3% in 2020 en 28,5% vanaf 2021.

Box 3: verhoging heffingsvrije vermogen

De heffing over inkomen uit sparen en beleggen (box 3) gaat omlaag. Het heffingsvrije vermogen wordt verhoogd van € 25.000 tot € 30.000 (€ 60.000 voor fiscaal partners). Ook wil het nieuwe kabinet binnen de huidige systematiek (gemiddeld) sneller aansluiten bij het werkelijke rendement door voor het rendement over het spaargedeelte gebruik te maken van actuele cijfers.

Beperking looptijd 30%-regeling

De looptijd van de 30%-regeling wordt met ingang van 2019 verkort van acht naar vijf jaar. Het is op dit moment onduidelijk of er een overgangsregeling komt voor bestaande situaties.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


4. Regeerakkoord: verhoging van het verlaagde btw-tarief in Nederland

Op dinsdag 10 oktober 2017 heeft het kabinet-Rutte III het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst gepresenteerd. Hierin staat beschreven welke maatregelen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen doorvoeren. Een van die maatrelen is de verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9%. Deze maatregel zal met ingang van 2019 in werking treden en dient ertoe om budgettaire ruimte te creëren voor een verlaging van de belastingen op het inkomen.

De verhoging van het verlaagde btw-tarief roept in Nederland veel weerstand op. Het verlaagde btw-tarief is onder andere van toepassing op voedingsmiddelen (niet-alcoholhoudend), geneesmiddelen en een bezoek aan de kapper of de fietsenmaker. Dit heeft grote consequenties voor zowel de consument als de ondernemer. Consumenten zullen veelal een hogere prijs moeten betalen voor bijvoorbeeld hun dagelijkse boodschappen, maar niet alle ondernemers zullen de btw-verhoging kunnen doorberekenen in hun prijzen. Daarbij kan een verhoging van het verlaagde btw-tarief een negatieve invloed hebben op de werkgelegenheid (bijvoorbeeld in de horeca). De roep vanuit de maatschappij om de verhoging niet door te zetten, klinkt daarom steeds luider.

Aan het algemene btw-tarief wordt vooralsnog niet gesleuteld, dit blijft 21%. Op 1 oktober 2012 is dit tarief al eens verhoogd van 19% naar 21%. Om de verhoging soepel te laten verlopen, is destijds een overgangsregeling getroffen. Indien dezelfde overgangsregeling ook bij de verhoging van het lage btw-tarief wordt ingevoerd, dan zou deze er als volgt uit komen te zien:

  • Een levering of dienst die wordt verricht voor 1 januari 2019 blijft belast tegen 6%. Hieraan doet niet af dat de btw mogelijk pas op of na 1 januari 2019 wordt verschuldigd.
  • Een levering of dienst die op of na 1 januari 2019 wordt verricht, wordt belast tegen 9%. Dat geldt ook als vooruitbetalingen worden gedaan waarbij nog wordt uitgegaan van 6%. Per 1 januari 2019 zal dan 3% (extra) btw zijn verschuldigd. Bij dezelfde overgangsregeling als in 2012 is het toegestaan om bij vooruitbetalingen voor 1 januari 2019 inzake prestaties na 1 januari 2019 al 9% btw te berekenen.
  • Wanneer de btw voor 1 januari verschuldigd is geworden naar het tarief van 6% maar de prestatie onder het nieuwe tarief van 9% valt, is de ondernemer gerechtigd het meer verschuldigde bedrag aan btw aan de afnemer door te berekenen. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij vooruitbetalingen of bij reeds afgesloten contracten waarin prijsstellingen met 6% btw zijn gehanteerd. Wij zien echter in de praktijk dat de theorie vaak wordt ingehaald door de commerciële werkelijkheid. Het is daarom raadzaam om hier rekening mee te houden, zeker bij het maken van (nieuwe) prijsafspraken.

Op dit moment is nog niet bekend of de overgangsregeling voor de verhoging van het verlaagde btw-tarief dezelfde zal zijn als voor de verhoging van het algemene btw-tarief die in 2012 is doorgevoerd. Het is dus nog afwachten hoe deze er daadwerkelijk uit komt te zien.

Joost Willemsen en Christian Balk

Naar boven


5. Ontsnappingsroutes Belgische kaaimantaks aangepakt

In het kader van het Zomerakkoord van de Belgische regering werd beslist om de kaaimantaks aan te scherpen, om zo alle achterpoortjes definitief te sluiten. Inmiddels is een voorontwerp van Wet goedgekeurd dat voortvloeit uit dit voornemen. De maatregelen opgenomen in dit voorontwerp zullen (gedeeltelijk) reeds met terugwerkende kracht in werking treden vanaf 17 september 2017.

Pro memorie kaaimantaks

De kaaimantaks is een Belgische belasting die vermogens treft die zijn ondergebracht in laagbelaste vermogensstructuren, zoals trustachtige figuren alsook vennootschappen in belastingparadijzen. De kaaimantaks is verschuldigd over de inkomsten van dergelijke vermogensstructuren (zogenoemde juridische constructies) en wordt geheven van de oprichter/Belgisch rijksinwoner van de juridische constructie alsof deze inkomsten rechtstreeks door hem worden ontvangen (‘doorkijkbelasting’). Een uitzondering geldt indien kan worden aangetoond dat de inkomsten worden uitgekeerd aan een derde-begunstigde /Belgisch rijksinwoner, die in dat geval op zijn beurt aan de kaaimantaks wordt onderworpen.

Na overlijden van de oprichter zijn de erfgenamen aan de kaaimantaks onderworpen, tenzij deze kunnen aantonen dat zij op geen enkel moment en op geen enkele manier enig voordeel kunnen behalen met de juridische constructie.

De initiële wetgeving kende echter diverse hiaten, waardoor de effectieve heffing vaak uitbleef. De nieuwe wetgeving wenst hieraan tegemoet te komen. Hieronder vindt u een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

Uitkeringen belast als dividend

De ‘nieuwe’ kaaimantaks zal slechts nog de oprichter van de juridische constructie transparant gaan belasten.

Dit betekent echter niet dat uitkeringen door juridische constructies aan andere personen zullen worden vrijgesteld van belasting. Onder de nieuwe regelgeving zal iedere uitkering uit een juridische constructie (dus ook uit trustachtige structuren) aan een Belgische begunstigde (die niet kwalificeert als oprichter) beschouwd worden als dividend, waardoor Belgische roerende voorheffing verschuldigd zal zijn.

Onrechtstreekse of dubbelstructuren

Onder de initiële wetgeving werden alleen rechtstreeks aangehouden juridische constructies beoogd. Belgische rijksinwoners die via een tussenvennootschap belangen aanhielden in een dergelijke vermogensstructuur bleven, hoewel hierover twijfel bestond, buiten schot.

De Belgische regering wil nu paal en perk stellen aan het gebruik van onrechtstreekse structuren door het toepassingsgebied van de heffing te verruimen. Zowel in geval van een rechtstreeks als een onrechtstreeks aangehouden constructie zal de oprichter onder de nieuwe regelgeving transparant worden belast.

Daadwerkelijke economische activiteit

Onder de initiële wetgeving werd gesteld dat een juridische constructie slechts buiten het toepassingsgebied van de kaaimantaks kan vallen indien kan worden bewezen dat een ‘daadwerkelijke economische activiteit’ wordt uitgeoefend. De nieuwe wettekst bepaalt dat van een ‘daadwerkelijke economische activiteit’ slechts sprake is voor zover deze geen verband houdt met het beheer van het privévermogen van de oprichter.

Uitbreiding antimisbruikbepaling

Daarnaast wordt de bestaande antimisbruikbepaling uitgebreid om heffing te garanderen. Voortaan is deze bepaling niet alleen van toepassing op handelingen van de belastingplichtige, maar tevens op rechtshandelingen van de juridische constructie.

Bovendien wordt er een specifieke antimisbruikbepaling ingevoerd die van toepassing is indien de juridische constructie wordt verplaatst naar een land waarmee België geen overeenkomst tot informatie-uitwisseling heeft. Een dergelijke zetelverplaatsing wordt gelijkgesteld met een belastbare liquidatie.

Inwerkingtreding

De nieuwe regeling is van toepassing op inkomsten verkregen vanaf 1 januari 2018. Aangezien de nieuwe regelgeving vervroegd bekend is gemaakt, zullen diverse bepalingen echter reeds retroactief in werking treden op 17 september 2017.

Thomas Zwaenepoel en Sjeel Debeuf

Naar boven


6. Belgisch UBO-register krijgt wettelijk kader

Wij berichtten u eerder over de invoering van het UBO-register in Nederland. Op 18 september 2017 keurde het Belgische parlement de Wet tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten goed. Deze wet, die in werking is getreden op 16 oktober 2017, implementeert de zogenoemde Vierde Europese anti-witwasrichtlijn in het Belgische recht.

Belangrijk om weten is dat deze wet onder andere het Belgische UBO-register in het leven roept, een register dat de uiteindelijke begunstigden (‘ultimate beneficial owners’) van Belgische vennootschappen, trusts en andere juridische entiteiten zal moeten identificeren. Dit UBO-register heeft tot doel toereikende, accurate en actuele informatie ter beschikking te stellen over de uiteindelijke begunstigden van deze entiteiten. In een toekomstig Koninklijk Besluit zal worden bepaald hoe de informatie wordt verzameld, wat de inhoud moet zijn van de verzamelde informatie, wat de details omtrent het beheer, de toegang en het gebruik van de gegevens zijn en tot slot welke modaliteiten voor de verificatie van de gegevens en de werking van het UBO-register zullen gelden.

De bestuurders van dergelijke entiteiten moeten zelf de identiteit van de natuurlijke personen die kwalificeren als uiteindelijke begunstigden achterhalen en doorgeven. Om te kunnen achterhalen welke natuurlijke personen de uiteindelijke eigenaars zijn van deze entiteiten of de zeggenschap hebben over de entiteit, moeten de bestuurders naar de definitie van ‘uiteindelijke begunstigde’ in de richtlijn kijken. De richtlijn beschouwt een natuurlijk persoon als uiteindelijke begunstigde in drie gevallen:

  • Eerst moet men nagaan of er een natuurlijk persoon aanwezig is die minstens 25% in de rechtspersoon aanhoudt of minstens 25% van de stemrechten kan uitoefenen (dit percentage kan door lidstaten verlaagd worden tot 10%).
  • Indien geen enkele aandeelhouder/deelgerechtigde deze drempel behaalt, moet men kijken of er feitelijke leidinggevenden binnen de entiteit aanwezig zijn die bijvoorbeeld via aandeelhoudersovereenkomsten controle over de entiteit kunnen uitoefenen.
  • Als ook deze optie niet kan worden ingevuld, moeten de bestuurders-natuurlijke personen zelf in het register worden opgegeven.

Op deze manier kunnen er voor elke entiteit een of meerdere uiteindelijke begunstigden in het UBO-register worden geregistreerd.

Een heikel punt in het kader van deze recente Belgische wetgeving is de vraag wie toegang zal hebben tot het UBO-register. Hoe discreet zal de daarin opgenomen informatie blijven? Als eerste hebben ‘meldingsplichtige entiteiten’ (zoals financiële instellingen) toegang tot het register in het kader van hun cliëntenonderzoek. Evenals in Nederland het geval lijkt te worden, kunnen daarnaast ook personen met een legitiem belang het register raadplegen. Hoe het begrip ‘legitiem belang’ geïnterpreteerd moet worden, wordt echter niet verduidelijkt in de wet, noch in de richtlijn.

De memorie van toelichting verduidelijkt wel dat, in het kader van de toegang en het gebruik van het UBO-register door de belastingadministratie zelf, de Belastingdienst het register alleen kan raadplegen voor de doeleinden van de wet, namelijk het voorkomen van witwassen van geld en de strijd tegen de financiering van terrorisme. Deze formulering lijkt uit te sluiten dat de Belastingdienst het register mag raadplegen in het kader van een (gewone) fiscale controle, maar in een huidig voorontwerp van wet wordt dan weer voorzien dat de Belgische belastingdienst het UBO-register zal kunnen raadplegen “(...) om een correcte heffing van de belasting te verzekeren”.

Bij gebrek aan het Koninklijk Besluit waarnaar de huidige wet verwijst en dat ook de concrete modaliteiten omtrent de toegang en het gebruik van het UBO-register moet bepalen, blijft het vooralsnog onduidelijk in welke richting dit zal evolueren en in welke mate de belastingadministratie al dan niet automatisch toegang zal krijgen tot het Belgische UBO-register.

Kizzy Wandelaer en Ilke Vandenbroeck

Naar boven


7. Voorafbetalingen van belasting ook in België (opnieuw) relevant

In Nederland is men eraan gewend dat over verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting belastingrente wordt berekend indien een te lage voorlopige aanslag is opgelegd en daarom na afloop van een verslagjaar alsnog belasting is verschuldigd. In België is dit ook (opnieuw) relevant.

Hierna bespreken wij eerst de aangepaste Belgische wetgeving en plaatsen wij daarna enkele opmerkingen ten aanzien van de Nederlandse regelgeving op dit vlak. Hoewel ook over Belgische personenbelasting en Nederlandse inkomstenbelasting belastingvermeerderingen respectievelijk belastingrente worden berekend, beperken wij ons hierna tot de vennootschapsbelasting.

België

Belastingvermeerdering

In principe wordt een Belgische belastingplichtige vennootschap of een Belgisch bijkantoor pas schuldenaar van de vennootschapsbelasting op het moment dat een aanslag wordt opgelegd door de Belastingdienst. Aangezien dit soms lang kan duren en de Belgische schatkist graag haar inkomsten zo snel mogelijk ontvangt, bestaat er in België reeds geruime tijd een regime dat voorziet in een automatische belastingvermeerdering indien er onvoldoende voorafbetalingen gedurende het boekjaar zijn gedaan. Op deze manier worden belastingplichtigen aangespoord om de te verwachten belastingschuld in te schatten en (een gedeelte daarvan) op voorhand te betalen.

Aangezien het vermeerderingspercentage de laatste jaren sterk gedaald is, was het belang van deze voorafbetalingen in veel gevallen (zeer) beperkt, waardoor er geen echte incentive meer was om de voorafbetalingen nog te doen. Gelet op de recente stijgingen van het vermeerderingspercentage zal het belang van deze voorafbetalingen toenemen en is de verwachting dat het regime van de voorafbetalingen in België een echte ‘comeback’ zal maken.

Principe en huidige regeling

Belgische belastingplichtige vennootschappen of bijkantoren kunnen gedurende het boekjaar hun voorafbetalingen doen op kwartaalbasis. Hoe eerder er wordt betaald, hoe lager de verschuldigde belastingvermeerdering zal zijn.

Wat betreft het boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018) werd reeds beslist om het vermeerderingspercentage op te trekken naar 2,25%. Dit is een verdubbeling van het percentage voor het boekjaar 2016 (aanslagjaar 2017), waarvoor een percentage geldt van 1,125%. Wanneer een vennootschap geen voorafbetalingen heeft gedaan en € 100.000 vennootschapsbelasting is verschuldigd over het boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018), dan zal deze vennootschap een bijkomende belastingvermeerdering verschuldigd zijn van € 2.250.

Het bovenstaande geeft het belang weer van het tijdig doen van voorafbetalingen. Met de recent aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting wordt dit belang alleen nog maar groter. De Belgische regering kondigde in haar Zomerakkoord namelijk aan dat de belastingvermeerdering vanaf boekjaar 2018 (aanslagjaar 2019) minstens 6,75% op jaarbasis zal bedragen.

Wat te doen?

Indien uw Belgische vennootschap of uw bijkantoor in België in een belastbare positie verkeert, adviseren wij u tijdig voorafbetalingen te doen. Daarmee kan een belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen namelijk eenvoudig worden voorkomen.

Voor het boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018) kunnen, indien het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, voorafbetalingen worden gedaan tot 20 december 2017.

Nederland

Belastingrente

In Nederland is het eveneens van belang tijdig voldoende voorafbetalingen te doen. De Nederlandse belastingdienst vergoedt over teruggaven van belasting doorgaans geen rente, maar brengt op aanslagen die worden opgelegd zes maanden of meer na afloop van het boekjaar wel een hoge rente in rekening. Dat deze rente – in tegenstelling tot de Belgische vermeerderingen – aftrekbaar is, is slechts een doekje voor het bloeden.

Indien het boekjaar 2017 gelijk is aan het kalenderjaar, is over verschuldigde vennootschapsbelasting 2017 belastingrente verschuldigd vanaf 1 juli 2018. Indien op een aanslag die is opgelegd na 1 juli 2018 vennootschapsbelasting 2017 is verschuldigd, wordt hierover vanaf 1 juli 2018 (minimaal) 8% belastingrente per jaar in rekening gebracht.

De Nederlandse belastingdienst mag – verder voortbordurend op dit voorbeeld – geen belastingrente in rekening brengen indien:

  • de aangifte vennootschapsbelasting 2017 voor 1 april 2018 wordt ingediend en de Belastingdienst een (voorlopige) aanslag vennootschapsbelasting 2017 conform deze aangifte oplegt;
  • voor 1 mei 2018 wordt verzocht om een (herziene) voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2017 en de Belastingdienst een (voorlopige) aanslag vennootschapsbelasting 2017 conform dit verzoek oplegt.

Conclusie

Het is voor Belgische en Nederlandse belastingplichtigen van belang dat gedurende het belastingjaar een inschatting wordt gemaakt van de belastingschuld over het jaar. Indien u tijdig een inschatting maakt en de nodige voorafbetalingen doet, kan een significante belastingvermeerdering (België) respectievelijk een significante belastingrentelast (Nederland) worden voorkomen. Omdat het jaareinde nabij is, adviseren wij u voor het boekjaar 2017 (aanslagjaar 2018) het nodige te doen!

Jeroen Debaere, Pieter-Jan Van Leemputten en Mark Foesenek

Naar boven


8. Uitfaseren Nederlands pensioen in eigen beheer door inwoner België

Vanaf 1 april 2017 is het mogelijk om de commerciële waarde van het Nederlandse pensioen in eigen beheer fiscaal geruisloos af te stempelen naar de fiscale waarde, mits dit gebeurt in combinatie met volledige afkoop van het pensioen dan wel volledige omzetting in een oudedagsverplichting. Bij volledige afkoop wordt een belastingkorting gegeven op de grondslag. Deze grondslag is de laagste van de volgende waarden:

  • de fiscale waarde van het pensioen per ultimo van het boekjaar dat eindigt in 2015;
  • de fiscale waarde op afkoopdatum.

De korting bedraagt in 2017 34,5%, in 2018 25% en in 2019 19%. Wie dus nog van de hogere korting in 2017 wil profiteren, moet snel zijn.

Tijdens de parlementaire behandeling is herhaaldelijk gevraagd hoe een en ander zou uitwerken voor een directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) met een pensioen in eigen beheer die naar België is geëmigreerd. Nadat de Nederlandse staatssecretaris zich lang op de vlakte had gehouden, heeft hij op 28 februari 2017 aangekondigd van plan te zijn in overleg te treden met de Belgische bevoegde autoriteiten om meer duidelijkheid te verkrijgen over de fiscale behandeling door België. Dit overleg is begin juni 2017 geëntameerd, maar tot voor kort was er niets bekend over de uitkomst daarvan. Inmiddels is naar buiten gekomen dat Nederland en België het niet eens kunnen worden over een gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot de verdragstoepassing. Aangenomen mag worden dat de Nederlandse insteek is dat België niet (op welke wijze dan ook) mag bijheffen over de korting en dat België daar anders over denkt.

Het belastingverdrag tussen België en Nederland kent voor pensioenen een tussen woonland en bronland verdeeld heffingsrecht. In principe heeft België (de woonstaat) het heffingsrecht. Bij afkoop mag Nederland (de bronstaat) in de volgende gevallen echter ook heffen:

  • in geval de afkoop plaatsvindt voor de pensioeningangsdatum (ingegaan pensioen);
  • als afkoop plaatsvindt na de pensioeningangsdatum (ingegaan pensioen), België een bijzonder tarief toepast en de afkoopsom meer bedraagt dan € 25.000.

Het is nog steeds niet duidelijk hoe België eventueel gaat (bij)heffen bij afkoop. Het kan zijn dat België het deel van de afkoopsom zal gaan belasten dat in Nederland niet in de heffing wordt betrokken, maar dat het wel het bijzondere tarief toepast (indien dat volgens de Belgische nationale wetgeving geboden is). Het is ook mogelijk dat België slechts een vrijstelling met progressievoorbehoud geeft voor dat deel van de afkoopsom dat in Nederland wordt belast. Dat zou in lijn zijn met een standpunt dat in een eerdere circulaire uit 2004 werd gepubliceerd. Het progressievoorbehoud kan dan veroorzaken dat er voor de dga effectief geen voordeel resulteert van afkoop (afhankelijk van de cijfers en de vraag hoe vrijstelling met progressievoorbehoud wordt ingevuld).

Een ander heikel punt is hoe de omzetting in een oudedagsverplichting door België fiscaal wordt behandeld. Als dat wordt gezien als beschikken over het pensioen, dan bestaat de kans dat naar Belgisch recht de gehele fiscale waarde van het pensioen op het moment van omzetting als inkomen in aanmerking moet worden genomen.

Nederland heeft erop aangedrongen dat de Belgische visie zo spoedig mogelijk wereldkundig wordt gemaakt, bij voorkeur voor 1 oktober 2017. Dat is echter niet gebeurd. Naar verluidt zal het Belgische ministerie van Financiën binnenkort, in ieder geval voor het einde van dit jaar, een circulaire (beleidsbesluit) over dit onderwerp uitbrengen. Bij gerucht werd vernomen dat de circulaire waarschijnlijk in de laatste week van oktober dan wel de eerste week van november wordt gepubliceerd.

Hoewel het naar onze mening in veel gevallen te riskant is om de beslissing tot afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting te nemen voordat de fiscale gevolgen in België bekend zijn, adviseren wij de alternatieven en de (mogelijke) gevolgen daarvan wel reeds te beoordelen. Uiteraard helpen wij u hier graag bij.

Marlies Kastelein en Mark Foesenek

Naar boven