Inhoud

Naar boven


1. Belgisch uitvoeringsbesluit taks op effectenrekeningen

 

Sinds 10 maart 2018 wordt in België een jaarlijkse taks geheven van 0,15% op effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van minstens € 500.000 die worden aangehouden door natuurlijke personen. Ondertussen is het eerste belastbaar tijdperk reeds geëindigd (30 september 2018) en moet worden nagedacht over de aangifte en betaling van deze taks. Via een Koninklijk Besluit van 4 november 2018 worden een aantal modaliteiten inzake de aangifte en betaling van de taks, het bevoegde kantoor en de schalen voor de toepassing van eventuele administratieve sancties nader bepaald. Hieronder zullen wij kort ingaan in de verschillende onderdelen van dit besluit.

Aangifte: de verplicht te vermelden gegevens

Tegen de verwachting in bevat het Koninklijk Besluit (hierna: KB) geen model-aangifteformulier dat door de belastingplichtige kan worden gebruikt. Het KB bepaalt enkel welke gegevens in de aangifte moeten worden vermeld. Als de aangifte door de rekeninghouder zelf moet worden ingediend, zijn dat minstens de volgende gegevens:

  • De referentieperiode waarvoor de aangifte wordt ingediend (bv. 10/03/2018 – 30/09/2018);
  • Het rijksregisternummer van de belastingschuldige;
  • Het totaal aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten waarvoor de taks verschuldigd is (de belastbare basis); en
  • Het verschuldigde bedrag.

Aangiftetermijn (herbevestigd)

Als de aangifte wordt ingediend door een Belgische tussenpersoon (zoals een bank en een vermogensbeheerder) of de aansprakelijk vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde tussenpersoon, moet de aangifte en betaling over de eerste referentieperiode tot en met 30 september 2018 uiterlijk gebeuren tegen 20 december 2018.

Als de aangifte door de rekeninghouder zelf wordt ingediend, moet de aangifte in de effectenrekeningentaks pas worden ingediend uiterlijk op de laatste dag waarop ook de aangifte in de personenbelasting moet zijn ingediend, wat doorgaans midden juli is. Dit betekent dat voor 2018 de aangifte medio 2019 moet worden ingediend.

Wijze van aangifte

In de regel zal de aangifte elektronisch moeten worden ingediend, via het platform MyMinfin. Het KB voorziet evenwel de mogelijkheid om in bepaalde situaties een papieren aangifte in te dienen. Een papieren aangifte is mogelijk als de belastingplichtige:

  • gebruik maakt van een vereenvoudigde aangifte voor de personenbelasting;
  • er voor kiest om een gezamenlijke aangifte in te dienen, voor een rekening in onverdeeldheid of met gesplitste eigendom (blote eigendom en vruchtgebruik); of
  • iemand gemachtigd heeft (zoals diens fiscaal adviseur) om de aangifte voor hem in te dienen.

Aanvraag tot teruggave

Als te veel taks werd ingehouden of te veel werd aangeven en betaald door de rekeninghouder zelf, kunnen de teveel betaalde bedragen worden teruggevraagd. Deze aanvraag moet uiterlijk ingediend worden op de laatste werkdag na het jaar volgend op het jaar waarin de referentieperiode een einde neemt. Concreet betekent dit voor de referentieperiode die afgelopen is op 30 september 2018, de aanvraag tot teruggave ten laatste op 31 december 2019 ingediend moet zijn.

Sancties

Het KB legt de hoogte van de boetes vast voor een niet-aangifte, laattijdige, onnauwkeurige of onvolledige aangifte en laattijdige betaling van de taks. De boete kan variëren van 10% tot 200% van de verschuldigde taks, naargelang er al dan niet sprake is van kwade trouw en het een eerste, tweede of derde overtreding betreft.

Onduidelijkheden

Ondanks het KB, zijn nog niet alle aspecten van de taks op effectenrekeningen uitgeklaard. Bovendien is er (nog) geen model-aangifteformulier gepubliceerd en is het elektronisch aangifteplatform nog niet beschikbaar. Voor meer achtergrond verwijzen wij u naar de van deze nieuwsbrief. Wij houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen. 

Christophe Van Vlierden en Kevin Hellinckx

Naar boven


2. Eindarrest Nederlandse Hoge Raad over per-elementbenadering

 

In eerdere edities belichtten wij de onzekere toekomst van de Nederlandse fiscale eenheid vennootschapsbelasting en de per-elementbenadering. Op 22 februari 2018 verscheen het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) en op 19 oktober 2018 werd het eindarrest van de Hoge Raad in twee belangrijke zaken in dit kader gepubliceerd.

Wij verwijzen naar onze eerdere berichtgeving over de per-elementbenadering. Op basis van deze benadering moeten aan Nederlandse vennootschapsbelastingplichtigen met niet in Nederland gevestigde EU-dochtervennootschappen, ondanks dat zij geen fiscale eenheid kunnen aangaan met deze dochtervennootschappen, onder voorwaarden de voordelen van afzonderlijke elementen van het fiscale-eenheidsregime worden toegekend alsof wél een fiscale eenheid met deze buitenlandse dochtervennootschappen kan worden aangegaan.

In zijn eindarrest oordeelt de Hoge Raad in navolging van het HvJ – ondanks een zeer kritische conclusie van de advocaat-generaal bij het HvJ-arrest – dat de per-elementbenadering van toepassing is.

Spoedreparatiemaatrelen

Op 25 oktober 2017, reeds lang voor bovengenoemd eindarrest van de Hoge Raad verscheen, kondigde de Nederlandse staatssecretaris een spoedreparatiemaatregel aan die uiteindelijk op 4 juni 2018 door middel van een wetsvoorstel bij de Tweede kamer is ingediend, zie onze eerdere berichtgeving. Kort gezegd houdt deze maatregel in dat een aantal specifieke regelingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – onder andere artikel 10a (renteaftrekbeperking), artikel 13 (deelnemingsvrijstelling) en artikel 20a (handel in verlies- en winstvennootschappen) – wordt toegepast alsof van een fiscale eenheid geen sprake is.

De staatssecretaris kondigde eerder aan bovengenoemde spoedreparatiemaatregel toe te passen met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 en had deze datum aanvankelijk ook opgenomen in het wetsvoorstel. Inmiddels heeft hij toegezegd dat deze terugwerkende kracht wordt beperkt tot 1 januari 2018 en voegde hij de daad bij het woord door het wetsvoorstel dienovereenkomstig aan te passen.

Hoewel het wetsvoorstel nog moet worden aangenomen, is een nadere analyse op basis van de per-elementbenadering op grond van bovenstaande toezegging niet vereist om de vennootschapsbelastingpositie 2017 van uw vennootschap vast te stellen en uw aangifte vennootschapsbelasting 2017 in te dienen. Om de vennootschapsbelastingpositie 2018 te kunnen vaststellen en in voorkomende gevallen nadelige fiscale gevolgen te voorkomen, is deze analyse wel vereist. Wij adviseren u deze analyse zo spoedig mogelijk te maken. Indien gewenst zijn wij vanzelfsprekend graag bereid u hierbij te assisteren.

Verder wijzen wij u graag nog op het volgende. Zoals de Hoge Raad in het eindarrest van 19 oktober jongstleden zelf vaststelt, heeft hij in eerdere procedures de zogenoemde per elementbenadering ten onrechte verworpen. De Hoge Raad heeft de belastingplichtigen uit deze procedures dus – achteraf – ten onrechte ongelijk gegeven. De belastingplichtigen hebben onder bepaalde voorwaarden alsnog recht op toepassing van de per-elementbenadering op grond van eerdere jurisprudentie van het HvJ, het zogenoemde Kühne & Heitz-arrest. Uiteraard moeten deze belastingplichtigen zich wel zo spoedig mogelijk melden bij de fiscus. Dit is een van de voorwaarden uit het Kühne & Heitz-arrest.

De vraag rijst of dit ook geldt voor belastingplichtigen die – na het wijzen van die arresten van de Hoge Raad – niet meer zelf (door)geprocedeerd hebben met een beroep op de per-elementbenadering op het punt van de houdsterverlies- en/of thincapregeling (dat zou immers zinloos zijn geweest). Naar onze mening is het niet uitgesloten dat ook belastingplichtigen die (op de elementen waar de Hoge Raad destijds over heeft geoordeeld) niet zelf doorgeprocedeerd hebben rechtsherstel kunnen krijgen. Het is dus interessant om te bezien of er bij u na genoemde arresten uit 2011 respectievelijk 2012 in inmiddels onherroepelijk vaststaande jaren:

  • renteaftrek is geweigerd op basis van art. 10d Wet Vpb; en/of
  • een beschikking voor 20 lid 4-verliezen is afgegeven; en/of
  • 20 lid 4-verliezen in het verleden niet zijn verrekend, én
  • met de per-elementbenadering niet tegen deze beperkingen zou zijn aangelopen (kort samengevat: in EU/EER-situaties met > 95% moeder- of dochtermaatschappijen).

Indien u een (mogelijk) relevante situatie aan de hand hebt, vernemen wij dat dan ook graag.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


3. ECOFIN zet stap in goede richting naar hervorming Europees btw-stelsel

 

De Europese Commissie heeft al lang de ambitie om het btw-stelsel in Europa ingrijpend te hervormen. Omwille van politieke gevoeligheden, is dat wijzigingsproces een werk van lange adem. In afwachting van deze grondige hervorming heeft de ECOFIN recent een aantal maatregelen goedgekeurd. De Commissie juicht deze maatregelen toe als een stap in de goede richting om de btw-regels te moderniseren en het verlies aan btw-inkomsten terug te dringen.

Een belangrijk onderdeel van de bovengenoemde kortetermijnoplossingen is de gelijkschakeling tussen elektronische en papieren publicaties (zoals kranten en weekbladen). Zo zullen in België en Nederland e-books kunnen verkocht worden tegen het verlaagde btw-tarief (en bepaalde elektronische kranten en magazines in België zelfs aan 0%).

In het kader van fraudebestrijding heeft de Raad enkele maatregelen getroffen ter versterking van de administratieve samenwerking tussen de lidstaten. Daarnaast zijn zogenaamde ‘quick fixes’ overeengekomen om specifieke problemen te verhelpen ten aanzien van voorraad op afroep (call-off stock), de opgave van het btw-identificatienummer van een afnemer, bewijs bij grensoverschrijdende transacties en ketting-/ABC transacties (ABC transacties).

Nadat bovengenoemde maatregelen zijn omgezet tot een richtlijn, zal het aan de lidstaten van de Europese Unie zijn om deze maatregelen te implementeren in de nationale wetgevingen. Wij zullen u over de ontwikkelingen in België en Nederland informeren.

Nele Pichal

Naar boven


4. Nieuwe rapporterings- en inhoudingsverplichting Belgische bedrijfsvoorheffing

 

De Belgische regering kondigde in de zomer van 2018 al aan te werken aan de invoering van een rapporteringsverplichting en een verplichting tot het inhouden van bedrijfsvoorheffing voor beloningen voor werkzaamheden verricht ten behoeve van de Belgische onderneming die zijn betaald of toegekend door buitenlandse moeder- of andere gelieerde vennootschappen in groepsverband. Het wetsontwerp werd goedgekeurd in de ministerraad van 25 oktober 2018.

Historie Tot op heden was er, behoudens aandelenopties die binnen 60 dagen werden aanvaard, in België geen verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden of een fiche op te maken voor beloningen die verstrekt werden door buitenlandse groepen als er geen betrokkenheid was van de Belgische onderneming. De genieter van het voordeel – werknemer of bestuurder - diende het voordeel op te nemen in de aangifte in de personen of belasting der niet-inwoners (natuurlijke personen) en de verschuldigde belasting diende bij aanslag voldaan te worden.

Nieuwe regeling

Op basis van het wetsontwerp dat nu voorligt, komt er voor bovenbeschreven verloningen een rapporteringsverplichting en een verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden voor bezoldigingen die worden toegekend. Hoewel het wetsontwerp initieel bedoeld was voor aandelengerelateerde beloningen (zoals bijvoorbeeld Restricted Stock) is het toepassingsgebied ruimer dan dat en ziet dit op alle voordelen verstrekt door buitenlandse moedermaatschappijen of verbonden ondernemingen, ongeacht of de Belgische onderneming als tussenpersoon optreedt. De begunstigde kan een werknemer of een bestuurder zijn, belastbaar in België, rijksinwoner of fiscaal niet-inwoner.

De rapporterings- en inhoudingsverplichting berust op de Belgische werkgever en vloeit voort uit een nieuwe aanname op basis waarvan de Belgische onderneming geacht wordt de beloning zelf verstrekt te hebben. De verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden treedt – aldus het voorstel - in werking vanaf 1 januari 2019 en is van toepassing op in België gevestigde ondernemingen (zowel inwoners als niet-inwoners). De rapporteringsverplichtingen gelden daarentegen al voor de inkomsten die in 2018 zijn toegekend. De fiches voor inkomstenjaar 2018 moeten in principe uiterlijk op 1 maart 2019 ingediend zijn.

Gevolgen niet-naleving nieuwe regeling Niet-naleving van de rapporteringsverplichting zal per overtreding leiden tot een boete van 10% van de niet-gerapporteerde vergoeding. Deze sanctie zal niet van toepassing zijn indien aangetoond kan worden dat de inkomsten in België of in het buitenland in hoofde van de begunstigde zijn belast.

Indien gewenst, zijn wij graag bereid u nader over deze wetgeving te informeren.

Carolien van Echelpoel

Naar boven


5. Europese Hof van Justitie: oogmerk aandelenverkoop kan btw-aftrekrecht beperken

 

Is de btw op kosten ter zake van een beoogde maar niet tot stand gekomen aandelenverkoop aftrekbaar? In de oktober 2018-editie van deze nieuwsbrief is deze vraag reeds aan bod gekomen. In samenhang daarmee is de zaak C&D Foods besproken, die op dat moment nog aanhangig was bij het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ). Inmiddels heeft het HvJ uitspraak gedaan in deze zaak.

Feiten

De Deense vennootschap C&D Foods is onderdeel van een internationaal concern genaamd Arovit. C&D Foods houdt indirect alle aandelen in Arovit Petfood en verleent aan deze deelneming tegen vergoeding beheers- en IT-gerelateerde diensten. Op enig moment kan de eigenaar van het Arovit-concern niet meer voldoen aan zijn betalingsverplichtingen jegens een bank. Als gevolg daarvan verkrijgt die bank de aandelen in het Arovit-concern tegen betaling van € 1. De bank is voornemens de aandelen in Arovit Petfood te verkopen.

Voor de verkoop van aandelen in Arovit Petfood wordt een advocatenkantoor ingeschakeld. Dit kantoor heeft een ontwerpovereenkomst opgesteld met een niet bij naam genoemde koper. Uiteindelijk besluit C&D Foods af te zien van verkoop van de aandelen in Arovit Petfood, aangezien er geen geschikte koper kon worden gevonden. De btw op de gemaakte kosten voor de voorgenomen verkoop heeft C&D Foods volledig in aftrek gebracht. De Deense fiscus gaat hier echter niet mee akkoord en weigert btw-teruggaaf te verlenen.

Uitspraak HvJ

Het HvJ heeft in bovengenoemde zaak geoordeeld dat de btw op de begeleidingskosten niet aftrekbaar is. C&D Foods was van plan om met de opbrengst van de aandelenverkoop de schuld die hij had openstaan bij de bank af te lossen. Volgens het HvJ houdt een dergelijke verkoop van aandelen geen rechtstreeks verband met de btw-belaste diensten van C&D Foods. Bovendien ziet het HvJ de aandelenverkoop niet als een verlengstuk daarvan. De voorgenomen maar niet tot stand gekomen aandelenverkoop valt daarom buiten de werkingssfeer van de btw, waardoor de btw op de begeleidingskosten niet aftrekbaar is. 

Nadere analyse

In deze zaak ontbreekt een directe link tussen de aandelenverkoop en de met btw belaste prestaties van C&D Foods. Ten tijde van de aankoop van de aandelen in het Arovit-concern was de bank al voornemens om de aandelen in Arovit Petfood te verkopen, om zo niet meer als schuldeiser op te treden. De bank was bovendien degene die het initiatief heeft genomen om een advocatenkantoor in te schakelen voor de voorgenomen aandelenverkoop. Dit heeft zij gedaan voor rekening van C&D Foods. Het enige motief in deze zaak betreft de aflossing van de schuld jegens de bank via de opbrengst van de aandelenverkoop.

Naar onze mening moet de uitspraak van het HvJ in de specifieke context van de feiten worden gezien. Het HvJ laat ruimte open voor een gehele of gedeeltelijke btw-aftrek op begeleidingskosten indien de aandelenverkoop een ander motief zou hebben. Wanneer de aandelenverkoop in het licht van herstructurering of rationalisatie van het concern zou plaatsvinden, dan zou de btw op begeleidingskosten mogelijk wel aftrekbaar zijn. Het motief dient aldus betrekking te hebben op versterking van de btw-belastbare activiteiten binnen het concern door middel van de opbrengst van de aandelenverkoop. In eerdere jurisprudentie van het HvJ is dit bevestigd.

Impact op de praktijk

In de praktijk worden de begeleidingskosten bij een voorgenomen verkoop van aandelen doorgaans aangemerkt als algemene kosten. Dit is het geval wanneer de aandelen in de deelneming actief worden gehouden door btw-belaste prestaties te verrichten jegens de deelneming. Ook is dit het geval indien de deelneming onderdeel is van een btw-fiscale eenheid. Voor de algemene kosten gelden de regels voor btw-aftrekrecht. Het is van belang om het motief van een holding voor de verkoop van aandelen duidelijk te onderbouwen. Indien het motief van de aandelenverkoop bestaat uit het versterken van het concern, dan zijn naar onze mening het normale aftrekrecht en de beperkingen die daarmee gepaard gaan van toepassing.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen op dit vlak. Indien u voornemens bent om een deelneming te verkopen, dan raden wij u op basis van bovenstaande aan vroegtijdig contact op te nemen met uw belastingadviseur.

Camille Corten en Leo van Loo

Naar boven


6. Is de Belgische holdingvennootschap en de liquidatiereserve dan toch een geslaagde match?

 

De liquidatiereserve is één van de meest gebruikte fiscale optimalisatietechnieken voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) om de belastingdruk bij dividenduitkeringen aan aandeelhouders-natuurlijke personen te verminderen. Holdingvennootschappen stoten evenwel vaak op de limieten van de KMO-definitie uit het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen en de Dienst Voorafgaande Beslissingen zetten de deur nu open voor (voormalige) holdingvennootschappen om onmiddellijk als KMO-vennootschap te kwalificeren na de verkoop van hun dochtervennootschappen. Bijgevolg kunnen ook zij onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor het aanleggen van een liquidatiereserve.

Liquidatiereserve

Voor de aanleg van een liquidatiereserve dient men het geheel of een gedeelte van de boekhoudkundige winst na belasting over te boeken naar één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief tegen een afzonderlijke heffing van 10%. Deze reserve kan in een latere fase tegen een verlaagd tarief in de roerende voorheffing worden uitgekeerd. Bij een dividenduitkering (ten vroegste) vijf jaar na aanleg van de liquidatiereserve, dient er slechts 5% roerende voorheffing ingehouden te worden in plaats van het gemeen tarief van 30%. Wanneer de reserve wordt uitgekeerd op het moment van liquidatie van de vennootschap, hoeft er zelfs geen roerende voorheffing betaald te worden op deze reserve.

De fiscale KMO-definitie

Enkel KMO’s hebben recht op toepassing van de liquidatiereserve. Om te kwalificeren als een KMO is vereist dat de vennootschap op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende groottecriteria overschrijdt:

  • gemiddelde personeelsbestand van maximaal 50 personen;
  • jaaromzet (exclusief BTW) van maximaal € 9 miljoen;
  • balanstotaal van maximaal € 4,5 miljoen.

Indien een vennootschap verbonden is met één of meer andere vennootschappen, dienen deze criteria op geconsolideerde basis te worden bekeken of kan men opteren voor een vereenvoudigde berekening waarbij louter de totalen van de omzet en de balanstotalen van al de verbonden vennootschappen worden opgeteld. In dat geval worden de bovenvermelde grensbedragen van balanstotaal en netto-omzet verhoogd met 20%.

Wanneer meer dan één van de bovenvermelde criteria wordt overschreden of niet meer wordt overschreden, heeft dit in principe slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet (2-jaarseis). Zo zal een niet verbonden vennootschap die in de voorbije boekjaren steeds meer dan één van de bovenvermelde criteria heeft overschreden en die in het huidig boekjaar 2018 deze criteria niet meer overschrijdt (bijvoorbeeld door de overdracht van een bedrijfstak) en in 2019 ook niet, in principe pas als een ‘kleine’ vennootschap worden beschouwd in het boekjaar 2020.

Commissie voor Boekhoudkundige Normen: versoepeling van de 2-jaarseis

In 2017 heeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) een advies uitgebracht met betrekking tot de toepassing van de groottecriteria wanneer de verbondenheid met een andere vennootschap tijdens het boekjaar ontstaat of wegvalt.

De Commissie benadrukt dat voor de beoordeling van de groottecriteria de verbondenheid principieel moet worden beoordeeld op de balansdatum van het betreffende boekjaar. Indien er tijdens het betreffende boekjaar wijzigingen(en) hebben plaatsgevonden in verband met de verbondenheid tussen de vennootschappen, heeft dit gevolgen voor de wijze waarop deze criteria moeten worden toegepast. Immers stelt de Commissie dat indien een vennootschap op balansdatum niet meer verbonden is (door bijvoorbeeld de vervreemding van al haar onderliggende participaties), de toetsing van de groottecriteria, ook voor de voorgaande jaren, dient plaats te vinden op enkelvoudige basis.

Op grond van deze zienswijze kan een holdingvennootschap in het jaar waarin zij haar deelnemingen vervreemdt, onmiddellijk als een kleine vennootschap kwalificeren mits zij op enkelvoudige basis als KMO gekenmerkt wordt.

Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat er op balansdatum geen verbondenheid mag behouden blijven met een andere vennootschap. Immers, indien een holdingvennootschap een deelneming in een (grote) dochtervennootschap zou verkopen maar een andere controlerende deelneming in een (kleine) dochtervennootschap behoudt, zal de beoordeling in hoofde van de holdingvennootschap nog steeds geconsolideerd moeten gebeuren en kan deze vennootschap niet onmiddellijk klein worden (maar overeenkomstig de algemene regel ten vroegste in het tweede boekjaar na de verkoop indien zij geconsolideerd de criteria niet meer overschrijdt). Deze vennootschap zal dus geen liquidatiereserve kunnen aanleggen voor de winst (meerwaarde) gerealiseerd bij de verkoop van haar deelneming in de grote dochteronderneming.

Eerder dit jaar heeft de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) bovenstaand CBN-advies toegepast en dus bevestigd.

Planningstechniek voor holdingvennootschappen?

Holdingvennootschappen die fiscaal groot zijn, louter door verbondenheid, hebben geen toegang tot het aanleggen van een liquidatiereserve. Tot de beslissing van de DVB, was er geen duidelijkheid over de toepassing van de KMO-criteria ingeval van wijziging van verbondenheid. Veiligheidshalve ging men ervan uit dat het wijzigen van de verbondenheid – waardoor de groottecriteria niet meer werden overschreden – tot gevolg had dat de voormalige holdingvennootschap pas in het tweede boekjaar na de verkoop van haar deelnemingen als een kleine vennootschap zou kwalificeren.

Inmiddels nemen de CBN en de DVB een ander standpunt in. Holdingvennootschappen die op geconsolideerde basis groot zijn door een deelneming in een omvangrijke exploitatievennootschap, kunnen onmiddellijk klein worden door de vervreemding van deze deelneming. Dit zet de deur open voor (voormalige) holdingvennootschappen om onder voorwaarden een liquidatiereserve aan te leggen en de gerealiseerde meerwaarde op aandelen op een fiscaal gunstige manier aan haar aandeelhouder-natuurlijke persoon uit te keren.

Maarten Cox en Patricia Stas

Naar boven


7. Nederland opent internetconsultatie voor ATAD2

 

Wij berichtten u eerder over de Anti Tax Avoidance Directives (ATAD1 en ATAD2) met Europese maatregelen om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan. In de juni 2018-editie van deze nieuwsbrief bespraken wij de implementatie van een aantal maatregelen op basis van ATAD1 in de Nederlandse fiscale wetgeving per 1 januari 2019. Op 29 oktober 2018 werd door het Nederlandse kabinet een internetconsultatie voor de maatregelen op basis van ATAD2 gestart.

ATAD2 is gericht op het bestrijden van belastingontwijking via hybride mismatches in gelieerde verhoudingen. De meeste maatregelen dienen op 1 januari 2020 in werking te treden. Wij verwijzen naar ons eerdere cliëntmemorandum en gaan hierna slechts in op de hoofdlijnen.

Hybride mismatches

Hybride mismatches zijn situaties waarin gebruik wordt gemaakt van verschillen tussen belastingstelsels met betrekking tot de kwalificatie van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen.

In het consultatiedocument wordt onderscheid gemaakt tussen hybride mismatches als gevolg van onder andere hybride:

  • financiële instrumenten,
  • lichamen,
  • vaste inrichtingen,
  • overdrachten. 

Hybride financieel instrument

Het hybride financieel instrument spreekt het meest tot de verbeelding. Hiervan is sprake indien een instrument in land A als vreemd vermogen wordt beschouwd en in land B als eigen vermogen. Omdat de vergoeding op vreemd vermogen (rente) in beginsel aftrekbaar/belast is en de vergoeding op eigen vermogen (dividend) in beginsel onbelast/niet aftrekbaar is, leidt een hybride financieel instrument tussen een entiteit in land A en een entiteit in land B tot:

  • dubbele belastingheffing (heffing in land A en geen aftrek in land B);
  • dubbele non-heffing (aftrek in land A en geen heffing in land B).

Op basis van ATAD2 dienen hybride mismatches te worden geneutraliseerd. In bovenstaand voorbeeld schrijft ATAD2 voor dat dubbele non-heffing wordt voorkomen, omdat land A de vergoeding in beginsel niet in aftrek toestaat (primaire regel). Indien land A de rente toch in aftrek toestaat, dient land B de vergoeding te belasten (secundaire regel). Omdat Nederland de deelnemingsvrijstelling sinds 1 januari 2016 niet meer toepast op voordelen die bij de betaler in aftrek worden gebracht, heeft Nederland de secundaire regel op basis van ATAD2 reeds geïmplementeerd.

Overige hybride mismatches

Van een hybride lichaam is sprake indien een entiteit in land A kwalificeert als een non-transparante entiteit en in land B als een transparante entiteit. In de relatie tussen België en Nederland kan in dit kader worden gedacht aan de gewone commanditaire vennootschap, die voor Belgische fiscale doeleinden non-transparant is en voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant. Voor een nadere toelichting en voorbeelden van de andere bovengenoemde mismatches volstaan wij hier met een verwijzing ons cliëntmemorandum.

Het verdere verloop van het wetgevingsproces moet worden afgewacht om de impact van de maatregelen op basis van ATAD2 in de relatie tussen België en Nederland te beoordelen. De internetconsultatie loopt tot 10 december 2018. Vervolgens zullen de reacties in een definitief wetsvoorstel worden verwerkt waarvan de aanbieding aan de Tweede Kamer is gepland voor begin 2019. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven