Naar boven


1. Eindejaarstips 2017

Het fiscale landschap is voortdurend in beweging. In de Eindejaarstips 2017 bespreekt Meijburg & Co de laatste fiscale ontwikkelingen in Nederland en of het mogelijk/wenselijk is naar aanleiding hiervan nog voor het jaareinde actie te ondernemen.

Naar boven


2. Kapitaalvermindering in België in 2018 niet langer belastingvrij

De langverwachte hervorming van de Belgische vennootschapsbelasting heeft al verschillende nieuwigheden met zich meegebracht. Een van de belangrijke wijzigingen, naast uiteraard de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief, is onder meer de aanpassing van de fiscale gevolgen van kapitaalverminderingen. Wat moet u hierover weten en vooral, wat is momenteel nog mogelijk?

Kapitaalvermindering aangemerkt als dividend?

Wanneer de algemene vergadering van een Belgische vennootschap vandaag (in 2017) besluit over te gaan tot een kapitaalvermindering (volledig aan te rekenen op het fiscaal gestorte kapitaal), dan kan dit zonder verschuldigde roerende voorheffing. Het wordt immers niet beschouwd als dividend.

Hier zal spoedig verandering in komen. Volgens de huidige ontwerpteksten zal een kapitaalvermindering van een Belgische vennootschap vanaf 1 januari 2018 vanuit fiscaal oogpunt niet langer enkel en alleen uit een terugbetaling van werkelijk gestorte kapitaal bestaan, maar zal deze terugbetaling eveneens (fiscaal) aangerekend worden op de reserves. Slechts het gedeelte van de kapitaalvermindering dat fiscaal wordt aangerekend op het werkelijk gestorte kapitaal blijft onbelast. Over het gedeelte dat wordt aangerekend op de reserves zal daarentegen Belgische roerende voorheffing (30%) verschuldigd zijn, tenzij een vrijstelling van toepassing is.

Een vrijstelling is bijvoorbeeld van toepassing indien de begunstigde een vennootschap is die een belang in het kapitaal houdt van minimaal 10% en dit belang gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar heeft gehouden of zal houden. Maar wanneer bijvoorbeeld een natuurlijke persoon aandeelhouder is van een Belgische vennootschap, zal deze vrijstelling van roerende voorheffing niet gelden.

De maatregel zal niet alleen van toepassing zijn op kapitaalverminderingen, maar ook op terugbetalingen van uitgiftepremies en van bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen.

Pro-rata-aanrekening

Vanaf 1 januari 2018 leidt een kapitaalvermindering in veel gevallen tot de kwalificatie van een belastbaar dividend op basis van een pro-rata-aanrekening. De fiscale aanrekening op het kapitaal en de reserves wordt pro rata berekend, op basis van de verhouding tussen het kapitaal en de reserves op het moment van de uitkering. Hoe hoger het bedrag aan reserves in het eigen vermogen, hoe groter de aanrekening op de reserves en hoe hoger het bedrag aan roerende voorheffing dat zal zijn verschuldigd. Bij het bepalen van deze verdeling wordt geen rekening gehouden met reserves die niet onmiddellijk uitkeerbaar zijn, zoals de liquidatiereserve of onbeschikbare reserves.

Wij lichten de pro-rata-aanrekening toe aan de hand van een voorbeeld:

Gestort kapitaal                                                             700

In het kapitaal geïncorporeerde reserves                      300

Belaste reserves                                                            600

Totaal boekhoudkundig eigen vermogen                       1.600

 

In dit voorbeeld is de pro-rataberekening als volgt: 700 / (700 + 300 + 600) = 0,4375

Indien een kapitaalvermindering plaatsvindt van 800, wordt hiervan 350 (0,4375 x 800) aangerekend op het gestorte kapitaal. Het restant bedraagt 450 (0,5625 x 800) en wordt aangerekend op de reserves. Hierover is 30% roerende voorheffing verschuldigd, tenzij er een vrijstelling van roerende voorheffing kan worden toegepast.

De huidige ontwerpteksten voorzien een rangorderegeling voor de aanrekening van kapitaalverminderingen op de zogenoemde belaste en vrijgestelde reserves. Deze rangorderegeling is onder meer relevant, omdat bij aanrekening van een kapitaalvermindering op vrijgestelde reserves eveneens vennootschapsbelasting is verschuldigd. Wij gaan daar in dit kader niet nader op in.

Uitwerking

Het voorgaande houdt in dat een kapitaalvermindering die vanuit vennootschapsrechtelijk en boekhoudkundig oogpunt geacht wordt voort te komen uit gestort kapitaal, bij wijze van fiscale fictie toch voor een deel aangerekend wordt op de reserves (waardoor mogelijk roerende voorheffing is verschuldigd).

Indien de algemene vergadering in eenzelfde beslissing besluit om naast kapitaal te verminderen ook een deel van de reserves uit te keren, kan men verhinderen dat er een verschil ontstaat tussen de fiscale en de boekhoudkundige situatie. Hierbij moet men wel opletten dat het dividend minstens gelijk is aan het bedrag dat volgens voormelde wettelijke regeling als dividend wordt aangemerkt.

Bij dividenduitkeringen uit de reserves zal geen (tweede keer) roerende voorheffing worden geheven over de reserves indien en voor zover hierover naar aanleiding van een kapitaalvermindering reeds roerende voorheffing is geheven. Ook bij inkoop van eigen aandelen of een liquidatie zou geen sprake mogen zijn van het heffen van roerende voorheffing over reserves die al eerder belast werden. Het gaat derhalve om een timingverschil.

Hoe de regeling in de praktijk zal uitwerken indien een inwoner van Nederland een uitkering in de vorm van een kapitaalvermindering ontvangt van een Belgische vennootschap, is nog niet duidelijk. Hoewel België een kapitaalvermindering onder voorwaarden gedeeltelijk kwalificeert en belast als een dividenduitkering, zal Nederland een kapitaalvermindering onder bepaalde voorwaarden niet als dividend behandelen maar als een onbelaste teruggaaf (afstempeling) zien. Omdat een inwoner van Nederland in die situatie de Belgische roerende voorheffing die wordt ingehouden op een kapitaalvermindering in beginsel niet kan verrekenen – ook niet indien later dividenden worden uitgekeerd – zal in dergelijke situaties sprake zijn van dubbele belastingheffing. Om deze dubbele heffing weg te nemen zou onder het belastingverdrag een onderlinge overlegprocedure kunnen worden gestart, eventueel gevolgd door arbitrage onder de werking van de EU-richtlijn van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie. Belanghebbenden kunnen deze richtlijn weliswaar pas vanaf 1 juli 2019 inroepen, maar kunnen dat doen aangaande geschillen met betrekking tot inkomsten of vermogen verkregen in een belastingjaar dat begint op of na 1 januari 2018.

Wat kunt u nu nog doen?

Verrichtingen vallen onder de nieuwe regeling indien hiertoe besloten is op 1 januari 2018 of later. Mocht de algemene vergadering dus voor 1 januari 2018 besluiten over te gaan tot een kapitaalvermindering, dan zal de huidige fiscale regeling hoogstwaarschijnlijk nog van toepassing zijn en kan de kapitaalvermindering vooralsnog belastingvrij gebeuren (mits aan alle voorwaarden hiervoor is voldaan). Het tijdstip van de eigenlijke terugbetaling van het gestorte kapitaal of de publicatie van de beslissing van de algemene vergadering is niet relevant.

Toch is in dezen voorzichtigheid geboden: de ontwerpteksten liggen immers nog bij de Raad van State en kunnen dus nog worden gewijzigd. Mocht men een kapitaalvermindering overwegen, dan is het aan te raden dit te bespreken met uw fiscaal adviseur. Uiteraard zijn wij altijd bereid u hierin bij te staan.

Ilke Vandenbroeck en Sabine Daniëls

 

 

Naar boven


3. Conclusie A-G bij HvJ EU per-elementbenadering en aankondiging spoedreparatiemaatregelen door Nederland

Op 25 oktober jongstleden heeft de advocaat-generaal (A-G) van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) geconcludeerd dat de beperking van renteaftrek om het gevaar voor uitholling van de belastinggrondslag te ‘neutraliseren’ (winstdrainage, artikel 10a Wet Vpb) niet kan worden toegepast in EU-situaties indien in een zuiver Nederlandse situatie de renteaftrekbeperking niet zou gelden, omdat dan een fiscale eenheid zou kunnen worden gevormd. Zie hieromtrent ook onze eerdere berichtgeving.

Casus

Vereenvoudigd weergegeven komt de onderhavige casus erop neer dat een Nederlandse vennootschap inleende van de Zweedse topholding van het concern waartoe zij behoorde en het geleende bedrag stortte op aandelen van een Italiaanse dochtervennootschap, die daarmee een andere Italiaanse concernvennootschap van de beurs haalde. In geschil is de toepassing van artikel 10a Wet Vpb, aangezien sprake was van een geldlening van een verbonden lichaam in verband met een storting in een verbonden lichaam. Daarbij speelt onder meer de vraag of artikel 10a Wet Vpb in strijd is met het EU‑recht. De Nederlandse Hoge Raad heeft daarover prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU.

De A-G stelt in zijn conclusie vast dat sprake is van een verschillende behandeling van objectief vergelijkbare gevallen die niet gerechtvaardigd kan worden en concludeert dat artikel 10a Wet Vpb derhalve in strijd is met de vrijheid van vestiging. 

Tegenmaatregelen

Indien het HvJ EU deze conclusie over de zogenoemde per-elementbenadering zou volgen, zou dat een aanzienlijke budgettaire derving voor de Nederlandse schatkist betekenen. Het kabinet heeft daarom een spoedreparatie aangekondigd voor het geval het HvJ EU voor de Nederlandse staat in negatieve zin zou beslissen. De spoedreparatie houdt in dat, met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017, 11.00 uur, een aantal Nederlandse regelingen in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting ook in binnenlandse verhoudingen zal moeten worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid is. Dit betekent onder andere dat rente en/of verliezen wellicht nu al niet meer aftrekbaar dan wel verrekenbaar zijn.

Deze maatregelen kunnen impact hebben op veel bestaande fiscale eenheden. De regelingen die in de kabinetsreactie worden genoemd zijn de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb, de deelnemingsvrijstelling (met betrekking tot de beoordeling of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming, alsmede de maatregel tegen vrijstelling van inkomsten die in het bronland aftrekbaar zijn), de aftrekbeperking ter zake van bovenmatige deelnemingsrente (artikel 13l Wet Vpb), de verliesverrekening bij wijziging van het belang en – in de dividendbelasting – de afdrachtvermindering bij dooruitdelingen.

Belang van inventarisatie 

De mogelijke wetswijzigingen die voortvloeien uit de spoedreparatie houden een belangrijke wijziging in van (onder andere) de regels over renteaftrek en verliesverrekening bij fiscale eenheden in de vennootschapsbelasting.

Op dit moment is nog onzeker op welke wijze en per wanneer de reparatiemaatregelen precies zullen worden doorgevoerd. Wel duidelijk is dat de Nederlandse fiscale eenheid vennootschapsbelasting onder omstandigheden moet worden weggedacht. Dit kan dan onder andere van invloed zijn op de belastingheffing ter zake van:

  1. leningen, inclusief interne leningen binnen fiscale eenheid
    mogelijk effect: wel belaste rente bij de ontvanger en bij de betaler niet aftrekbaar;
  2. verliesverrekening
    mogelijk effect: het niet of minder gemakkelijk kunnen verrekenen van verliezen;
  3. de deelnemingsvrijstelling 
    mogelijk effect: het niet kunnen toepassen van de deelnemingsvrijstelling (bijvoorbeeld op dividenden).

Het is raadzaam om op de kortst mogelijke termijn zowel de interne als de externe schulden van de fiscale eenheid vennootschapsbelasting te inventariseren. Het kan namelijk verstandig zijn interne schulden die geen functie binnen de groep hebben en/of externe schulden nader te beoordelen. Voorkomen moet worden dat interne of externe schulden direct of indirect verband houden met bijvoorbeeld de verwerving van deelnemingen, het doen van kapitaalstortingen dan wel terugbetaling van kapitaal of het uitkeren van dividend, ook als dat binnen de fiscale eenheid vennootschapsbelasting heeft of zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan het wenselijk zijn om de verrekenbare verliezen en/of deelnemingen (inclusief gevoegde dochters) nader te beoordelen.

Door nu actie te ondernemen kan de impact van de eventueel in te voeren reparatiewetgeving – waarvan de tekst dus nog niet bekend is – worden beperkt of voorkomen. Wij hebben inmiddels een aantal ervaringen waarbij financieringen binnen een fiscale eenheid in het meest negatieve scenario zouden leiden tot zeer aanzienlijke extra fiscale winst. Dit als gevolg van niet-aftrekbaarheid van de rentelasten bij de betaler binnen de fiscale eenheid en gelijktijdige belastbaarheid van de rentebaten bij de ontvanger binnen de fiscale eenheid.

Paul te Boekhorst

Naar boven


4. Nederland verleent bij remigratie geen step-up voor aanmerkelijkbelangaandelen

Indien een inwoner van Nederland zijn aanmerkelijkbelangaandelen (doorgaans ≥ 5%) in een vennootschap verkoopt, is over het hierbij gerealiseerde vervreemdingsvoordeel 25% Nederlandse inkomstenbelasting (box 2) verschuldigd. Het gerealiseerde vervreemdingsvoordeel is het verschil tussen de verkoopprijs van de aandelen en de verkrijgingsprijs daarvan. Op 22 september 2017 sprak de Hoge Raad zich uit over de wijze waarop de verkrijgingsprijs na remigratie dient te worden bepaald.

Arrest 22 september 2017

In zijn arrest oordeelde de Hoge Raad dat Nederland bij remigratie van een inwoner van België naar Nederland geen zogenoemde step-up hoeft te verlenen voor de meerwaarde in zijn aandelen in een Nederlandse vennootschap. De casus betrof een natuurlijke persoon (X) die in 1991 emigreerde van Nederland naar België en in 2003 terugkeerde naar Nederland. X verkreeg in 1994 de aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap (BV), waarvan de waarde tussen 1994 en 2003 significant was gestegen.

In geschil was de verkrijgingsprijs van X’s aandelen BV. Hoewel X meende dat de verkrijgingsprijs diende te worden gesteld op de waarde van de aandelen BV op het moment van zijn remigratie (circa € 611.000), stelde de Nederlandse inspecteur de verkrijgingsprijs van zijn aandelen vast op de historische verkrijgingsprijs (circa € 9.000). De inspecteur baseerde zich hierbij op de Nederlandse wettekst, die stelt dat de historische verkrijgingsprijs van de aandelen als verkrijgingsprijs moet worden gehanteerd (en dat dus geen step-up wordt verleend) indien X voorheen:

a) inwoner was van Nederland;

b) een aanmerkelijk belang hield in een Nederlandse vennootschap en derhalve in Nederland buitenlands belastingplichtig was.

Omdat in de onderhavige casus a) en b) van toepassing waren, is het standpunt van de inspecteur begrijpelijk. Dit standpunt werd in beroep gevolgd door de rechtbank. Nadat X sprongcassatie instelde bij de Hoge Raad, hebben ook de advocaat-generaal en uiteindelijk de Hoge Raad zich bij het standpunt van de inspecteur aangesloten.

Uitwerking

Het arrest van de Hoge Raad werkt als volgt uit. Indien X zijn aandelen BV (bijvoorbeeld één dag) voor zijn emigratie had verkocht, zou de door hem gerealiseerde boekwinst onbelast zijn gebleven. België zou een dergelijke boekwinst onder voorwaarden op basis van zijn nationale wetgeving niet belasten en Nederland zou op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België niet bevoegd zijn hierover belasting te heffen. Indien X zijn aandelen BV (bijvoorbeeld één dag) na zijn emigratie verkoopt, is hij over de daarin aanwezige meerwaarde 25% Nederlandse inkomstenbelasting (box 2) verschuldigd. In de voorliggende casus bedraagt het verschil circa € 150.500 (25% van € 611.000 -/- € 9.000)!

Wat te doen?

Indien X de meerwaarde in zijn aandelen BV realiseert voor remigratie, is Nederland niet bevoegd hierover belasting te heffen op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België. Omdat Nederland dit op basis van de wettekst en het arrest van de Hoge Raad – door het niet verlenen van een step-up – wel doet, trekt Nederland het heffingsrecht over de meerwaarde in de aandelen van X naar zich toe. In dit kader kan worden opgemerkt dat in de voorliggende casus (nog) geen sprake was van een realisatie van de aanwezige meerwaarde en dat alleen de hoogte van de verkrijgingsprijs in geschil was. Het arrest van de Hoge Raad lijkt (beperkte) ruimte te laten om bij latere vervreemding van de aandelen BV alsnog te stellen dat Nederland op basis van oude jurisprudentie en het belastingverdrag tussen Nederland en België niet bevoegd is te heffen over de waardeaangroei in X’ aandelen BV die is ontstaan voor remigratie.

Bovenstaand standpunt kan pas worden ingenomen nadat u bent geremigreerd en u uw aandelen reeds hebt vervreemd. Indien u aandelen heeft in een vennootschap en wenst te (r)emigreren naar Nederland, adviseren wij u zich voorafgaand aan uw (r)emigratie te laten adviseren en in voorkomende gevallen de nodige stappen te ondernemen om (onverwachte) Nederlandse belastingheffing in de toekomst te voorkomen.

Mark Foesenek

Naar boven


5. Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Belgische pensioenpremies tot Nederlands belastbaar loon gerekend

Onlangs heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: rechtbank) uitspraak gedaan in een zaak waarin een inwoner van België zijn deelname in het Belgische werkgeverspensioenplan (groepsverzekering) heeft voortgezet tijdens zijn tewerkstelling bij een groepsvennootschap van zijn Belgische werkgever in Nederland. De rechtbank heeft bepaald dat de in 2013 betaalde pensioenpremies tot het Nederlandse belastbaar loon dienen te worden gerekend.

Casus

Belanghebbende is woonachtig in België en sinds 1978 werkzaam voor een internationaal opererend concern. Vanaf 1 juli 2007 is hij voor dit concern werkzaam in Nederland. Gedurende de tewerkstelling in Nederland wenst belanghebbende deelname aan het Belgische werkgeverspensioenplan voort te zetten. De Belgische pensioenregeling is op verzoek voor een periode van vijf jaar als zuivere pensioenregeling aangewezen. In geschil is of hij in 2013 gebruik kan maken van de Nederlandse fiscale faciliteiten in de vorm van een aftrek van de werknemerspremies en het niet als belastbaar loon in aanmerking nemen van werkgeverspremies aan de Belgische groepsverzekering.

Nederlandse wet- en regelgeving

In beginsel is een Belgische pensioenregeling niet vergelijkbaar met een Nederlandse pensioenregeling en kwalificeert deze derhalve niet als zogenoemde zuivere pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting. Als gevolg hiervan dienen, om het Nederlandse belastbaar loon te bepalen, de door de werkgever betaalde pensioenpremies bij het belastbaar loon te worden opgeteld en zijn door de werknemer betaalde pensioenpremies niet aftrekbaar. De Nederlandse Belastingdienst kan echter worden verzocht om een zogenoemde aanwijzing van het Belgische pensioenplan, waardoor deze in Nederland fiscaal wordt behandeld conform de Belgische wet- en regelgeving. Van belang hierbij is dat er sprake is van voortzetting van deelname in het bestaande pensioenplan. Op verzoek van belanghebbende is de Belgische pensioenregeling aangewezen als zuivere regeling en wel voor de periode van vijf jaar, eindigend op 1 juli 2012.

Geschil en uitspraak

In geschil is of na 1 juli 2012 nog gebruik kan worden gemaakt van een Nederlandse fiscale faciliteit. Omdat de Belgische pensioenregeling een mogelijkheid kent tot uitbetaling van een bedrag ineens (in afwijking van een Nederlandse pensioenregeling), oordeelt de rechtbank dat de Belgische pensioenregeling niet kan worden aangemerkt als een zuivere pensioenregeling. In aanvulling hierop is de looptijd van de aanwijzing verstreken (al op 1 juli 2012), waardoor er geen goedkeuring meer is om gebruik te maken van de Nederlandse fiscale faciliteiten. Naar onze mening is deze uitspraak dan ook terecht. Vanaf 1 juli 2012 had belanghebbende geen beroep meer mogen doen op een fiscaalvriendelijke behandeling. 

Belastingheffing over uitkering pensioen

Op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België zal België als woonland in principe belasting mogen heffen over de toekomstige pensioenuitkeringen. Onder voorwaarden kan ook sprake zijn van heffing in Nederland over het gedeelte van de pensioenuitkering dat in Nederland fiscaal gefaciliteerd is opgebouwd. Voor het gedeelte van de pensioenuitkering dat op basis van het belastingverdrag ter heffing is toegewezen aan Nederland kan in de Belgische aangifte aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing worden geclaimd.

Over het gedeelte van de pensioenuitkering dat is toe te rekenen aan de tewerkstelling in Nederland maar waarvoor geen fiscale faciliteit is genoten in Nederland (dat wil zeggen: werkgeversbijdragen zijn aangemerkt als fiscaal loon en werknemersbijdragen zijn niet in aftrek gebracht op het fiscale loon), zal België ten tijde van de uitkering ‘nogmaals’ belasting heffen.

Deze uitspraak illustreert de problematiek waarmee u te maken kunt krijgen indien u overweegt uw Belgische pensioenregeling voort te zetten tijdens een tewerkstelling in Nederland. In ongunstige gevallen kan in een dergelijke situatie dubbele belastingheffing optreden. Wij adviseren u om tijdig na te gaan wat de gevolgen voor uw Belgische pensioenregeling zijn van werken in Nederland. Vanzelfsprekend kunnen wij u hierbij assisteren.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


6. Belgische btw-administratie soepeler inzake verplichte factuurvermeldingen?

Op 12 oktober 2017 heeft de Belgische btw-administratie een circulaire gepubliceerd. Daarin geeft zij toelichting op recente rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de voorwaarden waaronder een btw‑plichtige zijn recht op aftrek van btw kan uitoefenen en de voorwaarden in dit kader ten aanzien van de factuur.Wettelijke bepaling

Een btw-plichtige moet in België bij de uitoefening van zijn recht op aftrek van btw in acht nemen:

  • de materiële voorwaarde: de aan de btw-plichtige geleverde goederen en verleende diensten worden gebruikt voor het verrichten van handelingen die een recht op aftrek verlenen;
  • de formele voorwaarde: de btw-plichtige is in het bezit van een factuur waarop de minimum wettelijke verplichte vermeldingen voorkomen.

Meerdere arresten van het Hof: ‘substance over form’

In meerdere recente arresten heeft het Hof van Justitie benadrukt dat het fundamentele beginsel van btw‑neutraliteit eist dat aftrek van btw wordt toegestaan indien de materiële voorwaarde is vervuld, ook wanneer een btw-plichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden.

Het Hof van Justitie heeft bovendien meerdere keren het ‘substance over form’-principe bevestigd. Meer bepaald oordeelde het Hof eerder dat:

  • indien de btw-administratie over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, zij voor het recht op aftrek van btw geen nadere voorwaarden mag stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd (er kunnen immers omstandigheden bestaan waarin de gegevens geldig kunnen worden vastgesteld aan de hand van andere middelen dan een factuur);
  • de btw-administratie zich er niet toe mag beperken alleen de factuur zelf te onderzoeken, maar dat zij ook rekening moet houden met aanvullende informatie die de btw-plichtige verstrekt;
  • de btw-administratie het recht op aftrek van btw niet kan weigeren wanneer is voldaan aan de materiële voorwaarden voor aftrek en de betrokken btw-administratie voor de vaststelling van haar beslissing van de btw-plichtige een gecorrigeerde factuur heeft ontvangen.

Gevolgen Belgische praktijk

Wanneer een factuur onjuist of onvolledig is, weigert de btw-administratie in principe de aftrek van btw. De administratieve aanschrijving stelt echter dat het ontbreken van een verplichte factuurvermelding of een onjuiste vermelding in de praktijk nu al doorgaans met een zekere soepelheid wordt toegepast.

Naar aanleiding van de recente arresten van het Hof van Justitie wil de btw-administratie deze soepelheid meer kracht bijzetten. Het recht op aftrek van btw dat werd uitgeoefend op grond van een onregelmatige factuur mag namelijk niet noodzakelijkerwijs aanleiding geven tot een verwerping van het recht op aftrek van btw door de btw-administratie.

Dit betekent dat wanneer de door de btw-plichtige voorgelegde factuur niet regelmatig en/of onvolledig is, de btw-administratie het recht op aftrek zal beoordelen:

  • op basis van een gecorrigeerde factuur; en/of
  • in combinatie met aanvullende bewijskrachtige stukken die ondubbelzinnig betrekking hebben op de factuur en die door de belastingplichtige worden voorgelegd, voor zover:
    • het bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden van het recht op aftrek is voldaan;
    • de btw-plichtige zich niet schuldig heeft gemaakt aan fraude, misbruik of wist of had moeten weten dat de handeling onderdeel was van fraude of misbruik.

De gecorrigeerde facturen en/of aanvullende bewijskrachtige stukken moeten evenwel tijdig aan de btw‑administratie worden voorgelegd, dat wil zeggen: voor de beëindiging van de btw-controle. Het substance over form-principe bij de uitoefening van het recht op aftrek staat hierdoor sterker in zijn schoenen. Uiteraard is het echter nog steeds aangewezen om in het bezit te zijn van een factuur die alle wettelijk verplichte factuurvermeldingen bevat.

Gladys Cristiaensen en Robin de Cock

Naar boven


7. Europese Hof van Justitie wijst relevant arrest over (oude) Belgische renteaftrekbeperking

In de periode tussen 1995 en 2002 konden Belgische vennootschappen geen interestaftrek genieten tot het bedrag aan ontvangen ‘vrijgestelde dividenden’ (dat wil zeggen: dividenden aftrekbaar onder het zogenoemde Belgische DBI-regime) wanneer die dividenden afkomstig waren van aandelen die minder dan één jaar werden aangehouden.

Op basis van deze regelgeving weigerde de Belgische fiscus aan de vennootschap Argenta Spaarbank NV de aftrek van in 2000 en 2001 betaalde interesten.

Argenta Spaarbank NV meende echter op basis van de Europese Moeder-dochterrichtlijn dat de aftrek van interesten slechts kon worden verworpen indien sprake is van een causaal verband tussen de te verwerpen interesten en de dividenden. Omdat in haar geval een dergelijk verband ontbrak, stelde Argenta dat door toepassing van bovenstaande regel onterecht alle betaalde interesten werden getroffen door de renteaftrekbeperking, inclusief de interesten die geen betrekking hadden op de financiering van de verwerving van aandelen.

De zaak werd voorgelegd aan de Belgische rechtbank, die de zaak verwees naar het Europese Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ heeft op 26 oktober 2017 arrest gewezen.

Het HvJ verwijst naar de bepalingen van de Moeder-dochterrichtlijn en stelt dat de lidstaten op basis daarvan uitsluitend de bevoegdheid hebben om te bepalen dat lasten die betrekking hebben op een kwalificerende deelneming in een dochteronderneming niet mogen worden afgetrokken van de belastbare winst van de moedermaatschappij. Deze bepaling dient strikt te worden geïnterpreteerd en daaraan kan dan ook geen interpretatie worden gegeven die verdergaat dan de bewoordingen ervan.

Het niet toestaan van aftrek van algemene interestlasten betekent een verhoging van het belastbare inkomen van de moedermaatschappij en kan (indirect) worden beschouwd als het belasten van de dividenden die de moedermaatschappij ontvangt van haar dochtermaatschappij. Het HvJ oordeelt dat dit in strijd is met de beoogde fiscale neutraliteit onder toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn en dat het lidstaten niet is toegestaan de aftrekbaarheid van alle interesten te beperken tot het positieve saldo van deze interesten verminderd met de vrijgestelde dividenden.

Het HvJ oordeelde dus dat België in strijd met de Moeder-dochterrichtlijn handelde door aftrek van de rente tot het bedrag van de ontvangen dividenden niet toe te staan. Hoewel de Moeder-dochterrichtlijn de mogelijkheid biedt deze niet toe te passen indien niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee jaar sprake is van een kwalificerende deelnemingsrelatie, achtte het HvJ niet relevant dat Argenta Spaarbank NV de deelnemingen waaruit dividenden werden ontvangen minder dan één jaar aanhield.

Relevantie voor Nederland?

Hoewel de bestreden Belgische renteaftrekbeperking niet meer van toepassing is, kan het arrest van het HvJ mogelijk wel relevant zijn voor de huidige wet- en regelgeving.

In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de Nederlandse renteaftrekbeperking voor deelnemingsrente (artikel 13l Wet Vpb 1969). Op grond van deze bepaling wordt namelijk op basis van een generieke rekenregel bepaald of sprake is van excessieve schuldfinanciering van deelnemingen en kan ook rente die geen causaal verband houdt met de financiering van een deelneming in aftrek worden beperkt.

Hoewel het HvJ in zijn arrest niet ingaat op de wijze waarop moet worden bepaald of sprake is van ‘lasten die betrekking hebben op de deelneming’, adviseren wij in voorkomende gevallen te beoordelen of op basis van het arrest van het HvJ kan worden gesteld dat de renteaftrekbeperking op grond van artikel 13l Wet Vpb 1969 buiten toepassing dient te blijven.

Tom Zwaenepoel, Sabine Daniels en Mark Foesenek

Naar boven