Inhoud

Naar boven


1. België en Nederland bereiken overeenstemming over heffing over aanvullende pensioenen

De Nederlandse belastingdienst verraste eind vorig jaar vele Nederbelgen met een schriftelijke aankondiging inzake hun Nederlandse aanvullende pensioenen. In deze aankondiging stelde de Nederlandse belastingdienst dat hij, met ingang van 1 januari 2018, Nederlandse pensioenen niet langer zal vrijstellen van loonheffing indien deze op jaarlijkse basis meer dan € 25.000 bedragen. Hierdoor konden er situaties van dubbele belastingheffing ontstaan indien België over hetzelfde pensioen zou heffen. Inmiddels hebben Nederland en België na onderling overleg overeenstemming bereikt over een ‘oplossing’ voor deze problematiek.

Heffingsbevoegdheid Nederland-België

Op basis van het Belgisch-Nederlandse belastingverdrag is Nederland bevoegd over Nederlandse aanvullende pensioenen van inwoners van België te heffen indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Er is sprake geweest van fiscale faciliëring tijdens de opbouw door Nederland.
  2. De uitkeringen zijn in België niet belast tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief (progressief tarief) dan wel de uitkeringen worden voor minder dan 90% in de heffing betrokken.
  3. Het brutobedrag van bovenvermelde uitkeringen is hoger dan € 25.000 per kalenderjaar.

Voor de belastbaarheid van alle Nederlandse aanvullende pensioenen boven € 25.000 in Nederland baseert de Nederlandse belastingdienst zich op de Belgische ‘definitief verworven rechten-doctrine’. Deze stelt dat pensioenen opgebouwd voor 2004 (2006 voor dga’s) in België, onder voorwaarden, als lijfrenten tegen een laag forfaitair regime (3% van de kapitaalswaarde wordt jaarlijks belast tegen een tarief van 30%) worden belast. Onduidelijk is of pensioenen die deels zijn opgebouwd voor 2004 (2006) en deels daarna kunnen worden ‘geknipt’.

Overleg Belgische en Nederlandse belastingdienst

De Belgische belastingdienst was het niet eens met deze actie van de Nederlandse belastingdienst. Hij is immers van oordeel dat Nederland niet bevoegd is om te heffen over het Nederlandse aanvullende pensioen. De Belgische belastingdienst volgt in de meeste praktijkgevallen namelijk niet de bovenvermelde definitief verworven rechten-doctrine (hoewel deze doctrine reeds meerdere malen werd bevestigd door het Belgische Hof van Cassatie).

Nadat hierover zowel in Nederland als in België vragen werden gesteld in het parlement, zijn de Nederlandse en Belgische autoriteiten opnieuw in overleg gegaan. De Nederlandse staatssecretaris van Financiën heeft kenbaar gemaakt dat er overeenstemming is bereikt en dat Nederland van inwoners van België geen belasting zal heffen over uit Nederland afkomstig pensioen indien België dit pensioen feitelijk en voldoende belast. Als van voldoende heffing in België geen sprake is, zal Nederland kunnen heffen en zal België voorkoming van dubbele belasting verlenen.

Inwoners van België die zich op het standpunt stellen dat sprake is van een definitief en individueel verworven recht zullen dit waarschijnlijk individueel in België moeten bewijzen en uitprocederen. Slaagt men in de bewijslast, dan zal België Nederland informeren dat België niet volledig heft, en dan zal Nederland alsnog gaan heffen. Wij vinden dat de gehele gang van zaken bepaald geen schoonheidsprijs verdient.

Nederland en België hebben de gemaakte afspraken uitgewerkt in een overeenkomst. Wij volgen uiteraard de ontwikkelingen in dit kader en houden u op de hoogte.

 

Marlies Kastelein, William Donders en Sjeel Debeuf

Naar boven


2. Introductie van het multilateraal instrument (MLI)

Op 7 juni 2017 hebben de Nederlandse en Belgische ministers van Financiën, evenals vertegenwoordigers van bijna zeventig andere landen, in Parijs het multilateraal instrument (‘MLI’) ondertekend. Nadien heeft nog een aantal landen hun handtekening onder het MLI gezet, zodat het nu in totaal door 78 landen is ondertekend. Nog zes andere landen hebben hun intentie kenbaar gemaakt om dat te gaan doen. Het MLI is in het leven geroepen in het kader van het ‘anti-BEPS-project’ (BEPS: ‘Base Erosion and Profit Shifting’) en bevat bepaalde maatregelen om internationale belastingontwijking tegen te gaan. Het beoogt de doorwerking te regelen van een aantal maatregelen uit vier BEPS-rapporten op een snelle, gecoördineerde en consistente wijze in het netwerk van belastingverdragen, zonder dat daarvoor bilaterale onderhandelingen nodig zijn. In onze recent verschenen ‘two-pager’ zijn de belangrijkste elementen van het MLI samengevat en kunt u lezen op welke BEPS-maatregelen het MLI ziet.

Het MLI treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand nadat vijf landen het hebben geratificeerd. Inmiddels is dit gebeurd (te weten door: het eiland Man, Jersey, Oostenrijk, Polen en Slovenië), zodat het MLI op 1 juli 2018 in werking zal treden. Daarnaast heeft ook het Nederlandse kabinet een rijkswet ingediend om het MLI te ratificeren en is de parlementaire behandeling daarvan in Nederland voorzichtig aan begonnen. Redenen te over dus om u te informeren over dit nieuwe fenomeen.

Het MLI bevat BEPS-maatregelen om verdragsmisbruik effectief te bestrijden en geschillenbeslechting te verbeteren. Het gaat om de volgende twee categorieën:

  1. maatregelen waarvan is vastgesteld dat zij minimaal nodig zijn;
  2. maatregelen die kunnen bijdragen aan, maar niet per se noodzakelijk zijn, voor de bestrijding van verdragsmisbruik en de verbetering van geschillenbeslechting.

De posities van alle partijen bij het MLI en de gevolgen daarvan voor de verdragen die eronder vallen – de zogenoemde gedekte verdragen – worden kenbaar gemaakt via een systeem van kennisgevingen en voorbehouden. De keuzes en voorbehouden die Nederland (en Curaçao) en België daarbij reeds hebben gemaakt kunnen nog worden gewijzigd tot aan het moment van de uiteindelijke ratificatie.

Nieuwe ‘laag’

Door de introductie van het MLI ontstaat er naast de bestaande belastingverdragen tussen landen een nieuwe ‘laag’ met regels waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van een belastingverdrag. Het MLI wijzigt de bestaande bilaterale belastingverdragen niet – zoals een wijzigingsprotocol dat doet – maar is wel van invloed op de toepassing van deze belastingverdragen voor zover beide verdragslanden hebben aangegeven dat hun onderlinge belastingverdrag valt onder het MLI (gedekt belastingverdrag). Daarvan zijn er nu ruim 1.200.

Het MLI is pas relevant voor de toepassing van een gedekt belastingverdrag indien beide verdragsluitende landen die partij zijn bij dat verdrag het MLI hebben geratificeerd, de wachttijden die in het MLI staan zijn verstreken en er ten minste vijf landen zijn die het MLI hebben geratificeerd (hetgeen dus inmiddels is gebeurd).

Voor bronheffingen geldt dat het MLI pas kan worden toegepast op een gedekt verdrag vanaf de eerste dag van de vierde maand na ratificatie van het MLI door de laatste van beide verdragspartners bij dat belastingverdrag. Voor andere belastingen dan bronheffingen kan het MLI in beginsel worden toegepast vanaf het begin van het belastingtijdvak nadat – na de hiervoor genoemde periode – nog zes maanden wachttijd zijn verstreken. Verdragspartners kunnen onderling afspreken dat er tussen hen een kortere termijn dan de standaard zes maanden wachttijd geldt.

Bij boekjaren die gelijk zijn aan het kalenderjaar zal het MLI voor andere belastingen dan bronheffing gelet op het tijdsverloop voor Nederland dan wel België vermoedelijk op zijn vroegst vanaf 1 januari 2020 van toepassing zijn. Voor bronheffingen kan het MLI eerder van toepassing zijn, maar dan moet de ratificatie voor eind september dit jaar zijn afgerond.

Omdat het belastingverdrag tussen Nederland en België (al enige tijd) wordt heronderhandeld en Nederland en België hebben aangegeven dit verdrag niet onder de toepassing van het MLI te brengen, zal het MLI daarop niet van toepassing zijn. Niettemin zijn beide landen gehouden om bepaalde maatregelen uit de BEPS-rapporten (minimumnormen) op het verdrag van kracht te laten zijn.

Voor gedekte verdragen dient te worden vastgesteld op welke bepalingen van het betreffende verdrag het MLI van toepassing is. Ook hier geldt dat het MLI slechts van toepassing is, indien beide landen een bepaling van het betreffende belastingverdrag onder het MLI hebben gebracht. Hoewel een aantal landen, waaronder Nederland, hebben aangegeven welke verdragsbepalingen zij in beginsel onder het MLI wensen te brengen, bestaat hierover nog de nodige onduidelijkheid.

Een van de bepalingen in het MLI die in veel gevallen van toepassing zal zijn, is de veelomvattende algemene antimisbruikbepaling op basis van een ‘principal purpose test’. Kort gezegd houdt deze in dat een bepaling in het belastingverdrag geen toepassing vindt, indien het verkrijgen van verdragsvoordelen een van de voornaamste motieven van een transactie is (motiefvereiste), tenzij het toekennen van de verdragsvoordelen in lijn is met doel en strekking van de relevante verdragsbepaling (normvereiste).

Wat te doen?

Op welke termijn het MLI voor Nederland en België in werking zal treden, op welke Nederlandse en Belgische belastingverdragen dit van toepassing zal zijn en voor welke bepalingen dat uiteindelijk het geval zal zijn, is nu nog niet helder. Dit neemt niet weg dat wij verwachten dat het MLI een zeer belangrijke nieuwe dimensie binnen het belastingrecht zal vormen en dat hiermee terdege rekening moet worden gehouden in (internationale) structuren. Wij adviseren u uw vaste adviseur te raadplegen om alvast te beoordelen welke gevolgen de inwerkingtreding van het MLI voor uw situatie heeft.

 

Mark Foesenek en Paul te Boekhorst

Naar boven


3. De Belgische ‘fairness tax’: kroniek van een aangekondigde dood

Nadat het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) zich op 17 mei 2017 uitsprak over de ‘fairness tax’, heeft nu ook het Belgisch Grondwettelijk Hof zich – op 1 maart 2018 – hierover uitgesproken. Het Grondwettelijk Hof heeft de oorspronkelijke bepalingen van de wet van 30 juli 2013 waarmee de fairness tax werd ingevoerd vernietigd, maar handhaaft wel de gevolgen van de wet voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018 (boekjaren 2013 tot en met 2017), met uitzondering van de bepalingen die strijdig zijn met de Moeder-dochterrichtlijn. Wij verwijzen naar de mei-editie van onze nieuwsbrief.

Inmiddels bereidt de regering een ontwerp van wet voor om de fairness tax op te heffen vanaf aanslagjaar 2019 (voor belastbare tijdperken die aanvangen vanaf 1 januari 2018).

Fairness tax?

Met ingang van aanslagjaar 2014 werd de fairness tax geïntroduceerd in de Belgische vennootschapsbelasting en in de belastingheffing van niet-inwoners.

Het gaat om een aanvullende heffing van 5,15% die (grote) vennootschappen en buitenlandse vennootschappen met een Belgische vaste inrichting verschuldigd zijn op dividenduitkeringen die niet effectief belast worden door de toepassing van de aftrek voor risicokapitaal en/of overgedragen verliezen.

Veel discussie

De verenigbaarheid van de fairness tax met het Europees recht werd van meet af aan ter discussie gesteld.

De Europese Commissie deelde in augustus 2014 al mee dat zij de fairness tax strijdig achtte met de Europese Moeder-dochterrichtlijn. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van het Belgische Grondwettelijk Hof nam ook het HvJ de fairness tax onder de loep.

Zoals wij u eerder berichtten, oordeelde het HvJ op 17 mei 2017 dat het in strijd is met artikel 4 van de Moeder-dochterrichtlijn dat dividenden die een Belgische vennootschap heeft ontvangen van haar dochter in een andere EU-lidstaat bij dooruitdeling in een later jaar door de Belgische vennootschap worden belast met fairness tax.

De uitspraak van het Belgische Grondwettelijk Hof is het meest recente wapenfeit tegen de fairness tax. Het komt in zijn arrest van 1 maart 2018 namelijk tot het oordeel dat de artikelen met betrekking tot de fairness tax moeten worden vernietigd. Het Grondwettelijk Hof vernietigde de bepalingen van de wet van 30 juli 2013 waarmee de ‘fairness tax’ werd ingevoerd, maar handhaaft wel de gevolgen van de wet, voor zover deze niet strijdig zijn bevonden met de Moeder-dochterrichtlijn, voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018 (boekjaren 2013 tot en met 2017).

Concreet wil dit zeggen dat de fairness tax rechtsgeldig wordt toegepast voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018. Indien echter sprake is van wederuitgekeerde dividenden die binnen de werkingssfeer van de Moeder-dochterrichtlijn vallen, kan de fairness tax geheven over wederuitgekeerde dividenden evenmin voor die aanslagjaren worden toegepast.

Terugvorderen?

Bedrijven kunnen de ingehouden fairness tax in principe niet terugvorderen, aangezien het Grondwettelijk Hof wel de gevolgen van de vernietigde bepalingen handhaaft voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018. Voor Belgische vennootschappen die dividenden ontvingen van een buitenlandse dochter en die een jaar later op hun beurt weer uitgekeerd hebben aan hun aandeelhouders is echter wel een uitzondering mogelijk: hierbij wordt de drempel van de Moeder-dochterrichtlijn van 5% overschreden en dat maakt het voor deze vennootschappen in die omstandigheden wél mogelijk om de fairness tax terug te vorderen.

Einde van een complex verhaal?

Zodra het voorontwerp van wet wordt goedgekeurd, zal de fairness tax voor de toekomst (aanslagjaar 2019 en volgende) afgeschaft zijn. Tenzij sprake is van wederuitgekeerde dividenden (strijdigheid met de Moeder-dochterrichtlijn), kunnen belastingplichtigen de in 2014 tot en met 2017 ingehouden fairness tax in principe niet terugvorderen, aangezien het Belgisch Grondwettelijk Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen handhaaft voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2018. Op deze manier komt er dus een roemloos einde aan een belasting die nooit had mogen bestaan. Weinigen zullen rouwen om het heengaan van een onwaarschijnlijk complexe belasting die – buiten kopzorgen voor fiscalisten – weinig heeft bijgedragen aan de initiële doelstelling van ‘faire belasting’.

Hebt u vragen over het voorgaande en wilt u bekijken of u voor een terugvordering van fairness tax uit het verleden in aanmerking komt? Aarzelt u dan niet om contact met ons op te nemen.

 

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


4. Het Belgische minimumbezoldigingsvereiste: wat zijn de praktische gevolgen voor uw Belgisch-Nederlandse groepsstructuur?

In Nederland is de gebruikelijkloonregeling gemeengoed. In het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting in België werd per 1 januari 2018 met een ‘minimumbezoldigingsvereiste’ voor Belgische vennootschappen een soortgelijke maatregel geïntroduceerd. Hiermee wenst de Belgische fiscus het oprichten van vennootschappen louter om fiscale doeleinden te ontmoedigen. Er is immers gebleken dat winstgevende Belgische vennootschappen er vaak voor kiezen om hun directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) hoofdzakelijk te vergoeden met dividenduitkeringen (niet aftrekbaar bij de vennootschap, belast met 30% roerende voorheffing en onderworpen aan vennootschapsbelasting) in plaats van het toekennen van een bezoldiging (aftrekbaar bij de vennootschap en progressief belast bij de dga). Het minimumbezoldigingsvereiste beoogt hier paal en perk aan te stellen.

In dit verband rijst de vraag hoe dit vereiste in een internationale context dient te worden geïnterpreteerd. Moet een in België woonachtige dga die zijn bestuurderswerkzaamheden in Nederland verricht, zichzelf naast zijn Nederlandse loon tevens een Belgisch loon uitkeren (met gevolgen inzake inkomstenbelasting en sociale zekerheid)?

Wat houdt het minimumbezoldigingsvereiste in?

Een Belgische vennootschap is vanaf 1 januari 2018 verplicht om een minimum brutobezoldiging van € 45.000 per jaar toe te kennen aan haar dga, tenzij het belastbaar resultaat van de vennootschap (waarover vennootschapsbelasting wordt berekend) lager is. In dergelijke gevallen dient een minimumbezoldiging te worden uitgekeerd gelijk aan het (lagere) belastbaar resultaat.

Vennootschappen die deze nieuwe maatregel niet respecteren zullen worden onderworpen aan een bijkomende afzonderlijke aanslag ten belope van het positieve verschil tussen de wettelijke minimumbezoldiging en de hoogste effectieve bezoldiging (die door de vennootschap is toegekend). Het tarief van de bijkomende aanslag bedraagt 5% voor de aanslagjaren 2019 en 2020 (kalenderjaar 2018 en 2019) en zal daarna oplopen tot 10%. De op basis van deze aanslag verschuldigde heffing is bij de vennootschap aftrekbaar als een beroepskost.

De Belgische wetgever voorziet in een uitzondering voor verbonden groepsvennootschappen. Verbonden vennootschappen waarbij ten minste de helft van de bestuurders (natuurlijke personen) dezelfde personen zijn kunnen ervoor opteren om op geconsolideerde basis te voldoen aan een minimumbezoldiging van € 75.000. Niet in België gevestigde vennootschappen kunnen eveneens als verbonden vennootschap kwalificeren.

Voorbeeld

U bent inwoner van België en aandeelhouder en bestuurder van een (Belgisch-Nederlandse) groep. Vennootschap A, een Belgische vennootschap, fungeert als holding, zij houdt een 100%-deelneming aan in de operationele Nederlandse vennootschap B. De helft van de bestuurders van vennootschap A en vennootschap B zijn dezelfde personen.

U ontvangt geen bedrijfsleidersbezoldiging uit de Belgische vennootschap A. U ontvangt daarentegen wel een bezoldiging van € 100.000 uit de Nederlandse vennootschap B. U betaalt hierover inkomstenbelasting in Nederland en bent sociaal verzekerd in Nederland.

Dient u, op basis van het minimumbezoldigingsvereiste, uzelf een bedrijfsleidersbezoldiging uit te keren vanuit de Belgische vennootschap?

Nee, dit is niet nodig aangezien u van een verbonden vennootschap een bezoldiging ontvangt die meer bedraagt dan € 75.000.

Verdragstoepassing

Mede in het licht van eerdere jurisprudentie en discussies ten aanzien van de Nederlandse heffing over gebruikelijk loon (vaak fictief loon genoemd), komt de vraag op of toepasselijke belastingverdragen België toestaan in voorkomende grensoverschrijdende situaties over een (fictieve) minimumbezoldiging belasting te heffen. Omdat hierover vooralsnog onduidelijkheid bestaat, dient te worden afgewacht of België op dit vlak – bijvoorbeeld in een circulaire – duidelijkheid zal geven.

Advies

Op basis van het bovenstaande adviseren wij u om uw huidige groepsstructuur en de bezoldigingsstromen te (laten) beoordelen en de impact van deze nieuwe regeling in kaart te brengen.

 

Sjeel Debeuf

Naar boven


5. De Nederlandse staatssecretaris geeft nader inzicht in fiscale toekomstplannen

Na het regeerakkoord, waarover wij u in de oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten en waarin een schets wordt gegeven van de fiscale toekomstplannen van het kabinet, heeft nu de staatssecretaris van Financiën op 23 februari 2018 in een tweetal brieven de fiscale toekomstplannen van het kabinet nader toegelicht. Een van deze brieven is zijn Fiscale beleidsagenda en de andere is een uitwerking van het meest essentiële onderdeel daarvan: de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking.

De staatssecretaris baseert zich bij de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking op twee pijlers, namelijk de bescherming van de belastinggrondslag enerzijds en de bevordering van transparantie en integriteit anderzijds. In de Fiscale beleidsagenda worden daarnaast nog vier andere essentiële onderdelen genoemd:

  1. het verlagen van de belasting op arbeid (conform het regeerakkoord);
  2. een Nederlands vestigingsklimaat dat fiscaal concurrerend blijft voor reële economische activiteiten;
  3. verdere vergroening van het belastingstelsel;
  4. een beter uitvoerbaar belastingstelsel.

Een groot gedeelte van de genoemde plannen is reeds aan bod gekomen in eerdere edities van deze nieuwsbrief of zullen wij later – zodra er wetsvoorstellen beschikbaar zijn – uitvoerig bespreken. Voor meer informatie over de inhoud en uitwerking van de recent gepresenteerde toekomstplannen verwijzen wij u naar bijgaand memorandum.

 

Rabiye Inan en Mark Foesenek

Naar boven


6. EU bereikt overeenstemming over melding en uitwisseling gegevens van ‘agressieve’ internationale fiscale structuren

Op 13 maart 2018 heeft de Europese Raad van Ministers politieke overeenstemming bereikt over de Mandatory Disclosure Rules Directive (‘MDR’). Op basis van deze richtlijn zullen potentieel ‘agressieve’ internationale fiscale structuren in de toekomst door intermediairs – of belastingplichtigen zelf – moeten worden gemeld aan de fiscale autoriteiten, zodat deze de ontvangen informatie kunnen uitwisselen met de autoriteiten in andere lidstaten. Met de invoering van deze nieuwe verplichtingen wordt beoogd agressieve grensoverschrijdende belastingconstructies (eerder) in beeld te krijgen, reeds voordat deze worden geïmplementeerd.

Inhoud van de richtlijn

De richtlijn houdt in dat intermediairs potentieel agressieve internationale fiscale structuren dienen te melden bij de autoriteiten en dat deze de ontvangen informatie spontaan moeten uitwisselen met de autoriteiten van de lidstaten waarop de structuur betrekking heeft. In de richtlijn wordt gesteld dat ‘arrangements’ moeten worden gemeld. De richtlijn bevat geen definitie van dit begrip, maar wel een aantal kenmerken (‘hallmarks’) aan de hand waarvan kan worden bepaald of een advies of een fiscale structuur kwalificeert en moet worden gemeld.

Belangrijk is dat een groot aantal kenmerken/hallmarks slechts als indicatie voor de aanwezigheid van een kwalificerende (te melden) potentiële fiscale structuur geldt, indien aan de ‘main-benefittoets’ wordt voldaan. Dit is het geval indien het aannemelijk is dat het verkrijgen van een belastingvoordeel (waaronder ook het voorkomen van dubbele belastingheffing wordt begrepen) het belangrijkste of een van de belangrijkste voordelen van de structuur is.

Timing

Op basis van de richtlijn dienen de lidstaten de maatregelen om te zetten in nationale wetgeving voor 31 december 2019 en moet deze wetgeving uiterlijk op 1 juli 2020 worden toegepast. Omdat de lidstaten de gemelde gegevens binnen drie maanden na het einde van ieder kwartaal moeten uitwisselen, zal de eerste uitwisseling uiterlijk eind 2020 plaatsvinden.

Hoewel de implementatie van de richtlijn moet worden afgewacht, moeten ook structuren (alsnog in 2020) worden gemeld die worden geadviseerd tussen het moment van inwerkingtreding van de richtlijn (waarschijnlijk nog voor het zomerreces) en 1 juli 2020.

Wat nu?

Hoewel op basis hiervan veel internationale fiscale structuren onder de reikwijdte van de richtlijn lijken te vallen, zijn wij benieuwd hoe Nederland, België en andere landen de richtlijn zullen implementeren en ‘hoe heet de soep zal worden gegeten’. Wij stellen voor dit vooralsnog af te wachten en houden u op de hoogte van de ontwikkelingen in dit kader.

 

Rabiye Inan en Mark Foesenek

Naar boven


7. Beperking Belgische fiscale voordelen bij overbrenging fiscale woonplaats tijdens inkomstenjaar

Een belastingplichtige (natuurlijk persoon) die tijdens het inkomstenjaar zijn fiscale woonplaats van België naar Nederland overbrengt, verbreekt in België zijn fiscaal inwonerschap. Vanuit Belgisch perspectief houdt de binnenlandse belastingplicht (onderwerping aan de personenbelasting) op en de belastingplichtige zal een aangifte in de personenbelasting - aanslagjaar speciaal - moeten indienen. Deze aangifte in de personenbelasting omvat de inkomsten voor de periode van 1 januari van het desbetreffende inkomstenjaar tot en met de datum van overbrenging van de fiscale woonplaats naar Nederland.

Dezelfde regels gelden ook bij de omgekeerde situatie, namelijk wanneer de fiscale woonplaats tijdens een inkomstenjaar van Nederland naar België wordt overgebracht. De belastingplichtige zal met ingang van het moment dat de fiscale woonplaats overgaat onderworpen zijn aan Belgische personenbelasting. Hij dient een aangifte in met daarin de inkomsten voor de periode vanaf de verplaatsing tot en met 31 december van het inkomstenjaar. Als de belastingplichtige na emigratie bronnen van inkomen in Nederland heeft, blijft in Nederland een aangifteplicht bestaan maar dan als buitenlands belastingplichtige.

Wanneer?

Tot en met het aanslagjaar 2017 (inkomstenjaar 2016) was het in bovengenoemde situaties, waarbij in de aangifte slechts inkomsten voor een gedeelte van het inkomstenjaar worden opgenomen, in België mogelijk aanspraak te maken op de volledige belastingvrije sommen, belastingverminderingen en ‑vrijstellingen. Veelal resulteerde dit in een lagere gemiddelde aanslagvoet in België voor het jaar waarin de fiscale woonplaats werd verplaatst. Door recente Belgische regelgeving worden deze fiscale voordelen vanaf het aanslagjaar 2018 (inkomstenjaar 2017) beperkt. Bepaalde voordelen zullen vanaf dit aanslagjaar namelijk alleen nog maar pro rata worden toegekend in plaats van volledig.

Welke fiscale voordelen worden geraakt?

In haar circulaire van 5 februari 2018 geeft de Belgische belastingadministratie een overzicht van de belastingvoordelen die pro rata worden toegekend wanneer het belastbare tijdperk van de belastingplichtige niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar om een andere reden dan overlijden. Het betreft onder andere de volgende voordelen:

  • de basisbedragen van de belastingvrije som;
  • de grensbedragen van het belastbaar inkomen;
  • de verhoging van de belastingvrije som voor handicap, personen ten laste enzovoorts;
  • het bedrag van het huwelijksquotiënt (maximumbedrag van € 10.490);
  • de verschillende inkomensschijven en de maximumbedragen voor de berekening van de forfaitaire beroepskosten;
  • het vrijgestelde maximumbedrag voor de vergoedingen en terugbetaling van reiskosten met betrekking tot het woon-werkverkeer (maximumbedrag van € 390);
  • de vrijgestelde schijf aan inkomsten uit gereglementeerd spaardeposito’s (maximumbedrag van € 1.880).

De pro-ratatoekenning

De pro-rataberekening wordt gebaseerd op het aantal maanden in het belastbare tijdperk. Elke kalendermaand waarvan de 15e dag tot het belastbare tijdperk behoort, telt mee voor een volledige maand. Wanneer een belastingplichtige bijvoorbeeld zijn fiscale woonplaats op 14 mei van Nederland naar België overbrengt, zullen bovenvermelde fiscale voordelen voor 8/12e deel in aanmerking kunnen worden genomen.

 

Carolien van Echelpoel

Naar boven