Inhoud

Naar boven


1. KPMG Belgium-Holland Desk Seminar 2018

Donderdagochtend 11 oktober aanstaande organiseren we in Wolvenbos (België) het jaarlijkse KPMG Belgium-Holland Desk Seminar. Tijdens dit seminar gaan onze specialisten in op de actuele fiscale ontwikkelingen in Nederland en België. Dit jaar worden – in tegenstelling tot voorgaande jaren – acht workshops gehouden. Noteer deze datum alvast in uw agenda! Nadere informatie volgt.

Naar boven


2. Update transfer pricing

Nederland

Nieuw verrekenprijzenbesluit

De Nederlandse staatssecretaris van Financiën heeft op 11 mei 2018 een nieuw verrekenprijzenbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Dit besluit vervangt het verrekenprijzenbesluit van 14 november 2013.

Het nieuwe verrekenprijzenbesluit geeft een nadere invulling aan het arm’s-lengthbeginsel en richt zich met name op aspecten waar de OESO-richtlijnen ruimte laten voor een eigen invulling of waar sprake is van onduidelijkheid. Het geeft onder meer aandacht aan de resultaten van het BEPS-project, dat onder andere als doel heeft om de uitkomsten van transfer pricing te laten aansluiten op waardecreatie binnen een multinational.

De opvallendste wijzigingen ten opzichte van het vorige Nederlandse verrekenprijzenbesluit zetten wij hierna kort uiteen.

Karakterisering (duiding) van transacties en verduidelijking van het proces daaromtrent

Volgens het besluit vormt het door de gelieerde partijen opgestelde contract het uitgangspunt, tenzij het feitelijk gedrag van de partijen daarvan afwijkt. Nieuw in het besluit is de nadruk op de allocatie van risico’s tussen partijen, de controle over deze risico’s en welke partij feitelijk de risico’s draagt. Rekening houdend met een ‘arm’s length’-risicoallocatie kan de karakterisering van de transactie afwijken van hetgeen contractueel is overeengekomen tussen de gelieerde partijen of de uitleg die zij daaraan geven.

Verdere toelichting met betrekking tot de toepassing van verrekenprijsmethoden

De staatssecretaris geeft aan dat in het algemeen de ‘comparable uncontrolled price’-methode (CUP) in de praktijk vaak moeilijk toepasbaar is door een gebrek aan vergelijkbaarheid tussen de interne en de externe transactie. Er wordt erkend dat, mede daarom, in veel gevallen gebruik wordt gemaakt van de ‘transactional-net-marginmethode’ (TNMM) als verrekenprijsmethode. In het nieuwe besluit wordt nadere uitleg over de toepassing van deze methode in specifieke situaties gegeven.

Aandacht voor immateriële activa

Verder wordt in het nieuwe besluit met betrekking tot immateriële activa voor het eerst gesproken van ‘DEMPE-functies’. DEMPE staat voor ‘Development’, ‘Enhancement’, ‘Maintenance’, ‘Protection’ en ‘Exploitation’ van een immaterieel activum. Dit is in lijn met de OESO Transfer Pricing Guidelines 2017. De staatssecretaris geeft daarbij aan dat er op basis van de Nederlandse interpretatie een zwaarder gewicht wordt toegekend aan de functies ‘Development’ en ‘Enhancement’. In het besluit geeft de staatssecretaris ook zijn visie weer op de prijsbepaling van immateriële activa in het geval de waarde hoogst onzeker of moeilijk te bepalen is. Wanneer dat het geval is, zal het standpunt worden ingenomen dat het niet zakelijk is om een vaste prijs toe te passen, maar dat een prijsaanpassingsclausule dient te worden opgenomen. Voor situaties waarin de waarde van immateriële activa moeilijk te bepalen is, kan de vastgestelde verrekenprijs (bijvoorbeeld licenties voor het gebruik van het immaterieel actief) ter discussie worden gesteld indien sprake is van grote afwijkingen tussen de gerealiseerde resultaten en de verwachte resultaten. Volgens de staatssecretaris is daar sprake van indien er een afwijking van 20% of meer is in vergelijking met prognoses die de basis vormden voor de oorspronkelijk vastgestelde verrekenprijs.

Tegemoetkoming voor diensten met beperkte toegevoegde waarde

Ten aanzien van interne diensten met een beperkte toegevoegde waarde mag een vereenvoudigde methode worden toegepast, mits deze diensten van ondersteunende aard zijn in het bedrijfsproces, hiervoor geen unieke of waardevolle immateriële activa worden gebruikt of gecreëerd en deze diensten ook geen relatie hebben tot de significante risico’s die binnen de onderneming worden gelopen. Dergelijke ‘low value-adding intra-group services’ hoeven niet te worden onderbouwd met een uitvoerige vergelijkbaarheidsstudie (benchmark). Met een passende onderbouwing van het type diensten en de gehanteerde allocatiesleutels mogen deze diensten met een beperkte vaste winstopslag van 5% worden doorbelast binnen het concern. Bovendien blijft het mogelijk om bepaalde kosten voor ondersteunende dienstverlening, onder voorwaarden, zonder een winstopslag door te belasten.

Verder bevat het nieuwe besluit tal van tekstuele wijzigingen om de gebruikte terminologie beter te laten aansluiten bij de terminologie zoals gebruikt in de OESO Transfer Pricing Guidelines 2017. Daarnaast bevat het besluit het belangrijke uitgangspunt dat concerns met grensoverschrijdende transacties tussen groepsentiteiten die voldoen aan de aanvullende documentatieverplichtingen zoals het opstellen van een Master File en Local File, daarmee voor de beschreven transacties automatisch voldoen aan de algemene documentatieverplichtingen van het arm’s-lengthbeginsel in artikel 8b Wet Vpb.

Overige ontwikkelingen

Country-by-Country Reporting

Indien een multinationale groep (wederom) voldoet aan de Country-by-Country-Reporting-verplichting (CbCR-) in het fiscale boekjaar 2017 en het fiscale boekjaar 2018, zal de CbCR-notificatie uiterlijk op de laatste dag van het boekjaar van de multinationale groep (lokaal) moeten worden ingediend (31 december 2018 indien boekjaar 2018 van de multinationale groep gelijk is aan het kalenderjaar). Het CbCR-rapport zal dan uiterlijk een jaar later moeten worden ingediend. Indien niet wordt voldaan aan de (Nederlandse) CbCR-verplichtingen, kan dit gepaard gaan met een mogelijke geldboete van ten hoogste € 820.000 of een gevangenisstraf van maximaal vier jaar.

Master File en Local File

Nadat afgelopen periode veel belastingplichtigen bezig zijn geweest met de Master File/Local File-documentatieverplichtingen voor het boekjaar 2016, dienen ook voor het boekjaar 2017 de Master File en Local File (wederom) te worden opgesteld. Zoals bekend moeten in Nederland de Master File en Local File over het betreffende jaar beschikbaar zijn in de administratie van de belastingplichtige voordat de periode voor het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2017 is geëindigd. Indien het boekjaar geëindigd is op 31 december 2017, zal de documentatie doorgaans beschikbaar moeten zijn voor 1 mei 2019 (indien de uitstelregeling van toepassing is). De Master File en Local File hoeven niet met de Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting te worden ingediend, maar moeten op verzoek van de Nederlandse belastingdienst worden overhandigd. Ten slotte moet worden opgemerkt dat het niet beschikbaar hebben van de Master File en/of Local File kan leiden tot omkering van de bewijslast.

België

Country-by-Country Reporting

In beginsel moet vóór jaareinde van ieder groepsboekjaar aan de notificaties zijn voldaan, maar voor het boekjaar 2016 gold een uitgestelde deadline tot 30 september 2017. Bovendien werd er voor boekjaar 2017 wederom uitstel verleend tot 31 maart 2018. Er wordt geen verder uitstel verwacht voor boekjaar 2018. Dit betekent dat de notificatie voor boekjaar 2018 zal moeten ingediend worden voor einde van groepsboekjaar, wat voor de meeste bedrijven (met een boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar) neerkomt op 31 december 2018. In België kunnen er vanaf de tweede overtreding ook boetes worden opgelegd voor het niet naleven van de verplichtingen inzake verrekenprijzen. Deze administratieve boetes kunnen oplopen tot EUR 25.000. Er wordt hieromtrent nog een circulaire verwacht met praktische richtlijnen.

Master File en Local File

Voor België geldt dat het Master File formulier ingediend moet worden bij de belastingautoriteiten binnen de 12 maanden na het einde van het boekjaar. Het Local File formulier dient simultaan te worden ingediend met de vennootschapsbelasting aangifte. In praktijk valt deze deadline vaak op het einde van september van het volgende jaar, voor boekjaren die eindigen op 31 december; Voor het boekjaar eindigend op 31 december 2017 is de deadline gezet op 27 september 2018. Hoewel er geen formele verplichting is om de Local File (rapport) in te dienen, is het aangeraden om deze beschikbaar te houden, indien er materiele intra-groep transacties zijn waarbij de Belgische entiteit betrokken is.

Wijze van indiening

De indiening van het Country-by-Country notificatie formulier, Master File formulier en Local File formulier dient te gebeuren op het elektronisch platform via het uploaden van een xml. document. Een conversie-tool voor Excel naar xml. bestanden werd al voorzien door de Belgische belastingautoriteiten voor het Master File formulier en Country-by-Country notificatie formulier, maar helaas is dit nog niet het geval voor het Local File formulier. Er wordt verwacht dat de conversie tool voor het Local File formulier beschikbaar zal worden gesteld in de loop van de komende weken.

Frequently asked questions

Midden mei werd de “Frequently Asked Questions” gepubliceerd, deze bevat verduidelijkingen omtrent bijvoorbeeld joint-ventures, materialiteitsgrens, kredietinstellingen en verzekeraars, etcetera. Dit document treft u hier.

Tim Bruins en Véronique Slachmuylders

Naar boven


3. Nieuw Belgisch mechanisme ter compensatie van betaalde belasting wanneer aandelenopties onder water zijn

De Belgische Aandelenoptiewet van 26 maart 1999 voorziet dat aandelenopties die schriftelijk aangeboden worden en schriftelijk aanvaard zijn binnen de 60 dagen volgend op het aanbod belastbaar zijn bij toekenning. De inkomstenbelasting betaald bij de toekenning is een finale kost, ongeacht of de aandelenopties later ook effectief uitgeoefend worden. Een recente ruling staat nu toe dat de werkgever de belasting die bij toekenning verschuldigd is, belastingvrij kan vergoeden aan de werknemer indien deze verlies zou maken bij de uitoefening van de aandelenopties.

Achtergrond

Internationale ondernemingen hebben opgemerkt dat de aanvaardingsgraad van aandelenopties in België opmerkelijk lager was dan het wereldwijd gemiddelde. In de meeste gevallen was dit omdat werknemers niet bereid waren om belasting te betalen bij de toekenning van de opties en het riscico te lopen deze bij toekenning betaalde belasting niet te kunnen recupereren wanneer de opties bij uitoefening onder water zijn (d.w.z. als de uitoefenprijs hoger is dan de waarde van het aandeel). De recente ruling staat de werkgever toe de werknemer een bedrag, gelijk aan het bedrag dat bij toekenning is betaald aan belasting, terug te betalen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft op vlak van Belgische inkomstenbelasting. 

Forfaitaire waarderingsmethode

De Aandelenoptiewet voorziet in een forfaitaire waarderingsmethode om het belastbaar voordeel te bepalen van aandelenopties die schriftelijk werden aanvaard binnen de 60 dagen volgend op een schriftelijk aanbod. Het voordeel van alle aard is in beginsel 18 % van de onderliggende waarde van de aandelen op het moment van het aanbod. Voor aandelenopties met een looptijd langer dan 5 jaar, wordt er één procent toegevoegd voor ieder bijkomstig jaar of deel van een jaar. Dit betekent bijvoorbeeld dat het voordeel van alle aard van aandelenopties met een tijdswaarde van 10 jaar gewaardeerd moet worden aan 23% (18% + 5%) van de onderliggende waarde van de opties op het moment van het aanbod.

Deze percentages kunnen gehalveerd worden indien bepaalde voorwaarden vervuld zijn. In de meeste gevallen voldoen opties op aandelen van de werkgever of het moederbedrijf aan deze voorwaarden.

Indien de uitoefenprijs van de aandelenopties lager is dan de werkelijke waarde van de aandelen op het ogenblik van de toekenning (opties “in the money”), wordt dit verschil toegevoegd aan de belastbare basis.

De Aandelenoptiewet bepaalt ook dat de optiehouder belast wordt op ieder zeker voordeel met betrekking tot de aandelenopties. Een zeker voordeel is een voordeel dat gerelateerd is aan het aanbod van de aandelenopties maar niet aan de waarde van de onderliggende aandelen. Een voorbeeld van een zeker voordeel is een belofte van de werkgever om de aandelen die via de uitoefening van de optie werden verkregen tegen een prijs 10% boven de uitoefenprijs terug te kopen.

Terugbetaling van belasting door werkgever

De Rulingcommissie heeft nu bevestigd dat de terugbetaling door de werkgever van de belasting op de toekenning van aandelenopties een zeker voordeel is. Maar de Rulingcommissie voegt eraan toe dat er geen inkomstenbelasting verschuldigd is zolang het bedrag van de terugbetaling lager is dan het oorspronkelijk forfaitair belastbaar voordeel.

Deze ruling bevestigt eveneens dat de terugbetaling een aftrekbare kost is in de vennootschapsbelasting en dat de werkgever deze betaling niet moet rapporteren op een fiscale fiche.

Anti-misbruik bepaling buiten spel

In de ruling wordt eveneens aandacht besteed aan de toepassing van de algemene fiscale anti-misbruik bepaling. De Rulingcommissie besluit dat de reden voor de cashbetaling, namelijk het verhogen van de aanvaardingsgraad van aandelenopties, een voldoende argument is om de anti-misbruik bepaling buiten spel te zetten.

Draagwijdte van de ruling

Een ruling is enkel bindend voor degene die de ruling heeft aangevraagd. Bijgevolg is deze ruling geen afdwingbaar precedent voor anderen. De Rulingcommissie zal echter belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden, op dezelfde manier behandelen. Dit betekent dat de Rulingcommissie een gelijkaardige ruling zal afleveren voor andere bedrijven die onder dezelfde voorwaarden opereren. De argumenten om dit nieuw mechanisme toe te passen, zullen bepalend zijn om een gelijkaardige ruling te verkrijgen.

Problematiek grensoverschrijdende arbeid

Op basis van Nederlandse loonbelastingwetgeving zijn aandelenopties - in tegenstelling tot de Belgische regelgeving - in principe belast op het moment van uitoefening. Vervolgens dient in grensoverschrijdende situaties bepaald te worden over welk gedeelte van het voordeel Nederland belasting mag heffen. De allocatie van het heffingsrecht over het belastbaar voordeel uit voorwaardelijk toegekende aandelenopties volgt de allocatie van het reguliere loon in de periode van toekenning tot het moment dat de aandelenoptie onvoorwaardelijk wordt (periode “grant-vest”).

In situaties van grensoverschrijdende arbeid tussen België en Nederland zou door de uiteenlopende regelgeving sprake kunnen zijn van dubbele belastingheffing. Voor een inwoner van Nederland heeft de compensatie van betaalde Belgische belasting door de werkgever in Nederland mogelijk wel fiscale gevolgen. Indien u tegen dergelijke problematiek aanloopt zijn wij uiteraard graag bereid om hier nader over te adviseren. 

Carolien van Echelpoel en Esther Schutte

Naar boven


4. Update Nederlandse staatssecretaris over implementatie ATAD1 en wijzigingen van fiscale eenheid

Eerder berichtten wij u over de fiscale toekomstplannen van de Nederlandse staatssecretaris van Financiën. Op 9 mei jongstleden heeft hij deze plannen in een brief aan de Eerste en Tweede Kamer nader toegelicht. Hierna gaan wij in op de belangrijkste opmerkingen over de eerste Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD1) en de toekomst van de Nederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Een uitgebreidere toelichting vindt u hier.

ATAD1

ATAD1 betreft onder meer de 30%-EBITDA-renteaftrekbeperking (‘earningsstripping’) en de maatregelen ten aanzien van laagbelaste gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (Controlled Foreign Companies, CFC’s).

De brief bevat weinig nieuws over bovengenoemde renteaftrekbeperking. De staatssecretaris houdt – ondanks de ruimere mogelijkheden op basis van de richtlijn – vast aan de drempel van € 1 miljoen en is niet voornemens een groepsuitzondering op te nemen.

Ten aanzien van CFC’s kunnen landen op basis van de richtlijn kiezen tussen model A en model B. De staatssecretaris geeft aan dat voor CFC’s in ‘low tax jurisdictions’ met onvoldoende substance model A zal worden toegepast. Dit betekent dat Nederland de passieve inkomsten (rente, royalty’s, etc.) van dergelijke CFC’s onder voorwaarden zal belasten bij de (indirecte) Nederlandse corporate aandeelhouder.

Fiscale eenheid

In de februari-editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over het arrest van het Europese Hof van Justitie  (HvJ EU) over de per-elementbenadering. De staatssecretaris kondigde al direct na de conclusie van de advocaat-generaal (A-G) van het HvJ EU spoedreparatiemaatregelen aan, kwam reeds met een overgangsregeling en publiceerde op 6 juni 2018 het wetsvoorstel. De inhoud daarvan is in lijn met de eerder gepresenteerde voorstellen en houdt, kort gezegd, in dat een aantal specifieke regelingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 – wordt toegepast alsof geen sprake is van een fiscale eenheid.

De staatssecretaris gaat in zijn brief ook in op de toekomst van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime. Hij geeft aan dat het voor de hand ligt om aan te sluiten bij bestaande concernregelingen in andere landen, dat als eerste stap in de eerste helft van 2019 een internetconsultatie zal worden opgestart en dat hij voornemens is voor het einde van deze kabinetsperiode een definitief wetsvoorstel te publiceren. Ondertussen is de A-G bij de Hoge Raad – die nog een eindoordeel moet vellen over de zaak met inachtneming van het arrest van het HvJ EU – met een nadere conclusie gekomen waarin hij stelt dat de Hoge Raad de verkeerde prejudiciële vraag heeft gesteld, zodat het antwoord van het HvJ EU onbruikbaar is. Niettemin zou de Hoge Raad uit andere jurisprudentie van het HvJ EU al kunnen afleiden hoe het antwoord op de juiste vraag zou hebben geluid. De A-G stelt dat artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet in strijd is met EU-recht, maar voor de overige regelingen kan dat nog steeds anders liggen. Wij concluderen uit het voorgaande dat de aanpassing van het huidige regime, inclusief de toepassing van de per-elementbenadering voor specifieke bepalingen, nog wel enkele jaren zal duren. Wij houden u uiteraard op de hoogte. 

Rabiye Inan en Mark Foesenek

Naar boven


5. Online kans- en geldspelen opnieuw vrijgesteld van Belgische btw

De invoering van btw over online kans- en geldspelen (andere dan loterijen) in België wordt opgeheven.

Achtergrond

Historisch werden alle kans- en geldspelen vrijgesteld van Belgische btw. De btw-vrijstelling was ingegeven door praktische redenen, gezien de moeilijkheid om de belastinggrondslag te bepalen. Het was volgens de Belgische wetgever efficiënter om ze aan ‘speciale’ belastingen te onderwerpen. En die ‘speciale’ belasting is de belasting op de spelen en weddenschappen.

Echter, de Belgische btw-administratie heeft daar in 2016 anders over beslist. Sinds 1 juli 2016 werden online kans- en geldspelen niet langer vrijgesteld van Belgische btw, maar belast met 21% btw. ‘Offline’ kans- en geldspelen alsmede loterijen bleven daarentegen wel vrijgesteld van Belgische btw.

De invoering van 21% btw op online kans- en geldspelen zorgde voor commotie en verschillende aanbieders van online gokspelen en weddenschappen en de Waalse regering stapten naar het Grondwettelijk Hof om de inperking van de vrijstelling voor kans- en geldspelen op te heffen.

Uitspraak Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof heeft in bovengenoemde procedure geoordeeld dat de federale wetgever buiten haar bevoegdheden is getreden en op het terrein van de deelstaten is gekomen. Volgens het Grondwettelijk Hof moet daarom de btw-regeling voor online kansspelen worden vernietigd.

Op 22 mei 2018 werd het arrest gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Bijgevolg zijn de online kans- en geldspelen sinds 22 mei 2018 opnieuw vrijgesteld van btw.

Op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën staat te lezen dat zij binnenkort een nieuwe circulaire publiceert die de gevolgen van dit arrest toelicht.

De gevolgen

De gevolgen van de bovenstaande vernietiging voor belastingplichtigen zijn meerledig: enerzijds hoeven zij geen btw meer af te dragen, anderzijds verliezen ze het recht op aftrek van btw over de kosten die betrekking hebben op de online weddenschappen en spelen. Daarnaast dienen zij op basis van de herzieningsregeling mogelijk eerder in aftrek gebrachte btw te corrigeren.

Tot slot merken wij op dat kansspelen – online of niet – in Nederland zijn vrijgesteld van btw en dat derhalve de voorbelasting over kosten zoals aangekochte prijzen in Nederland niet kan worden teruggevorderd. 

Gladys Cristiaensen

Naar boven


6. De Vlaamse Belastingdienst op de vingers getikt door de Raad van State

In navolging van de regionalisering van de Belgische fiscaliteit, heeft de Vlaamse belastingdienst (Vlabel) sinds 1 januari 2015 de bevoegdheid inzake de inning van Vlaamse registratie – en erfbelasting overgenomen van de Belgische Federale overheid. Sindsdien neemt zij stelling in omtrent de (volgens haar) correcte interpretatie en invulling van de toepasselijke regelgeving.

De Raad van State heeft op 12 juni 2018 één van de Vlabel-standpunten inzake de zogenaamde “gesplitste inschrijving” teruggefloten. Het standpunt van de Vlabel maakte het sedert 2016 onmogelijk om aandelen, effecten of liquide middelen met voorbehoud van vruchtgebruik (onbelast, met inachtneming van de 3-jaarstermijn) te schenken voor een Nederlandse notaris. De tussenkomst van een Belgische notaris (met betaling van Belgische schenkbelasting van 3 of 7%) werd een ‘must’. Dit standpunt is nu door de Raad van State verworpen.

De Vlaamse wetgeving voorziet in een fictie waarbij effecten of geldbeleggingen waarvan het vruchtgebruik werd ingeschreven op naam van de erflater en de blote eigendom op naam van een derde (bijvoorbeeld het kind) voor de berekening van de verschuldigde erfbelasting worden geacht in volle eigendom tot de nalatenschap van de erflater te behoren. Hierdoor is op het moment van overlijden van de erflater erfbelasting verschuldigd over de waarde van het vruchtgebruik dat door de erflater werd behouden. De successierechten hierover kunnen worden vermeden. De wet bepaalt immers dat de blote eigenaar (bijvoorbeeld het kind) deze fictie kan weerleggen door te bewijzen dat er geen “bedekte bevoordeling” heeft plaatsgevonden. De Vlabel nam echter de stelling in dat een voorafgaande schenking bij gesplitste inschrijvingen enkel als bedekte bevoordeling wordt aanvaard wanneer deze schenking werd onderworpen aan de heffing van de (Vlaamse) schenkbelasting van 3 of 7%.

Consequenties voor Belgische ingezetenen

Belgische ingezetenen konden nog steeds in Nederland een schenking doen met voorbehoud van vruchtgebruik, maar dit had geen fiscaal voordeel meer. De gedane schenking werd namelijk door de Vlabel fiscaal genegeerd.

De Vlabel trok haar visie door naar structuren, waarbij anders middels een Burgerlijke Maatschap een vinger aan de pols konden houden na een schenking. De Vlabel stelde namelijk dat bij overlijden van de erflater niet enkel deze activa doch ook de inkomsten (intresten, dividenden) die binnen de Burgerlijke Maatschap werden gereserveerd, met erfbelasting zouden belast worden.

Uitspraak Raad van State

De Raad van State heeft het ganse standpunt van de Vlabel vernietigd, omdat deze onwettelijk is. Dit betekent concreet dat de zogenaamde “kaasroute” voor schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik van effecten en geldbeleggingen (al dan niet via een burgerlijke maatschap) opnieuw kan worden gevolgd. Er zal in dat geval geen erfbelasting verschuldigd zijn indien de schenker minstens drie jaar na de schenking blijft leven.

De Vlabel heeft aangegeven mogelijke consequenties en beleidsopties te gaan onderzoeken. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat er een wetsvoorstel komt om de regelgeving aan te passen.

Kizzy Wandelaer

Naar boven


7. Verhoging verlaagde btw-tarief Nederland van 6% naar 9%

Het algemene btw-tarief in Nederland is 21%. Bepaalde leveringen van goederen en diensten zijn belast tegen het verlaagde btw-tarief van 6%. Het kabinet is van plan om dit verlaagde btw-tarief met ingang van 1 januari 2019 te verhogen naar 9%. Deze btw-verhoging zal worden opgenomen in het Belastingplan 2019, dat op Prinsjesdag in september van dit jaar openbaar wordt. In deze bijdrage beantwoorden wij de vraag wat de gevolgen hiervan zijn voor transacties die in 2018 zijn verricht en pas in 2019 worden gefactureerd en de vraag of een tariefsvoordeel kan worden behaald als facturen in 2018 worden uitgereikt. 

Eerdere tariefsverhoging

In 2012 werd het algemene Nederlandse btw-tarief van 19% verhoogd naar 21%. Bij deze verhoging werden specifieke overgangsregelingen gehanteerd voor leveringen en diensten die werden vooruitbetaald voor invoering van het nieuwe tarief, maar die pas na invoering van het nieuwe tarief feitelijk plaatsvonden. Dat leidde tot complexe en administratief gezien lastige situaties. 

Soepelere overgangsregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft op 8 juni 2018 aangekondigd om bij de komende btw-tariefsverhoging voor een andere benadering te kiezen. Hij heeft aangegeven ondernemers tegemoet te willen komen door het verschil van 3-procentpunt btw bij leveringen en diensten die in 2019 plaatsvinden maar in 2018 worden gefactureerd/vooruitbetaald, niet na te heffen. Volgens een nieuwsbericht op de website van de Rijksoverheid geldt de tegemoetkoming voor alle goederen en diensten die onder het verlaagde btw-tarief vallen. 

Voorbeelduitwerking overgangsregeling

In september 2018 verkoopt een ondernemer kaartjes voor een concert dat in 2019 plaatsvindt. Omdat het concert in 2019 plaatsvindt, is in beginsel het btw-tarief van 9% van toepassing. De staatssecretaris heeft echter aangekondigd dat de Belastingdienst geen btw zal naheffen op prestaties die in 2018 betaald zijn maar pas in 2019 zullen plaatsvinden. Het effectieve btw-tarief blijft hierdoor 6%. 

Wat te doen?

Naast de hierboven beschreven mogelijkheden leidt een verhoging van het btw-tarief tot een aantal praktische punten om rekening mee te houden. Zo dient het ERP-systeem te worden aangepast, moeten facturen worden gewijzigd en zal bij onderhandelingen over prijzen rekening moeten worden gehouden met het verhoogde btw-tarief in 2019. Hoewel de exacte overgangsregeling nog niet bekend is, raden wij u aan om u nu alvast voor te bereiden op de geplande btw-verhoging. 

Marieke Herber

Naar boven


8. Bijkomende formaliteiten voor Belgische burgerlijke maatschappen

Op 27 april 2018 werd de wet van 15 april 2018 houdende de hervorming van het ondernemingsrecht in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Met deze wet wordt o.a. de definitie van het begrip ‘onderneming’ gewijzigd en wordt het onderscheid tussen handelsvennootschappen en zogenaamde “burgerlijke” vennootschappen afgeschaft. Eén van de gevolgen van deze wijziging is dat burgerlijke maatschappen vanaf nu ook als ondernemingen gezien worden en dus ook verplicht ingeschreven moeten worden in de Kruispuntbank van Ondernemingen (hierna: “KBO”).

Elke maatschap die wordt opgericht met ingang van 1 november 2018 zal zich voorafgaandelijk aan het uitoefenen van haar activiteiten moeten inschrijven in de KBO. Voor bestaande maatschappen wordt in een overgangsperiode tot en met 30 april 2019 voorzien (hoewel de mogelijkheid is opgenomen in de wet om deze periode in te korten via Koninklijk Besluit).

Naast de verplichte inschrijving in de KBO zullen nieuw opgerichte maatschappen vanaf 1 november 2018 tevens boekhoudplichtig worden en een (dubbele) boekhouding moeten voeren. Ook hier geldt dat bestaande burgerlijke maatschappen extra tijd krijgen en deze verplichting voor hen pas in werking treedt vanaf het eerste volledige boekjaar dat na 30 april 2019 aanvangt.

Ter illustratie: als het boekjaar samenloopt met het kalenderjaar, zal de maatschap pas over het boekjaar 2020 een dubbele boekhouding moeten voeren (ook hier geldt echter dat de inwerkingtreding van deze maatregel alsnog via een Koninklijk Besluit kan vervroegd worden).

Onder bepaalde voorwaarden (met name wanneer de omzet bepaalde criteria niet overschrijdt, zal de maatschap een vereenvoudigde boekhouding kunnen voeren (en zal er enkel een aankoop-, en verkoopboek, een financieel dagboek en een inventarisboek moeten worden bijgehouden).

In tegenstelling tot andere vennootschappen dienen maatschappen vooralsnog hun jaarrekening niet neer te leggen of te publiceren.

Tenslotte zal een maatschap voortaan gedurende 7 jaar ook haar boekhouding en de daarbij horende verantwoordingsstukken moeten bewaren. 

Ilke Vandenbroek

Naar boven


9. Nieuwe Belgische circulaire omtrent aftrek ‘pro rata temporis’ van vooruitbetaalde beroepskosten

Met een circulaire van 10 april 2018 heeft de fiscale administratie wat meer klaarheid trachten te scheppen omtrent de nieuwe regeling waarbij voor vennootschappen de fiscale aftrek van beroepskosten die eveneens betrekking hebben op latere boekjaren enkel nog ‘pro rata temporis’ wordt toegestaan. Aanleiding voor deze nieuwe regelgeving, die een onderdeel is van de hervorming van de vennootschapsbelasting, is het veelvuldig gebruik van de onmiddellijke aftrek van zulke kosten als fiscale planningstechniek. Voormelde circulaire laat echter na om het toepassingsgebied van de regeling te verduidelijken wanneer er geen sprake is van fiscale planning.

In wat volgt geven wij u kort een opfrissing van de algemene (fiscale en boekhoudkundige) Belgische regels omtrent de aftrek van beroepskosten, gevolgd door een samenvatting van de inhoud van de nieuwe circulaire en de vragen die de administratie hiermee al dan niet beantwoordt.

Aftrekbaarheid van beroepskosten: spelregels

Vanuit fiscaal oogpunt zijn de kosten die gemaakt zijn om inkomsten te verkrijgen of te behouden aftrekbaar als beroepskost. Wanneer deze kosten daadwerkelijk zijn betaald of gedragen (of het karakter van zekere en vaststaande schuld of verlies hebben verkregen en bijgevolg ook zo zijn geboekt) in een bepaald belastbaar tijdperk, zijn ze ook aftrekbaar in dat belastbaar tijdperk. Op die manier wordt het mogelijk om het resultaat van het belastbaar tijdperk in kwestie te verlagen met kosten die eigenlijk betrekking hebben op een later belastbaar tijdperk, hetgeen een populaire planningsmethode is.

Boekhoudkundig is dit enigszins anders. Vanuit boekhoudkundig perspectief wordt er namelijk gebruik gemaakt van overlopende rekeningen om vooruitbetaalde kosten over te dragen naar een volgend boekjaar. We kunnen dus spreken van discrepantie tussen fiscaal recht en boekhoudrecht op het gebied van de behandeling van vooruitbetaalde kosten. Met de nieuwe ‘pro rata temporis’-regeling tracht de wetgever hier een mouw aan te passen.

Voortaan aftrekbaarheid ‘pro rata temporis’

De hervorming van de vennootschapsbelasting bracht immers het nieuwe artikel 195/1 WIB met zich mee, dat stelt dat “de kosten die werkelijk zijn betaald of gedragen, of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt in het belastbare tijdperk, en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk, […] slechts als beroepskosten aftrekbaar [zijn] in het belastbare tijdperk waarin ze ofwel zijn betaald of gedragen, ofwel als schuld zijn geboekt, alsmede in de volgende belastbare tijdperken, in verhouding tot het gedeelte van die kosten dat betrekking heeft op dat belastbare tijdperk”.

Met andere woorden: kosten die gedragen worden in het huidige boekjaar, maar die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een volgend boekjaar, kunnen slechts in het huidige boekjaar als beroepskost worden afgetrokken ten belope van het gedeelte dat daadwerkelijk betrekking heeft op het huidige boekjaar.

Vooruitbetaling van kosten zonder “planningsintentie”

Gezien de intentie van de nieuwe regeling (namelijk de toepassing van het matching principle ‘in fiscalibus’ ter verhindering van bepaalde planningstechnieken), rijst de vraag wat de behandeling moet zijn van vooruitbetaalde kosten die gedeeltelijk betrekking hebben op het lopende boekjaar en die gemaakt zijn zonder de intentie om aan fiscale optimalisatie te doen (zoals bijvoorbeeld verzekeringspremies voor bedrijfswagens waarvan de vervaltijd niet samenvalt met het boekjaar).

De tekst van de wet is duidelijk, en heeft het over “kosten […] die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig belastbaar tijdperk”. Helaas laat de circulaire na om hier een zekere duiding of nuance aan te geven voor gevallen die niet fiscaal geïnspireerd zijn. Het lijkt er dus vooralsnog op dat in de praktijk ook voor deze gevallen rekening zal moeten gehouden worden met de nieuwe regeling.

Het feit dat er in de parlementaire voorbereiding en de circulaire enkel wordt gefocust op voorbeelden waarbij de belastingbetaler kosten vooruitbetaalt in het lopende boekjaar die volledig gerelateerd zijn aan een volgend boekjaar (en daarenboven louter handelt vanuit fiscale motieven), leek de deur op een kier te laten voor administratieve tolerantie voor gevallen waar dit niet zo is. Echter, heeft de Minister van Financiën in een antwoord op een Parlementaire Vraag dd. 22 mei 2018 geantwoord dat hij het niet opportuun acht om in bepaalde gevallen van het matchingprincipe af te wijken en in administratieve toleranties te gaan voorzien, ongeacht of één en ander al dan niet kadert in een fiscale planning. De Minister van Financiën bevestigt dat de hervorming van de vennootschapsbelasting voorziet dat vennootschappen verplicht zijn om ook op fiscaal vlak het boekhoudkundige matchingprincipe, toe te passen voor de aftrek van beroepskosten. De bepaling heeft een algemene draagwijdte en wordt – zo stelt de Minister - niet beperkt tot de loutere planningstechnieken.

Voor de volledigheid merken wij nog op dat in Nederland het matchingsbeginsel onderdeel is van de ‘reguliere’ bedrijfseconomische en fiscale winstbepalingsregels. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen gevallen die wel of niet gericht zijn op fiscale planning.

Voor verdere informatie, kan u terecht bij ons team van experten. 

Robrecht Tits

Naar boven