Inhoud

Naar boven


1. Dividenduitkering door Nederland terecht aangemerkt als ab-inkomen?

Een natuurlijk persoon die sinds 1990 niet meer in Nederland woonde, hield tot zijn overlijden alle aandelen in een holding. Deze holding hield indirect alle aandelen in verschillende vennootschappen die sinds 2010 in Luxemburg zijn gevestigd. Een van deze Luxemburgse vennootschappen, een in 2010 van Nederland naar Luxemburg verplaatste vennootschap (‘X BV’), houdt onder meer 51% van de aandelen in een Nederlandse holding. Deze holding is de moedervennootschap van een Nederlandse fiscale eenheid vennootschapsbelasting, die na verkoop van de belangrijkste actieve ondernemingen gedurende een aantal jaren in een afwikkelfase verkeert.

Op enig moment keert bovengenoemde holding een dividend uit aan X BV. De Nederlandse inspecteur kwalificeert deze dividenduitkering op grond van artikel 17, lid 3, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (‘Wet Vpb’) als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en stelt dat, rekening houdend met het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg, X BV over de dividenduitkering 2,5% Nederlandse vennootschapsbelasting is verschuldigd.

In geschil is de heffing van vennootschapsbelasting over de dividenduitkering bij X BV. Artikel 17, lid 3, onderdeel b Wet Vpb is een antimisbruikbepaling. X BV stelt terecht dat voor heffing op grond van deze bepaling onder meer vereist is dat X BV haar aanmerkelijk belang in de Nederlandse holding houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan. Daarnaast stelt belanghebbende dat – indien artikel 17, lid 3, onderdeel b Wet Vpb van toepassing is – heffing over het dividend (i) wordt verhinderd door de werking van de Europese Moeder-dochterrichtlijn dan wel (ii) in strijd is met de Europese vrijheid van vestiging.

De rechtbank stelde eerder dat geen sprake was van ‘ontgaan’ als bedoeld in artikel 17, lid 3, onderdeel b Wet Vpb en verminderde de aan X BV opgelegde aanslag naar nihil. De overige geschilpunten kwamen bij de rechtbank niet aan de orde.

Gerechtshof Den Haag oordeelde recentelijk echter anders. Het stelt dat het ontgaansmotief doorlopend dient te worden getoetst (steeds op het moment dat er een voordeel uit het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt) en dat de inspecteur er in casu in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een ontgaansmotief.

Het gerechtshof acht bovendien aannemelijk dat in casu sprake is van een 'volstrekt kunstmatige constructie' en – omdat X BV geen relevante functie had binnen het concern – dat het belang van X BV niet tot X BV’s ondernemingsvermogen behoort.

Inmiddels is tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie aangetekend. Omdat de redenering en onderbouwing van het gerechtshof enigszins op gespannen voet lijken te staan met de (gelijkluidende) criteria voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling en het Europese Hof van Justitie in een arrest van 20 december 2017 ‘volstrekt kunstmatige constructie’ nog eens beperkt uitlegde, zijn wij erg benieuwd naar het oordeel van de Hoge Raad en wachten wij dit met grote belangstelling af. Ondertussen adviseren wij u bestaande structuren te beoordelen. Indien de Hoge Raad artikel 17, lid 3, onderdeel b Wet Vpb in casu inderdaad van toepassing verklaart, is het toepassingsbereik van deze bepaling mogelijk breder dan eerder gedacht en kan dit leiden tot heffing van vennootschapsbelasting in situaties waarin dit eerder niet werd voorzien. 

Paul te Boekhorst en Mark Foesenek

Naar boven


2. Uitfaseren van pensioen in eigen beheer door een Nederbelg

In onze nieuwsbrief van oktober 2017 informeerden wij u over de stand van zaken met betrekking tot de Belgische fiscale visie omtrent het uitfaseren van een Nederlands pensioen in eigen beheer gehouden door een inwoner van België. Op dat moment was officieel nog slechts bekend dat er voor het einde van het jaar een circulaire (beleidsbesluit) zou worden uitgebracht door het Belgische ministerie van Financiën. Wij signaleerden dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat België slechts een vrijstelling met progressievoorbehoud geeft voor dat deel van de afkoopsom dat door Nederland effectief wordt belast. Op zichzelf is dit in lijn met het standpunt dat in een eerdere circulaire uit 2004 werd gepubliceerd.

De langverwachte circulaire is inmiddels verschenen en de Belgische administratie blijkt het hiervoor vermelde uitgangspunt inderdaad te willen hanteren. België stelt het bedrag van de korting niet vrij. Dat is jammer, want dit maakt de afkoop van pensioen in eigen beheer minder aantrekkelijk voor de directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) die in België woont.

In de circulaire wordt ook ingegaan op de internrechtelijke Belgische kwalificatie die wordt verbonden aan een dergelijke afkoop. Het maakt verschil of de dga op afkoopdatum al dan niet nog een opdracht als bestuurder of zaakvoerder heeft ‘binnen de vennootschap uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd’. Is dit het geval, dan is de afkoopsom progressief belast. Is dit niet het geval, dan is sprake van een ‘gratis kapitaal’ (een pensioen dat wordt geacht niet te zijn gevormd door voorafgaande stortingen). Een gratis kapitaal is belastbaar tegen een tarief van 16,5% (of lager, wanneer het stelsel van de ‘volledige samentelling van inkomsten’ voordeliger is) in de volgende gevallen:

  • wanneer sprake is van daadwerkelijke en definitieve pensionering en het kapitaal wordt uitgekeerd op de normale pensioendatum of ten hoogste vijf jaar eerder;
  • wanneer het kapitaal wordt uitbetaald aan een rechtverkrijgende, als gevolg van het overlijden van de dga.

Wordt niet aan de bovengenoemde voorwaarden voldaan, dan blijft het Belgische progressieve tarief van toepassing.

Daarnaast wordt in de circulaire kort ingegaan op omzetting van het pensioen in eigen beheer in een oudedagsverplichting (‘ODV’). Daarbij valt op dat de tekst enkele onnauwkeurigheden en omissies bevat. Zo is de AOW‑gerechtigde leeftijd niet voor iedereen 67 jaar. De AOW-leeftijd kan in stapjes van drie maanden omhoog gaan. De feitelijke AOW-leeftijd is afhankelijk van het leeftijdscohort waar men in zit. Ook wordt niet vermeld dat de uitkeringen uit de ODV maximaal vijf jaar eerder mogen ingaan dan het moment dat de AOW-leeftijd wordt bereikt (met een navenante stijging van de uitkeringsduur). Evenmin wordt aangegeven dat de uitkeringsduur van twintig jaar wordt verminderd met de tijd die is verstreken tussen het bereiken van de AOW-leeftijd en de ingangsdatum van de ODV. Tot slot blijft de systematiek van het zogenoemde gemiddelde U-rendement onbesproken en wordt ten onrechte gesteld dat de uitkeringen uit de ODV gelijkmatig zijn.

In bovengenoemde eerdere versie van deze nieuwsbrief signaleerden wij dat een heikel punt is hoe België de omzetting in een oudedagsverplichting fiscaal behandelt. In de uitgekomen circulaire staat onder punt 19: “De verdragsrechtelijke en internrechtelijke behandeling van een omzetting in een ODV zal in een later addendum verder besproken worden.” Kennelijk is de Belgische visie nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Wij blijven bij onze conclusie dat het te riskant is om de beslissing tot omzetting in een ODV te nemen zonder dat de fiscale gevolgen in België exact bekend zijn. Om te beoordelen of afkoop financieel aantrekkelijk kan zijn, zal er nog steeds moeten worden gerekend! Het gaat hier om maatwerk.

Marlies Kastelein en Mark Foesenek

Naar boven


3. Belgische Limosa-aangifte: nieuwe vermeldingen

Niet-Belgische werkgevers die tijdelijk een of meerdere werknemers detacheren of tewerkstellen in België zonder toepassing van Belgische sociale zekerheid, moeten de Belgische overheid daarvan op de hoogte brengen voor zij hun activiteiten beginnen.

Deze verplichte melding, die ‘Limosa’ werd gedoopt, dient al jaren via een webapplicatie te gebeuren. Ingevolge nieuwe Europese regelgeving moet de Limosa-aangifte vanaf 1 oktober 2017 bijkomende vermeldingen bevatten bij detachering van werknemers naar België. De belangrijkste nieuwigheden betreffen:

  • de verplichting voor de buitenlandse werkgever om een ‘verbindingspersoon’ aan te duiden;
    • de verbindingspersoon, een natuurlijk persoon, verzekert (voor rekening van de werkgever) de nodige contacten met de controle-ambtenaren. In dit kader kan de verbindingspersoon ook worden benaderd door de betrokken ambtenaren om elk sociaal document of advies te bezorgen of in ontvangst te nemen dat betrekking heeft op de tewerkstelling van de werknemers die zijn gedetacheerd naar België. Indien de buitenlandse werkgever geen verbindingspersoon aanduidt, kan hij hiervoor worden gesanctioneerd met een strafrechtelijke geldboete (tot € 4.000) of een administratieve geldboete (tot € 2.000);
  • vermelding in de Limosa-aangifte:
    • van de aard van de diensten die in België worden uitgevoerd;
    • van het erkenningsnummer van het buitenlandse uitzendbureau (in het geval van uitzendarbeid);
    • of de gedetacheerde arbeiders in de zendstaat vergelijkbare voordelen genieten met de getrouwheidszegels en de weerverletzegels binnen het Paritair Comité 124 (voor de bouwsector).

Carolien van Echelpoel

 

Naar boven


4. Correctie op de btw-aftrek bij personeelsverstrekkingen, relatiegeschenken en giften

In de laatste btw-aangifte over 2017 worden veelal de correcties voor onder meer relatiegeschenken, horeca en privégebruik verwerkt. Omdat de laatste Nederlandse btw-aangifte gewoonlijk uiterlijk 31 januari 2018 moet worden ingediend, gaan wij hierna in op de zogenoemde BUA-correcties in Nederland. Daarnaast bespreken wij de onlangs in België verschenen aanschrijving voor het gratis verstrekken van handelsgeschenken en -monsters, reclameartikelen, geschenken en andere goederen.

Nederland – BUA-correctie

In Nederland sluit het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (‘BUA’) de aftrek van btw (ook wel: voorbelasting) op relatiegeschenken en personeelsvoorzieningen uit als deze gratis of beneden kostprijs ter beschikking worden gesteld door de ondernemer. Dat de ondernemer vaak een zakelijke reden heeft voor giften en personeelsvoorzieningen (bijvoorbeeld relatiebeheer, personeelsbinding et cetera) doet hier niet aan af. De achterliggende gedachte hierbij is dat deze (zakelijke) bedrijfskosten consumptief van aard zijn, waarbij de btw een belasting is die juist de consumptie wil belasten.

Er geldt voor relatiegeschenken en personeelsvoorzieningen een drempelbedrag van € 227 per begunstigde. Bedragen de totale aanschaffings- of voortbrengingskosten (de kostprijs) van de verstrekkingen minder dan € 227 (exclusief btw) per jaar per begunstigde, dan hoeft geen BUA-correctie te worden gemaakt. Dit betreft een fatale drempel: bij overschrijding van de drempel is ook de voorbelasting binnen het drempelbedrag niet aftrekbaar. De correcties op grond van het BUA dienen in de laatste btw-aangifte over 2017 te worden verwerkt. De deadline hiervoor is normaliter eind januari 2018.

Hoewel BUA-correcties lang niet altijd van materieel belang hoeven te zijn, neemt dat niet weg dat fouten in BUA-gerelateerde posten bij een statistische steekproef door de Belastingdienst grote gevolgen kunnen hebben. In een statistische steekproef geconstateerde fouten dienen immers te worden geëxtrapoleerd naar de totale populatie. Afhankelijk van het steekproefinterval dat wordt gebruikt, kan een fout met betrekking tot een BUA-gerelateerde post daardoor tot een aanzienlijke correctie leiden.

Datzelfde geldt voor horeca-btw. Zo kan de verstrekking van een bittergarnituur op een bedrijfsfeest waarop de btw wordt afgetrokken grote gevolgen hebben. De btw hierop is namelijk niet aftrekbaar. Indien de btw desondanks wordt afgetrokken en deze factuur geraakt wordt bij een statistische steekproef, kan de aftrek van btw met betrekking tot die bittergarnituur van bijvoorbeeld zes euro zomaar leiden tot een correctie van duizenden euro’s.

Op grond van het bovenstaande is het raadzaam te bepalen of de btw-gevolgen van personeelsverstrekkingen, relatiegeschenken, giften, horeca et cetera juist zijn en voldoende beheersmaatregelen te treffen die het risico op onjuiste btw-aftrek mitigeren.

België – recente aanschrijving

In België kwam eerder dit jaar door middel van een nieuwe aanschrijving verduidelijking voor het gratis uitdelen van handelsgeschenken en -monsters, reclameartikelen, geschenken en andere goederen.

De aanschrijving geeft een definitie van het begrip ‘handelsgeschenken’ en bevestigt dat de btw over de aankoop van handelsgeschenken van geringe waarde aftrekbaar is. Onder handelsgeschenken worden verstaan de goederen die in beroepsrelaties worden gegeven en waarvan de kostprijs door de onderneming als algemene onkosten wordt geboekt (zoals de eindejaarsgeschenken en giften in natura). Ze zijn anders dan de handelsmonsters, omdat ze niet van dezelfde aard zijn als de goederen die het bedrijf doorgaans verkoopt.

Nieuw is dat per beroepsrelatie slechts één handelsgeschenk van geringe waarde per kalenderjaar in aanmerking komt voor het recht op aftrek van btw. Geringe waarde is een waarde lager dan € 50 exclusief btw. Indien er in een kalenderjaar aan eenzelfde relatie meerdere geschenken worden gegeven met een waarde lager dan € 50 exclusief btw, dan kan het recht op aftrek van btw slechts op één geschenk worden toegepast.

De btw geheven over catering- en/of restaurantdiensten tijdens bedrijfsfeesten zijn in principe in België niet aftrekbaar.

Christian Balk en Gladys Cristiaensen

Naar boven


5. Nieuwe informatieverplichting bij uitkering van dividenden door een Nederlandse vennootschap

In veel gevallen is bij uitkering van dividenden door een Nederlandse vennootschap de zogenoemde inhoudingsvrijstelling van toepassing. Dit geldt onder meer indien een Nederlandse dochtermaatschappij dividend uitkeert aan haar (≥ 5%) moedermaatschappij in België.

Eerder bespraken wij hier dat de inhoudingsvrijstelling per 1 januari 2018 is uitgebreid naar derde landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, en een aantal andere recente wijzigingen met betrekking tot de Nederlandse dividendbelasting.

Op deze plaats vragen wij uw aandacht voor een nieuwe informatieverplichting bij toepassing van de inhoudingsvrijstelling. Deze nieuwe informatieverplichting geldt voor alle uitkeringen met ingang van 1 januari 2018 aan kwalificerende buiten Nederland gevestigde aandeelhouders, dus ook voor uitkeringen aan kwalificerende directe aandeelhouders gevestigd in een EU/EER-land, waarvoor eerder geen algemene aangifte- of informatieverplichting van toepassing was.

De nieuwe verplichting geldt niet bij toepassing van de inhoudingsvrijstelling op dividenden die worden uitgekeerd aan in Nederland gevestigde directe aandeelhouders.

Aan de informatieverplichting wordt voldaan door het binnen een maand na de uitkering toezenden van een formulier aan de Belastingdienst. In dit formulier dienen niet alleen gegevens over onder meer de uitkerende en ontvangende entiteiten, het bedrag en de datum van de uitkering te worden opgenomen, maar moet door de uitkerende vennootschap bovendien worden verklaard dat aan de voorwaarden voor toepassing van de inhoudingsvrijstelling is voldaan.

Bij het niet of niet tijdig voldoen aan de informatieverplichting kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 5.278.

Mark Foesenek

Naar boven


6. Nederlandse Hoge Raad wijst fiscale eenheid tussen Nederlandse zustermaatschappijen met een gezamenlijke niet-EU-moedervennootschap af

Wij berichtten u eerder over de conclusie van de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) en de spoedmaatregelen die naar aanleiding daarvan door het kabinet werden aangekondigd. Het Nederlandse fiscale-eenheidsregime staat onder druk. Een van de eerder genoemde ‘pijnpunten’ van het huidige regime is echter op 15 december 2017 door de Hoge Raad verworpen.

Dient te worden toegestaan dat twee of meer Nederlandse dochtermaatschappijen van een niet in de EU gevestigde moedermaatschappij worden gevoegd in een fiscale eenheid vennootschapsbelasting?

Deze vraag beantwoorde de Hoge Raad, in tegenstelling tot het gerechtshof in april 2016, ontkennend.

Wij verwijzen naar ons memorandum voor een uiteenzetting van de argumenten van belastingplichtige en de redenering van de Hoge Raad. Belastingplichtige stelde zich op het standpunt dat een fiscale eenheid diende te worden toegestaan op basis van de non‑discriminatiebepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Israël, maar werd hierin niet gevolgd door de Hoge Raad. Indien in voorkomende gevallen bezwaar is aangetekend tegen het niet toestaan van een fiscale eenheid, zal dit bezwaar conform het arrest worden afgewezen.

Het bovenstaande neemt niet weg dat, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan, nog altijd een fiscale eenheid kan worden gevormd tussen (combinaties van):

  • een Nederlandse moedervennootschap en haar Nederlandse dochtervennootschap(pen);
  • twee of meer Nederlandse zustervennootschappen van een in de EU gevestigde gezamenlijke buitenlandse moedervennootschap;
  • een Nederlandse moedervennootschap en haar Nederlandse kleindochtervennootschap(pen), indien de moedervennootschap haar Nederlandse kleindochtervennootschap(pen) houdt via een of meer in de EU gevestigde buitenlandse vennootschappen.

Een fiscale eenheid kan met maximaal drie maanden terugwerkende kracht worden aangevraagd. Wij zijn graag bereid met u te bespreken wat de mogelijkheden zijn om een fiscale eenheid te vormen.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


7. Gerechtshof Den Haag: Nederland moet pro-rata-aftrek van Spaanse hypotheekrente verlenen

In juni 2017 berichtten wij over het arrest van de Hoge Raad inzake het recht op hypotheekrenteaftrek van een in Spanje wonende directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) voor een eigen woning. De dga stelde dat hij recht had op volledige aftrek van betaalde hypotheekrente in Nederland in verband met zijn in Spanje gelegen eigen woning, aangezien hij deze hypotheekrente in zijn woonland Spanje niet kon effectueren. De Hoge Raad oordeelde in lijn met het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) dat belanghebbende recht heeft op hypotheekrenteaftrek in Nederland naar rato van het in Nederland verworven inkomen, omdat de woonstaat Spanje geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Voor een uiteenzetting van de casus en de inhoud van het oordeel van het HvJ verwijzen wij onder meer naar de maart 2017-editie  van onze nieuwsbrief.

De Hoge Raad heeft deze zaak destijds verwezen naar Gerechtshof Den Haag (‘het hof’) om de totaal verschuldigde Nederlandse belasting met betrekking tot 2007 te berekenen. Hierbij is van belang of belanghebbende in Zwitserland (naast Nederland als een van de twee werkstaten) een overeenkomstig recht, met andere woorden: een mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek, te gelde kan maken. Het hof heeft nu geoordeeld dat dit het geval is. Derhalve dient Nederland pro-ratahypotheekrenteaftrek toe te kennen. Indien belanghebbende in Zwitserland geen hypotheekrenteaftrek (een overeenkomstig recht) kon effectueren, dan had Nederland het volledige bedrag aan betaalde hypotheekrente in aanmerking moeten nemen.

Indien u ten minste 90% van uw inkomen verwerft in Nederland, kwalificeert u, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan, in Nederland als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en kunt u op basis daarvan in beginsel uw hypotheekrenteaftrek in Nederland in aftrek brengen.

Op basis van de uitspraak van het hof is helaas nog steeds niet duidelijk of Nederland (pro-rata-) hypotheekrenteaftrek moet verlenen indien u (inwoner van België) meer dan 10% van uw inkomen verwerft in België (en dus niet ten minste 90% in Nederland), maar dit niet voldoende is om in België rekening te houden met uw persoonlijke en gezinssituatie. De werkstaat zou op grond van jurisprudentie van het HvJ rekening dienen te houden met uw persoonlijke situatie indien u geen inkomsten van betekenis geniet in uw woonland en uw woonland u daardoor niet de fiscale voordelen kan toekennen waar u op basis van uw persoonlijke situatie recht op hebt. Wij houden u vanzelfsprekend op de hoogte van de ontwikkelingen op dit gebied.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


8. Nieuwe plaatsbepalingsregels in België voor transportdiensten

Recent heeft de Belgische wetgever de plaatsbepalingsregels voor goederenvervoersdiensten in een business-to-business (‘b2b’) -relatie gewijzigd. Voortaan worden goederenvervoersdiensten waarbij het hele vervoerstraject zich buiten de Gemeenschap afspeelt, geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap. De goederenvervoersdiensten die worden verricht voor een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige en waarbij het hele vervoerstraject zich afspeelt in België, worden geacht plaats te vinden in België.

Situering

In België geldt voor goederenvervoersdiensten en diensten die met het goederenvervoer samenhangen zoals het laden, lossen, de behandeling van goederen en soortgelijke activiteiten in een b2b-relatie in principe de algemene plaatsbepalingsregel. De goederenvervoersdiensten worden geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd. In bepaalde gevallen geldt echter een afwijkende Belgische plaatsbepalingsregel.

Nieuwe plaatsbepalingsregels in België

Voor 23 november 2017 bestond er een afwijkende regel voor transportdiensten waarvan het vervoerstraject zich buiten de Gemeenschap afspeelde. Die transportdiensten werden geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap naar verhouding van de afgelegde afstanden buiten de Gemeenschap. Deze regeling vereiste dat de dienstverrichter een opsplitsing maakte tussen het traject afgelegd buiten de Gemeenschap en het traject afgelegd binnen de Gemeenschap. Aangezien deze opsplitsing in de praktijk voor moeilijkheden zorgde, heeft de Belgische wetgever deze plaatsbepalingsregel aangepast.

Vanaf 23 november 2017 bestaan er twee nieuwe afwijkende regels op de algemene hoofdregel. Goederenvervoersdiensten en diensten die met het goederenvervoer samenhangen in een b2b-relatie worden naar Belgisch recht geacht plaats te vinden:

  • in België indien het volledige vervoerstraject zich afspeelt in België en de goederenvervoersdiensten worden verricht voor een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige (voorbeeld 1);
  • buiten de Gemeenschap indien het volledige vervoerstraject zich afspeelt buiten de Gemeenschap en de goederenvervoersdiensten worden verricht voor een in België gevestigde belastingplichtige (voorbeeld 2).

We illustreren de nieuwe Belgische plaatsbepalingsregels met enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1:

Stel dat onderneming B, een in Zwitserland gevestigde onderneming, aan onderneming Z, een in België gevestigde onderneming, de opdracht geeft om goederen die zich in Antwerpen bevinden rechtstreeks te vervoeren naar Zeebrugge.

Aangezien het hele vervoerstraject zich in België afspeelt, zullen de goederenvervoersdiensten voortaan geacht worden in België plaats te vinden. Dit betekent dat de Belgische onderneming Z aan de Zwitserse onderneming een factuur dient uit te reiken met Belgische btw.

Voorbeeld 2:

Stel dat onderneming A, een in België gevestigde onderneming, aan onderneming Z, eveneens een in België gevestigde onderneming, de opdracht geeft om goederen die zich in Bern (Zwitserland) bevinden rechtstreeks te vervoeren naar Zürich (Zwitserland).

Volgens de algemene b2b-plaatsbepalingsregels worden de goederenvervoersdiensten geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd, in casu België. Maar aangezien het volledige traject zich buiten de Gemeenschap afspeelt, worden de goederenvervoersdiensten geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap. Dit betekent dat de Belgische onderneming Z een factuur dient uit te reiken zonder (Belgische) btw.

Voorbeeld 3:

Stel dat onderneming A, een in België gevestigde onderneming, aan onderneming Z, eveneens een in België gevestigde onderneming, de opdracht geeft om goederen die zich in Bern (Zwitserland) bevinden rechtstreeks te vervoeren naar Berlijn (Duitsland).

Voortaan zullen deze diensten onder de algemene hoofdregel vallen en geacht worden plaats te vinden daar waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, in casu België. Dit betekent dat de Belgische onderneming Z een factuur dient uit te reiken met Belgische btw. Het traject dat zich buiten de Gemeenschap afspeelt, volgt voortaan ook de algemene plaatsbepalingsregels (en valt dus niet langer buiten het toepassingsgebied van de btw).

Plaatsbepalingsregels in Nederland

In Nederland geldt voor goederenvervoersdiensten in een b2b-relatie de algemene b2b‑plaatsbepalingsregel. De goederenvervoersdiensten worden geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd. Indien de afnemer van de dienst in een andere lidstaat is gevestigd dan de dienstverrichter, wordt de heffing van btw verplicht verlegd naar die afnemer. De Nederlandse dienstverrichter brengt dan geen (Nederlandse) btw in rekening.

Voorbeeld 1:

Stel dat onderneming A, een in Nederland gevestigde onderneming, aan onderneming B, een eveneens in Nederland gevestigde onderneming, de opdracht geeft om goederen die zich in Antwerpen bevinden rechtstreeks te vervoeren naar Brussel.

Naar Nederlands recht worden de goederenvervoersdiensten dan geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd, in casu Nederland. A dient daarom (Nederlandse) btw in rekening te brengen. Indien het goederen betreft die niet zijn ingevoerd in het vrije verkeer van de EU, kan een nultarief van toepassing zijn.

Voorbeeld 2:

Stel dat onderneming A, een in Nederland gevestigde onderneming, aan onderneming B, een in Zwitserland gevestigde onderneming, de opdracht geeft om goederen die zich in Bern (Zwitserland) bevinden rechtstreeks te vervoeren naar Madrid (Spanje).

Naar Nederlands recht worden de goederenvervoersdiensten geacht plaats te vinden daar waar de afnemer is gevestigd, in casu Zwitserland. A dient daarom geen (Nederlandse) btw in rekening te brengen, aangezien de transactie buiten de werking van de Europese btw valt.

Gladys Cristiaensen en Christian Balk

Naar boven