De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

 


Inhoud

Naar boven


1. Zaakvoerder Belgische burgerlijke maatschap moet handelen in het belang van de maatschap en al haar maten.

In september 2018 heeft het Hof van Beroep te Gent de ruime bestuursbevoegdheden van een statutaire zaakvoerder in een burgerlijke maatschap genuanceerd. Veegt het Hof hiermee de eerdere beslissing van de Vlaamse belastingadministratie van de kaart?

De Vlaamse Belastingdienst besliste eind 2016 dat de schenking van de delen van een burgerlijke maatschap bij het latere overlijden van de ouders mogelijks genegeerd zou worden, voor zover de ouders in hun hoedanigheid van zaakvoerders van die maatschap een (té) ruime zeggenschap en controlebevoegdheid behielden. Bij overlijden zou er aldus nog steeds erfbelasting verschuldigd zijn op de gedane schenking (alsof de ouders nooit hadden willen schenken).

In haar arrest vorig jaar bevestigde het Hof van Beroep van Gent dat de burgerlijke maatschap een apart doelvermogen heeft en dat de zaakvoerder van de maatschap steeds moet handelen in het belang van dit gemeenschappelijk doelvermogen en van haar maten.

Indien de zaakvoerder toch handelt in zijn eigen belang en dus geen rekening houdt met de andere deelgenoten, kunnen de bestuursbevoegdheden door de rechter worden afgenomen. Dit is exact wat er zich in casu heeft voorgedaan: de statutaire zaakvoerder werd afgezet op vraag van de andere deelgenoten van de familiale maatschap. Het Hof van Beroep ging zelfs nog een stapje verder: indien de zaakvoerder op een zodanige wijze zijn mandaat uitoefent dat het gevaar ontstaat dat het belang van de maatschap wordt geschonden, dan kan het noodzakelijk zijn dat er een voorlopige bewindvoerder wordt aangesteld. Het feit dat de zaakvoerder levenslang was benoemd in de statuten doet hieraan geen afbreuk.

Doordat deze rechtspraak erkent dat de zaakvoerder in alle omstandigheden moet handelen in het belang van alle maten (en niet in eigen belang), lijkt het Hof de eerdere beslissing van de Vlaamse Belastingdienst opzij te zetten. Een zaakvoerder van een maatschap mag met andere woorden ruime bevoegdheden bezitten, zolang hij/zij deze maar uitoefent in het belang van het gemeenschappelijk doelvermogen van alle maten samen.

Wij zijn benieuwd of de Vlaamse Belastingdienst zal terugkomen op haar eerdere beslissing. Tot die tijd is het belangrijk om zorgvuldig om te springen met de omschrijving van de bevoegdheden van de zaakvoerder van de maatschap, en waar mogelijk, deze af te zwakken en/of de andere maten te betrekken bij sommige besluitvorming.

Sam Dejaegere en Kizzy Wandelaer

Naar boven


2. Conceptwetsvoorstel ten aanzien van Nederlandse stichtingen en verenigingen

Op 21 december 2018 heeft de Nederlandse minister voor Rechtsbescherming het conceptwetsvoorstel gepubliceerd van de Wet transparantie maatschappelijke organisaties.

Het voorstel ter consultatie ziet enerzijds op het inzichtelijk maken van geldstromen naar maatschappelijke organisaties en anderzijds op de verplichting voor stichtingen om financiële informatie openbaar te maken.

Het voorstel richt zich tot (maatschappelijke) organisaties in de vorm van stichtingen, verenigingen, kerkgenootschappen en daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen die duurzaam in Nederland actief zijn. Het voorstel is zeer ruim geformuleerd en raakt potentieel ook Nederlandse stichtingen administratiekantoren (STAK’s). Hoewel het voorstel ruimte biedt om organisaties van de aanvullende verplichtingen vrij te stellen, is nog onduidelijk voor welke organisaties een uitzondering zal gelden.

Het wetsvoorstel betreft twee maatregelen:

  1. verplichte openbaarmaking van gegevens van donaties met een waarde van ten minste € 15.000, inclusief de naam en woonplaats van de donateur, de hoogte van de donatie en de datum waarop deze is ontvangen;
  2. verplichte openbaarmaking van de staat van baten en lasten door alle maatschappelijke organisaties die hiertoe niet reeds verplicht zijn.

De consultatie van het voorstel sluit op 22 februari 2019. Het kabinet heeft nog geen uitspraken gedaan over de beoogde datum van inwerkingtreding van de wet. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen op dit vlak en verwijzen naar ons cliëntmemorandum voor een uitgebreidere toelichting op de huidige stand van zaken.

Mark Foesenek

Naar boven


3. Moratoriuminteresten worden in België niet langer automatisch betaald door de Belastingadministratie

De Wet van 25 december 2017 ‘tot hervorming van de vennootschapsbelasting’ bracht het moment van de aanvang van de moratoriuminteresten (zijnde de interesten die de Belgische Belastingadministratie verschuldigd is in geval van terugbetaling van inkomstenbelastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, enzovoorts) in overeenstemming met het gemeen recht, althans dat was toch de bedoeling. Of deze doelstelling daadwerkelijk bereikt is, blijft een open vraag.

De wijzigingen

Het tarief van de moratoriuminteresten is ingrijpend gewijzigd. Deze wordt voor wat aanslagjaar 2018 (inkomstenjaar 2017) betreft, verlaagd naar 2% (terwijl het voorheen 7% bedroeg). Voortaan worden de moratoriuminteresten bovendien niet langer automatisch betaald wanneer de Belastingadministratie moet overgaan tot terugbetaling van de te veel of ten onrechte betaalde belasting. De gewijzigde maatregel houdt vanaf nu in dat de moratoriuminteresten slechts beginnen te lopen nadat de Belastingadministratie ‘in gebreke is gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte’ waarbij aan de Belastingadministratie uitdrukkelijk gevraagd wordt om de moratoriuminteresten te voldoen.

De ingebrekestelling in het licht van het nieuwe artikel komt tot uiting door de uitdrukkelijke vraag van de belastingplichtige tot betaling van deze interesten en kan, uiteraard met inbegrip van de noodzakelijke vermeldingen, de vorm aannemen van een aanmaning bij gewone brief, van een bezwaarschrift of van een dagvaarding op grond van het Gerechtelijk Wetboek.

Thans wordt in de rechtsleer evenwel een discussie gevoerd aangaande het standpunt dat de Belastingadministratie lijkt aan te nemen met betrekking tot het ogenblik waarop de moratoriuminteresten verschuldigd zijn. De Belastingadministratie lijkt van mening te zijn dat de begunstigde van de terugbetaling de Belastingadministratie slechts geldig in gebreke kan stellen wanneer de ‘termijn voor terugbetaling’ verlopen is. Dit zou betekenen dat de ingebrekestelling pas kan worden verzonden nadat de Belastingadministratie al een beslissing tot terugbetaling heeft verzonden én vervolgens in gebreke blijft om de (in navolging van deze beslissing) ontheven belasting tijdig terug te betalen. Dit standpunt komt er op neer dat voortaan enkel nog moratoriuminteresten verschuldigd zouden zijn indien de Belastingadministratie nalaat om tijdig de belastingen terug te betalen.

Uitdrukkelijke vraag

Voormeld standpunt lijkt de Belastingadministratie alvast in haar eigen circulaire te verdedigen, doch wordt (ons inziens terecht) bekritiseerd in de rechtsleer. Deze ‘voorwaarde’ is ten eerste nergens terug te vinden in de tekst van de wet zelf. Bovendien zijn wij van mening dat de Memorie van Toelichting bij de gewijzigde wet zelf al voldoende argumenten bevat die voormeld standpunt van de Belastingadministratie tegenspreken. Wij adviseren dan ook om, zodra u van plan bent om bepaalde belastingen te betwisten en uiteraard voor zover de te betwisten belastingen reeds zijn betaald, onmiddellijk een brief te versturen aan de Belastingadministratie met daarin de uitdrukkelijke vraag om ook de gevorderde moratoriuminteresten te betalen.

Indien u zou wachten met het indienen van het bezwaarschrift met daarin de uitdrukkelijk aanmaning tot betaling van de moratoriuminteresten, zouden er immers al snel wat interesten verloren kunnen gaan. De kans bestaat weliswaar dat de Belastingadministratie van mening is dat de termijn voor de Belastingadministratie om de belasting ‘terug te betalen’ ogenschijnlijk nog niet verstreken zou zijn en dat de ingebrekestelling dus niet rechtsgeldig zou zijn.

Indien het bedrag aan ter discussie staande interesten het verantwoordt, zouden wij adviseren om de betaling van deze betwiste interesten te vorderen voor de rechtbank. Daartoe zijn er ons inziens voldoende valabele argumenten.

Vanaf wanneer gelden de nieuwe regelingen?

Deze nieuwe bepalingen gelden met betrekking tot de aanslagen die sedert 1 januari 2018 zijn opgelegd. Wij stellen ons de vraag of de Belastingadministratie haar bovenstaand standpunt effectief zal aanhouden. Indien dit het geval blijkt te zijn, is ons inziens hierover het laatste woord nog niet gezegd.

Filip Soetaert en Charlotte Vandepitte

Naar boven


4. Belangrijk arrest Nederlandse Hoge Raad inzake aan- en verkoopkosten deelneming

Op basis van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling zijn dividenden en vermogenswinsten uit kwalificerende deelnemingen vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De deelnemingsvrijstelling geldt eveneens voor ‘kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding’ van dergelijke deelnemingen. Lees: deze kosten (aan- en verkoopkosten deelneming) zijn niet aftrekbaar.

Over de vraag wanneer sprake is van niet-aftrekbare aan- of verkoopkosten deelneming bestaat veel discussie. Op 7 december 2018 heeft de Nederlandse Hoge Raad over dit onderwerp geoordeeld.

Arrest

De Hoge Raad overweegt dat sprake is van aan- en verkoopkosten deelneming als er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de kosten en de verwerving of vervreemding van een deelneming. Daarvan is sprake als die kosten worden opgeroepen door de verwerving of de vervreemding van een specifieke deelneming en, zo overweegt de Hoge Raad, als de kosten zonder die verwerving of die vervreemding niet zouden zijn gemaakt.

Hoe de overwegingen van de Hoge Raad dienen te worden geïnterpreteerd is onduidelijk. Wij menen dat de Hoge Raad heeft bedoeld de kosten aan te wijzen die niet zouden zijn gemaakt zonder de intentie om een deelneming te verwerven of vervreemden. De woordkeuze van de Hoge Raad lijkt echter, naar analogie, ook ruimte te bieden om aan- en verkoopkosten zeer restrictief uit te leggen. Omdat een aan- of verkoop doorgaans tot het einde van het proces (onverhoopt) kan worden geannuleerd, zouden vanuit die restrictieve uitleg de kosten gedurende een dergelijk proces ook zijn gemaakt zonder dat een verwerving of vervreemding plaatsvindt.

Praktijk

Dit arrest heeft grote gevolgen voor de Nederlandse fiscale praktijk. Daarin ging men er veelal van uit dat er in het proces rond de aan- of verkoop van een deelneming een omslagpunt kon worden gevonden, bijvoorbeeld het tijdstip van ondertekening van een zogenoemde ‘letter of intent’, het op basis van exclusiviteit gaan onderhandelen of het uitbrengen van een bindend bod tijdens een veiling. De vanaf dat omslagmoment gemaakte kosten moesten dan vervolgens bij een geslaagde aan- of verkoop als aan- of verkoopkosten deelneming worden aangemerkt.

De Hoge Raad benadert de kwestie echter volstrekt anders en acht de in de praktijk gehanteerde criteria niet relevant. De Hoge Raad werpt de volgende vraag op: zouden de kosten wel of niet zijn gemaakt zonder de verwerving of vervreemding? Als de kosten niet zouden zijn gemaakt, is sprake van niet-aftrekbare aan- of verkoopkosten deelneming.

Goed koopmansgebruik

Omdat de aftrekuitsluiting realiteit wordt zodra de aan- of verkoop van een deelneming doorgang vindt, bestaat gedurende het aan- of verkoopproces onzekerheid over de aftrekbaarheid van de gemaakte kosten. In dit kader merkt de Hoge Raad op dat goed koopmansgebruik gebiedt de aan- of verkoopkosten te passiveren en af te boeken – belast (aftrekbaar) dan wel onbelast (niet-aftrekbaar) – zodra vaststaat of de verwerving of vervreemding wel of niet doorgaat. Indien de verwerving of vervreemding doorgang vindt, zijn de kosten niet aftrekbaar. Indien deze wordt geannuleerd, zijn de kosten alsnog aftrekbaar.

Indien in het kader van een voorgenomen vervreemding een passiefpost is gevormd en de deal ketst af, dan stelt de Hoge Raad dat de passiefpost moet worden gehandhaafd als het voornemen blijft bestaan om de deelneming te vervreemden. Als in een volgende fase de vervreemding aan een andere partij vervolgens slaagt, moet worden beoordeeld in hoeverre de verkoopkosten die zijn gemaakt in de eerste fase ook zouden zijn gemaakt indien die fase niet had plaatsgevonden. Slechts in zoverre worden die kosten door het aftrekverbod getroffen.

Vervolg

Omdat de Hoge Raad de onderhavige zaak voor een feitelijke beoordeling heeft doorverwezen, moet de einduitkomst van deze procedure worden afgewacht. Hoewel het arrest van de Hoge Raad nieuwe vragen oproept, dient hiermee rekening te worden gehouden bij het opstellen van nieuwe Nederlandse aangiften vennootschapsbelasting en noopt dit in voorkomende gevallen tot herziening van reeds ingediende aangiften.

Hebt u in uw recente aangiften vennootschapsbelasting in dit kader een standpunt ingenomen of bent u voornemens een deelneming te verwerven of vervreemden? In dat geval bespreken wij de gevolgen van dit arrest graag met u.

Ruud Hoevenaar en Mark Foesenek

Naar boven


5. Verdere wijziging Belgische fiscale regels inzake terbeschikkingstelling van onroerende goederen

Wie in België gratis een onroerend goed ter beschikking gesteld krijgt van zijn werkgever of vennootschap, wordt belast op een voordeel van alle aard. Uit onze eerdere nieuwsbrief bleek dat de berekening van dit belastbare voordeel van alle aard gedurende enkele jaren een punt van discussie bleef tussen belastingplichtige en fiscus in België.

In het verleden?

In het verleden werd de waarde van dat voordeel forfaitair bepaald op 100/60e van het geïndexeerd kadastraal inkomen van het gebouw. Indien het voordeel echter verstrekt werd door een rechtspersoon / vennootschap, werd het voordeel sinds aanslagjaar 2013 verhoogd met vermenigvuldigingsfactor 1,25 of 3,8, afhankelijk van de hoogte van het kadastraal inkomen.

Volgend op de rechtspraak die wij in het vorige artikel hebben besproken, heeft de administratie in mei 2018 getracht de gemoederen te bedaren en de ongelijkheid weg te werken door in een circulaire te bevestigen dat het belastbare voordeel in alle gevallen beperkt mag worden tot 100/60e van het kadastraal inkomen, zonder vermenigvuldigingsfactor.

Vanaf 1 januari 2019: nieuw Koninklijk Besluit

Uiteindelijk verscheen het Koninklijk Besluit (hierna: KB) van 7 december 2018. Het KB voorziet dat het voordeel in alle gevallen op 100/60e van het geïndexeerde kadastraal inkomen moet geraamd worden en het aldus berekende voordeel in alle gevallen verhoogd dient te worden met een vermenigvuldigingsfactor 2, ongeacht wie het voordeel verstrekt.

Dit KB maakt geen onderscheid meer naargelang het voordeel door een natuurlijk persoon dan wel door een rechtspersoon verstrekt wordt, maar brengt de vermenigvuldigingsfactor voor alle gevallen naar 2.

De nieuwe berekeningswijze zal van toepassing zijn op voordelen betaald of toegekend vanaf1 januari 2019 en zij laat het verleden dus ongemoeid.

Wat het verleden betreft blijft alles bij het oude. Het vorige KB (met zijn vermenigvuldigingsfactoren 1,25 en 3,8 bij terbeschikkingstelling door een rechtspersoon) is niet afgeschaft. Het blijft dus voor het verleden van kracht maar de belastingplichtige kan terugvallen op de circulaire waarin wordt gesteld dat het belastbare voordeel in alle gevallen beperkt mag worden tot 100/60e van het kadastraal inkomen, zonder vermenigvuldigingsfactor.

Raad van State plaatst vraagtekens bij rechtsgrond KB

De Raad van State drukt in haar advies haar twijfels uit over de rechtsgrond van de regeling in het nieuwe KB. Zij stelt dat de Koning de bevoegdheid om het voordeel van alle aard m.b.t. de terbeschikkingstelling van een onroerend goed forfaitair te ramen slechts kan gebruiken om de werkelijk waarde bij de verkrijger zo dicht mogelijk te benaderen.

De Raad van State twijfelt er sterk aan of men hieraan tegemoetkomt door de invoering van de vermenigvuldigingsfactor 2 aangezien de factor voortaan zonder een adequate verantwoording op elke kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed wordt toegepast.

De Raad van State stelt dat een forfaitaire raming die uitgaat van het gedateerde concept van het 'kadastraal inkomen' van een woning, bezwaarlijk de actuele huurwaarde van een woning kan benaderen. Dit advies van de Raad van State biedt alleszins argumenten voor diegenen die hun belastbaar voordeel aanzienlijk zien stijgen. De discussie over de regeling lijkt dus nog verre van beëindigd.

Wat dient u te doen?

Indien u in het verleden kon genieten van een gratis ter beschikking gestelde woning van uw vennootschap en u hierdoor een belastbaar voordeel alle aard genoot, betaalde u mogelijk een teveel aan belasting in België voor het verleden. Hiervoor verwijzen wij naar onze eerdere nieuwsbrief.

Voor de woningen die ter beschikking worden gesteld vanaf 1 januari 2019 lijkt het KB van toepassing, dus vermenigvuldigingsfactor 2 voor elke terbeschikkingstelling van een onroerend goed. Maar het is duidelijk dat het laatste woord hierover nog niet werd gezegd. Wij volgen dit uiteraard voor u verder op.

Het dient ook opgemerkt te worden dat een aanpassing van het voordeel van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning andere fiscale gevolgen met zich mee kan brengen, zoals vermindering van de bedrijfsleidersbezoldiging onder het wettelijk minimum waardoor de onderneming niet meer kan genieten van bepaalde voordelen die gelden voor kleine of middelgrote ondernemingen (KMO’s).

Indien u hieromtrent bijkomend advies of bijstand zou wensen, onze specialisten helpen u hierbij graag verder.

Ilke Vandenbroeck en Gill Ceyssens

Naar boven


6. Nieuwe btw-regels voor elektronische diensten aan niet-belastingplichtigen

Naar aanleiding van een pakket e-commercemaatregelen in Europa hebben België en Nederland de btw-regels omtrent elektronische diensten voor niet-belastingplichtigen gewijzigd.

Volgens de oude regels moest een onderneming die telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten of langs elektronische weg verrichte diensten (hierna: elektronische diensten) aanbiedt aan niet-belastingplichtigen (zoals privépersonen) altijd lokale btw aanrekenen van het land van de afnemer van de dienst. Om te vermijden dat de dienstverrichter geconfronteerd wordt met al te grote administratieve formaliteiten in diverse landen, is er de afgelopen jaren al voorzien in een vereenvoudiging. Zo kan de dienstverrichter ervoor opteren om één globale ‘MOSS’-aangifte (‘Mini One Stop Shop’) in te dienen, waarin hij al zijn diensten aangeeft die in andere lidstaten aan btw zijn onderworpen.

Omzetdrempel

Ter bevordering van de internationale e-commerce wil de wetgever de administratieve last verder verminderen. Zo is vanaf 2019 een omzetdrempel van € 10.000 in de Belgische en Nederlandse wet ingeschreven. Onder deze drempel gelden de regels van het land van de dienstverrichter. Deze kan de verschuldigde btw opnemen in zijn lokale btw-aangifte zonder bijkomende administratieve lasten. Pas bij overschrijding van de drempel van € 10.000 is btw verschuldigd in de lidstaat van de cliënt. De dienstverrichter kan dan opnieuw gebruikmaken van het voornoemde optionele MOSS-stelsel om de bijkomende administratieve last te beperken. Het drempelbedrag geldt niet per lidstaat, maar omvat de omzet die wordt gerealiseerd in alle lidstaten tezamen.

Het nieuwe stelsel is optioneel. Indien u ervoor zou kiezen om toch onmiddellijk btw af te dragen in de lidstaat van de cliënt, dan geldt deze keuze voor minimaal twee kalenderjaren.                             

Voor de facturering van deze diensten geldt tevens een vereenvoudiging. Vroeger moest u rekening houden met de facturatieregels van het land van de cliënt, wat de internationale e-commerce bemoeilijkte. Met de wetgeving vanaf 1 januari 2019 blijven de regels van het land van de dienstverrichter van toepassing. Voorwaarde is dat de dienstverrichter niet over een lokaal btw-identificatienummer beschikt in de lidstaat van verbruik.

Nele Pichal en Camille Corten

Naar boven


7. Nederland en België wijzigen btw-regels voor vouchers, zegels en waardebonnen

Vanaf 1 januari 2019 gelden nieuwe btw-regels voor vouchers, zegels en waardebonnen (hierna ook wel aangeduid als ‘instrumenten’). Deze regels volgen uit de Europese Voucherrichtlijn, die de btw-behandeling van vouchers binnen de EU harmoniseert. Tot voor kort kon in een grensoverschrijdend geval dubbele (niet-)heffing plaatsvinden. De nieuwe regels moeten ervoor zorgen dat deze gevallen minder vaak voorkomen. In deze bijdrage gaan wij in op de verschillende soorten instrumenten en beschrijven wij de btw-gevolgen in hoofdlijnen.

De Belgische wetgever heeft zich beperkt tot wijziging van de regels inzake vouchers tegen betaling, terwijl de Nederlandse wetgever verder gaat en ook de regels voor gratis vouchers, zegels en waardebonnen heeft aangepast.

Vouchers voor enkelvoudig gebruik

Een voucher is een instrument (in papieren of elektronische vorm) dat als (gedeeltelijke) tegenprestatie voor goederenleveringen of diensten kan worden ingewisseld of gebruikt.

Met de invoering van de nieuwe regels wordt onderscheid gemaakt tussen vouchers voor enkelvoudig gebruik (‘single purpose voucher’, hierna: SPV) en vouchers voor meervoudig gebruik (‘multiple purpose voucher’, hierna: MPV). Het verschil is van belang bij het vaststellen van de verschuldigdheid van btw.

Een SPV geeft de consument het recht op bepaalde goederen of diensten. Op het moment van uitgifte of overdracht van de SPV is de plaats van de prestatie bekend en is duidelijk wat het btw-bedrag is. De btw wordt geheven op het moment van uitgifte of overdracht van de SPV. Een voorbeeld van een SPV is een boekenbon, een toegangskaartje of een vervoersbewijs.

Vouchers voor meervoudig gebruik

Een MPV geeft de consument net als een SPV het recht op bepaalde goederen of diensten. Het verschil ten opzichte van een SPV is dat de plaats van de prestatie of het juiste btw-bedrag bij uitgifte nog niet vaststaat. Een voorbeeld is een tegoedbon van een webshop waar consumenten producten kunnen aanschaffen met verschillende btw-tarieven. Bij een MPV wordt de btw pas verschuldigd op het moment van feitelijke overhandiging van de goederen of dienstverrichting, dus bij verzilvering van de MPV.

Zoals vermeld gelden voorgaande regels inzake vouchers voor enkelvoudig en meervoudig gebruik uniform in België en in Nederland. Onderstaande wijzigingen inzake gratis vouchers, waardebonnen, zegels en kortingsbonnen zijn alleen in Nederland gewijzigd.

Gratis vouchers

Deze voucher wordt gratis bij de levering van goederen of diensten verstrekt. Een voorbeeld is een voucher voor een gratis handdoek bij de aanschaf van brandstof. Een gratis voucher kan zowel voor enkelvoudig als meervoudig gebruik zijn.

Volgens de Nederlandse staatssecretaris van Financiën leidt de verstrekking van een gratis SPV tot een fictieve levering op het moment van verstrekking. Bij een MPV is dit pas op het moment van inwisseling of gebruik. Het verstrekken van een gratis voucher leidt tot een fictieve levering wanneer er gedeeltelijke of volledige aftrek van voorbelasting is toegepast en de waarde van de voucher meer dan € 15 is (wij nemen aan dat van € 15 exclusief btw kan worden uitgegaan). Er is geen sprake van een fictieve prestatie bij de verstrekking van een gratis voucher voor een dienst. In dat geval zou de btw op de inkoop niet aftrekbaar zijn, aldus de staatssecretaris.

Waardebonnen, zegels en kortingsbonnen

Een waardebon moet bij een goederenlevering of een dienst verstrekt worden en geeft geen recht op geld, maar op een korting. Bij inwisseling is bijbetaling noodzakelijk. Op basis van de nieuwe regels valt een gratis waardebon buiten de heffing van btw. Slechts over het bedrag dat wordt bijbetaald is btw verschuldigd.

Een zegel is een bij goederen of diensten gratis verstrekt instrument dat, al dan niet samen met andere zegels, alleen recht geeft op geld. De uitgifte van zegels vindt vaak plaats op basis van een besteed bedrag. Hierop kunnen verschillende btw-tarieven van toepassing zijn. Wanneer de zegels worden ingeruild voor een bepaald geschenk dient een mogelijk btw-verschil gecorrigeerd te worden.

Kortingsbonnen zijn instrumenten die recht geven op een korting en niet zijn verstrekt bij een goederenlevering of dienst. Bij gebruik is bijbetaling noodzakelijk. Bij het verstrekken van de kortingsbonnen tegen betaling is btw verschuldigd.

Slot

De juiste indeling van het instrument kan complex zijn. Mogelijk is het door de veranderingen per 1 januari 2019 onduidelijk tot welke categorie uw instrument behoort en wat de btw-gevolgen zijn. Om juiste btw-aangiften te doen en discussie met de Belastingdienst te voorkomen, adviseren wij u tijdig de classificatie in kaart te brengen. Wij zijn uiteraard graag bereid u bij dit proces te assisteren.

Leo van Loo, Camille Corten en Nele Pichal

Naar boven