Inhoud

Naar boven


1. Hervorming Belgische vennootschapsbelasting: invoering systeem fiscale consolidatie

Om het fiscale stelsel van België voor groepen van vennootschappen aantrekkelijk te maken, introduceert België (eindelijk) een systeem van fiscale consolidatie. De nieuwe regelgeving zal van toepassing zijn vanaf het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019. België is hiermee een van de laatste EU-lidstaten die een dergelijk systeem invoert.

Het systeem van fiscale consolidatie houdt in dit verband in dat groepen van vennootschappen onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid hebben om de winst van het boekjaar van de ene groepsvennootschap te compenseren met het verlies van een andere groepsvennootschap. Dit is dus geen echte consolidatie – zoals in Nederland is vormgegeven in het fiscale-eenheidsregime – maar een systeem van verliesoverdracht binnen de groep. Een dergelijk systeem dat het voorgaande mogelijk maakt, wordt reeds geruime tijd toegepast in andere EU-lidstaten, waaronder Duitsland.

België kiest voor fiscale consolidatie via de groepsbijdrageregeling

België kiest voor een systeem waarbij twee groepsvennootschappen middels een overeenkomst kunnen bewerkstelligen dat het verlies van het belastbare tijdperk van de ene vennootschap wordt overgedragen aan de andere vennootschap via een systeem van ‘groepsbijdrage’. Deze groepsbijdrage bestaat enerzijds uit een fiscale aftrek voor de bijdrager (degene die de groepsbijdrage betaalt), die er zijn winst mee kan compenseren en anderzijds wordt deze in de winst opgenomen van de begunstigde (degene die de groepsbijdrage ontvangt), die er zijn verlies tegen kan afzetten. Op deze manier blijft de aangifteprocedure ongewijzigd en worden groepsvennootschappen niet verplicht om naast hun eigen aangifte ook nog eens een gezamenlijke aangifte in te dienen.

Op basis van de nieuwe regelgeving betaalt de groep voor activiteiten in België belasting over het gezamenlijke resultaat, zodat de belastingdruk in beginsel niet hoger is voor groepen van vennootschappen dan de belastingdruk op de activiteiten wanneer die door slechts één entiteit worden uitgeoefend.

Expliciete keuze door het afsluiten van een groepsbijdrageovereenkomst

Een belangrijke voorwaarde voor de toepassing van deze consolidatiemethode is dat er tussen de belastingplichtige en een Belgische onderneming (of een EU/EER-vennootschap met een vaste inrichting in België) een civielrechtelijke overeenkomst per jaar, de zogenoemde groepsbijdrageovereenkomst, wordt afgesloten. Daarin dient de hoogte van de groepsbijdrage te worden bepaald. Deze kan op basis van de huidige goedgekeurde wetgeving niet hoger zijn dan het beroepsverlies dat door de begunstigde in het belastbare tijdperk zou worden geleden indien de groepsbijdrage niet in zijn winst zou zijn opgenomen. Wanneer de begunstigde partij is in meerdere groepsbijdrageovereenkomsten kan de som van de in deze overeenkomsten opgenomen bedragen van de groepsbijdrage niet hoger zijn dan het voormelde beroepsverlies. De groepsbijdrageovereenkomst kan slechts betrekking hebben op één belastbaar tijdperk.

Wie komt in aanmerking?

De overeenkomst kan worden afgesloten tussen Belgische vennootschappen (of EU/EER-vennootschappen met een vaste inrichting in België) die aan de gewone regels van de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen zijn én die verbonden zijn door:

  • een rechtstreekse aandeelhoudersrelatie tussen beide partijen van minstens 90% (moeder- en dochtervennootschappen);
  • een gemeenschappelijke moeder (een Belgische of een Europese vennootschap) die rechtstreeks minstens 90% van de aandelen houdt in beide vennootschappen (zustervennootschappen).

Daarnaast komt er een antimisbruikbepaling die als aanvullende voorwaarde stelt dat deze deelneming(en) ononderbroken dient (dienen) te worden aangehouden gedurende het volledige belastbare tijdperk én de vier voorgaande belastbare tijdperken alvorens een groepsbijdrage kan worden overeengekomen. Ook is in de huidige goedgekeurde wettekst vereist dat deze verbonden vennootschappen gelijklopende boekjaren hebben (behoudens een uitzondering die hierop wordt voorzien in het geval van vereffening).

Tot slot worden bepaalde ondernemingen uitgesloten van de mogelijkheid om een groepsbijdrageovereenkomst af te sluiten, zoals vennootschappen die een afwijkend belastingregime genieten, maar ook vennootschappen die een onroerend goed of een ander zakelijk recht met betrekking tot een dergelijk goed ter beschikking stellen aan een zaakvoerder/bestuurder.

Geen vermogensoverdracht door bijkomende vergoeding

Het stelsel is zo ingericht dat er tussen de overeenkomstsluitende vennootschappen als gevolg van de groepsbijdrage geen vermogensoverdracht zal plaatsvinden. De vermogensneutraliteit wordt gewaarborgd door de vergoeding die de bijdrager in het volgende belastbare tijdperk aan de begunstigde zal dienen te betalen als tegenprestatie voor het belastingvoordeel dat is genoten op basis van de groepsbijdrage-overeenkomst. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan het surplus aan belasting dat de bijdrager verschuldigd zou zijn geweest als geen groepsbijdrage aftrekbaar zou zijn geweest van diens winst over het belastbare tijdperk.

Bovenstaande vergoeding wordt fiscaal geneutraliseerd door deze bij de betaler niet als een beroepskost aan te merken (verworpen uitgave) en bij de ontvanger vrij te stellen van de belastbare grondslag (door een verhoging van de begintoestand van de reserves).

Omdat geen vermogensoverdracht plaatsvindt worden de rechten van minderheidsaandeelhouders of schuldeisers niet geschonden en kan de vergoeding niet worden beschouwd als een dividenduitkering of een abnormaal en goedgunstig voordeel.

Er worden nog wijzigingen verwacht

Het systeem van fiscale consolidatie kan belangrijke voordelen bieden binnen Belgische en multinationale groepen van vennootschappen en verdient daarom bijzondere aandacht. Het voorstel voor dit systeem was opgenomen in de recent goedgekeurde Wet tot hervorming van de Belgische vennootschapsbelasting.

Over enkele onderdelen van het systeem wordt nog volop onderhandeld en in de nabije toekomst kunnen derhalve nog een aantal zaken wijzigen. Vanzelfsprekend zullen wij de ontwikkelingen op de voet volgen en u hiervan op de hoogte houden.

Thomas Zwaenepoel en Ilke Vandenbroeck

Naar boven


2. Hof Amsterdam: bonusaandelen niet in vrije ruimte van werkkostenregeling (gebruikelijkheidscriterium)

Op 25 januari 2018 heeft Gerechtshof Amsterdam (‘hof’) uitspraak gedaan in een door Meijburg & Co gevoerde procedure over de vraag of de toekenning van (bonus)aandelen in de vrije ruimte van de Nederlandse werkkostenregeling mag worden ondergebracht. Het hof oordeelt dat in het licht van de werkkostenregeling de toekenning van bonusaandelen aan een selecte groep van werknemers naar algemene maatschappelijke opvatting ongebruikelijk is.

Voor een uitgebreide uiteenzetting van de casus en de werking van de Nederlandse werkkostenregeling verwijzen wij naar ons memorandum hierover.

Met deze uitspraak duidt het hof wanneer een vergoeding of verstrekking (on)gebruikelijk is en of deze kan worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. Het oordeelt in deze procedure dat met betrekking tot het al dan niet aanmerken van een vergoeding en/of verstrekking als belast of vrijgesteld loon onder de werkkostenregeling, de uitleg moet plaatsvinden rekening houdend met de naar algemene maatschappelijke opvatting gebruikelijke normen. Hierbij wordt het gebruikelijkheidscriterium sterk beperkend uitgelegd, omdat het hof bepaalt dat de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidsgrens van € 2.400 in lijn is met het gebruikelijkheidscriterium. Dit houdt in dat hogere vergoedingen en/of verstrekkingen in beginsel ongebruikelijk zijn. Er zal in deze casus beroep in cassatie worden ingesteld.

Indien u als werkgever twijfelt of een bepaalde vergoeding of verstrekking aan uw werknemers als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling kan worden aangewezen, dan kunnen wij u hierbij uiteraard assisteren.

Esther Hoppenbrouwers en William Donders

Naar boven


3. Wetswijziging impliceert belastbaarheid van alle AOW-uitkeringen in België

Net voor het jaareinde heeft de Belgische regering een wetswijziging goedgekeurd die een belangrijke impact heeft voor Nederbelgen die een AOW-uitkeringen ontvangen. De wetswijziging impliceert de belastbaarheid van alle AOW-uitkeringen (ook die zonder band met een vroegere beroepswerkzaamheid) in België. Wij beschreven de aankondiging van deze wetswijziging in de september 2017-editie van deze nieuwsbrief.

Hof van Cassatie

De heffingsbevoegdheid van België ten aanzien van Nederlandse AOW-uitkeringen was al langer een punt van discussie. In een arrest van 5 mei 2017 bevestigde het Belgische Hof van Cassatie dat een Nederlandse AOW-uitkering verkregen door een inwoner van België slechts belastbaar is in België indien deze uitkering een (on)rechtstreekse band heeft met de beroepswerkzaamheid. Deze rechtspraak betekende de (gedeeltelijke) niet-belastbaarheid in België van vele AOW-uitkeringen genoten door Belgische inwoners. Dit was niet naar de zin van de Belgische belastingadministratie, die een wetswijziging aankondigde.

Wetswijziging

De Wet houdende diverse fiscale bepalingen III van 25 december 2017 voegt de daad bij het woord. Deze wet wijzigt de definitie van belastbare pensioenen, zodat ook AOW-uitkeringen zonder band met een vroegere beroepswerkzaamheid door België worden aangemerkt en belast als pensioen.

Deze nieuwe regeling is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2017 en maakt dus definitief een einde aan de discussie inzake de belastbaarheid van de AOW-uitkering in België.

Sjeel Debeuf

Naar boven


4. Handhaving Nederlandse zzp-wet verder uitgesteld

De periode waarin niet wordt opgetreden tegen overtreding van de zzp-wet in Nederland – Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) – is verlengd tot 1 januari 2020. Dat geeft het kabinet de tijd om de voorstellen uit het regeerakkoord die de Wet DBA moeten gaan vervangen verder uit te werken. In het regeerakkoord staat dat er een ‘opdrachtgeversverklaring’ en normtarieven komen om te bepalen of al dan niet sprake is van een zelfstandige (zie onze nieuwsbrief van oktober 2017). Opdrachtgevers en zzp’ers krijgen tot 2021 geen boetes of naheffingen als ze onbedoeld met verkapte dienstverbanden werken. Is niettemin sprake van opzet, dan kan de Belastingdienst wel naheffen. Het gebruikmaken van modelovereenkomsten blijft daarom van belang. In ons memorandum gaan wij nader in op de recente ontwikkelingen.

Esther Hoppenbrouwers en William Donders

Naar boven


5. Nieuw Belgisch gunstregime voor toekenning van winstpremies aan werknemers

Eind december 2017 keurde de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers met de programmawet de hervorming van de wet betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van vennootschappen goed.

De hervorming, waartoe een gunstregime voor winstpremies behoort, was voorzien in het zomerakkoord en heeft tot doel de deelname van werknemers in de winst van een onderneming te stimuleren. De invoeringsmodaliteiten werden vereenvoudigd in combinatie met een verlaging van de belastingdruk bij de werknemer.

De nieuwe regelgeving omtrent de toekenning van winstpremies aan werknemers is in werking getreden op 1 januari 2018. De bedoeling is dat werkgevers op een simpele en flexibele manier werknemers kunnen laten deelnemen in de winst van de onderneming zonder dat hun stemrecht in de onderneming wordt toegekend.

Voorwaarden

Om te kunnen genieten van het gunstregime dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Ten eerste is het personele toepassingsgebied beperkt tot werknemers; bedrijfsleiders worden uitgesloten. Verder moet het gaan om de toekenning van een extra premie bovenop het bestaande loonpakket. Een premie ter vervanging van bestaande loonbestanddelen, premies of andere voordelen is dan ook uitgesloten. Een derde voorwaarde is dat de toekenning van winstpremies geen verplichting is, maar een beslissing die de werkgever eenzijdig kan nemen.

Het bedrag dat in aanmerking komt voor de winstpremie is beperkt tot een maximum van 30% van de loonmassa. De premie wordt voor de loonnorm buiten beschouwing gelaten en kan dus ook worden toegekend indien de onderneming de loonsom niet meer mag laten stijgen.

Hoewel het voordeel waarop het gunstregime van toepassing is collectief toegekend dient te worden, is differentiatie mogelijk (in tegenstelling tot bij de zogenoemde cao 90-bonus). Als een werkgever beslist om een winstpremie toe te kennen, heeft hij de keuze tussen twee vormen, namelijk een identieke winstpremie of een gecategoriseerde winstpremie.

Bij een identieke winstpremie krijgen alle werknemers een gelijk bedrag of een gelijk percentage van hun loon. Bij een gecategoriseerde winstpremie wordt een onderscheid gemaakt in de hoogte van de winstpremie op basis van objectieve criteria zoals functie, anciënniteit of graad. De beslissing over de toekenning van een identieke winstpremie kan worden genomen op basis van een gewone of buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders met een gewone meerderheid van stemmen. De toekenning van een gecategoriseerde winstpremie dient te worden bekrachtigd door middel van een cao of een toetredingsakte. In beide gevallen dient de onderneming de werknemers schriftelijk op de hoogte te stellen van de toekenning van een winstpremie.

(Para)fiscale behandeling

De aan werknemers toegekende winstpremies zijn bij de werkgever niet aftrekbaar. Omdat deze premies voor toepassing van de Belgische sociale zekerheid niet worden beschouwd als loon, zijn hierover geen werkgeversbijdragen verschuldigd.

De werknemer is over de toegekende premies een solidariteitsbijdrage van 13,07% verschuldigd. Daarnaast geldt voor hem een bevrijdende fiscale inhouding van 7%.

Het bovenstaande is een beschrijving van het nieuwe gunstregime. Indien u vragen hebt over dit regime en de mogelijkheid tot toepassing daarvan in uw situatie, dan adviseren wij u om hierover nader advies in te winnen. Uiteraard zijn wij u daarbij graag van dienst.

Carolien van Echelpoel

Naar boven


6. Status van het Nederlandse UBO-register

Wij berichtten u eerder over de ontwikkelingen betreffende het Nederlandse UBO-register. In mei 2015 nam het Europees Parlement de Vierde anti-witwasrichtlijn aan, op basis waarvan alle EU-lidstaten uiterlijk op 26 juni 2017 een UBO-register dienden in te voeren. Nederland heeft, net als andere EU-lidstaten, deze deadline niet gehaald en tot op de dag van vandaag nog steeds geen UBO-register ingevoerd. Nederland is hiermee wel druk bezig. Hierna geven wij u een update van de belangrijkste ontwikkelingen.

Op 31 januari 2018 heeft de Nederlandse regering het concept uitvoeringsbesluit Wwft 2018 (hierna: conceptbesluit) gepubliceerd voor internetconsultatie tot eind deze maand. In dit conceptbesluit zijn nadere regels gesteld voor de vaststelling van UBO’s van juridische entiteiten in Nederland. Voor de verschillende entiteitsvormen (kapitaalvennootschappen, personenvennootschappen, stichtingen en trusts) wordt beschreven welke categorieën van natuurlijke personen worden aangemerkt als UBO. Wij verwijzen naar ons cliëntmemorandum voor een nadere toelichting.

De publicatie van het conceptbesluit moet worden geplaatst in de context van de voorlopige overeenstemming over een verdere aanscherping van de Vierde anti-witwasrichtlijn tussen het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie in december 2017.

Uit deze voorlopige overeenstemming bleek onder andere:

  • dat het ‘meer dan 25%-belang’-criterium niet zal worden verlaagd (wat op basis van eerdere berichtgeving nog onduidelijk was);
  • dat ook UBO’s van niet-EU-vennootschappen en trusts die feitelijk gevestigd zijn in een EU-lidstaat in het UBO-register moeten worden opgenomen;
  • dat de Europese UBO-registers openbaar toegankelijk moeten zijn.

Openbare toegankelijkheid zal naar verwachting niet gelden voor de UBO-registers voor trusts. Daarvoor zullen alleen personen die een legitiem belang kunnen aantonen toegang krijgen tot de UBO-informatie. In dit kader merken wij op dat Nederland eerder al aangaf voornemens te zijn het UBO-register (beperkt) openbaar toegankelijk te maken. Op basis van de Europese overeenstemming die is bereikt dienen ook andere landen dit te doen.

Hoewel het conceptbesluit een aantal onduidelijkheden heeft weggenomen, wachten wij vooralsnog het uiteindelijke wetsvoorstel tot implementatie van het UBO-register af. Hetzelfde geldt voor het wetsvoorstel inzake de invoering van het UBO-register in België. Wij houden u uiteraard op de hoogte van alle ontwikkelingen.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


7. Nederlandse Hoge Raad: in Nederland en België werkzame inwoner België premieplichtig in Nederland

In de april 2017-editie van deze nieuwsbrief zijn wij ingegaan op een procedure inzake de socialezekerheidspositie van een inwoner van België die in Nederland werkzaam is. In het jaar 2009 was hij in dienst van een Nederlandse werkgever en, naast zijn werkzaamheden in Nederland, ongeveer 6,5% van zijn arbeidstijd werkzaam in zijn woonland België. Daardoor zou in beginsel sprake zijn van werkzaamheden in meerdere landen en zouden de regels voor gelijktijdige tewerkstelling van toepassing zijn. In navolging van het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) heeft de Hoge Raad bepaald dat belanghebbende niet moet worden beschouwd als een werknemer die in meerdere lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen. Daardoor geldt uitsluitend de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

‘Plegen’ van werkzaamheden

Voor een uiteenzetting van de casus en een uitleg over de toepassing van de Europese Verordening inzake sociale zekerheid (‘Verordening’) verwijzen wij naar het eerdergenoemde artikel in de april 2017-editie.

In deze casus is de vraag van belang of sprake is van het ‘plegen’ van werkzaamheden in meerdere lidstaten. In casu gaat het om slechts 6,5% van de totale arbeidstijd en zijn hierover geen afspraken met de werkgever gemaakt. Daarnaast gaat het voornamelijk om thuiswerken. Daarom is volgens de Hoge Raad geen sprake van het plegen van werkzaamheden in meerdere lidstaten en is slechts de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Het oordeel van de Hoge Raad is daarmee in lijn met het eerdere oordeel van het HvJ.

Nieuwe verordening

Overigens is de verordening waarover werd geprocedeerd inmiddels vervangen door een nieuwe. Op basis van deze per 1 mei 2010 in werking getreden verordening zijn andere regels voor gelijktijdige tewerkstelling van toepassing. Onder de nieuwe verordening dient sprake te zijn van ‘substantiële werkzaamheden’ (25% of meer) in het thuisland om aldaar sociaal verzekerd te zijn. Indien u als inwoner van België uw werkzaamheden in meerdere landen uitoefent, let er dan op dat u 25% of meer van uw werkzaamheden in uw thuisland verricht indien u in België sociaal verzekerd wenst te blijven. In hoeverre het oordeel van het HvJ en de Hoge Raad in deze procedure een rol speelt voor toepassing van de nieuwe verordening is vooralsnog onduidelijk.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


8. Arrest Europese Hof van Justitie over per-elementbenadering in Nederlandse fiscale eenheid

Het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) heeft op 22 februari 2018 uitspraak gedaan over de per-elementbenadering, waarover wij u ook in de november 2017-editie van deze nieuwsbrief informeerden. Naar aanleiding hiervan zullen de eerder aangekondigde noodmaatregelen worden geïntroduceerd. Omdat deze noodmaatregelen verregaande gevolgen kunnen hebben voor bestaande Nederlandse concerns, informeren wij u als volgt.

Vooraf

De Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (‘Wet Vpb’) kent diverse renteaftrekbeperkingen. Relevant in dit geval is de renteaftrekbeperking op basis van artikel 10a Wet Vpb. In het (heel) kort bepaalt dit wetsartikel dat de rente op leningen van verbonden lichamen die worden gebruikt voor kapitaalstortingen, dividenduitkeringen en/of acquisities onder omstandigheden niet aftrekbaar is. Hierbij moet worden opgemerkt dat artikel 10a Wet Vpb in de loop van de tijd diverse malen is gewijzigd en dat de procedure het jaar 2004 betreft. In 2004 was artikel 10a Wet Vpb niet van toepassing op externe acquisities, wat op basis van de huidige bepaling wel het geval is.

Verder is van belang dat het Nederlandse fiscale-eenheidsregime is gebaseerd op de consolidatiegedachte, waarbij alle onderdelen van de fiscale eenheid worden gezien als één belastingplichtige en transacties tussen onderdelen van dezelfde fiscale eenheid fiscaal non-existent zijn voor de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting. Een fiscale eenheid kan alleen worden aangegaan tussen in Nederland gevestigde vennootschappen.

De casus

De belastingplichtige in casu (X BV) was onderdeel van een Zweeds concern en de moedermaatschappij van een Nederlandse fiscale eenheid. X BV had van de Zweedse topholding een lening aangetrokken, die zij gebruikte om kapitaal te storten in een nieuw opgerichte Italiaanse vennootschap (G Spa). Die wendde op haar beurt het geld aan om een andere Italiaanse vennootschap (C Spa) van de beurs te halen. C Spa was reeds voor ruim 70% in handen van het Zweedse concern, de rest was in handen van derden. G Spa kocht uiteindelijk het grootste gedeelte van de door derden gehouden aandelen in C Spa (externe acquisitie).

De (Nederlandse) Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat de rente over 2004 op de lening tussen X BV en de Zweedse topholding niet aftrekbaar was op grond van artikel 10a Wet Vpb. X BV had immers geleend van een verbonden lichaam en die lening gebruikt voor een kapitaalstorting.

X BV stelde zich echter op het volgende standpunt. Indien de nieuw opgerichte Italiaanse vennootschap (G Spa) in Nederland zou zijn gevestigd, zou G Spa kunnen worden opgenomen in de Nederlandse fiscale eenheid. Als gevolg daarvan zou de kapitaalstorting door X BV in G Spa fiscaal non-existent zijn geweest. Dan zou men dus een fiscale eenheid zien die leent van een verbonden lichaam en de geleende gelden aanwendt voor een externe acquisitie, namelijk de aankoop van C Spa, zodat de door X BV over 2004 verschuldigde rente op basis van de toen geldende wetgeving aftrekbaar was.

X BV stelde dat sprake was van strijdigheid met de vrijheid van vestiging, omdat zij de rente niet kon aftrekken, terwijl dat wel zou kunnen indien zij in plaats van G Spa een gevoegde Nederlandse entiteit zou hebben gebruikt.

In navolging van de conclusie van de advocaat-generaal op 25 oktober 2017, stelt het HvJ X BV in het gelijk. Het acht het Nederlandse systeem in strijd met de vrijheid van vestiging en stelt dat Nederland de door X BV geclaimde renteaftrek niet mag weigeren.

Reactie Nederland

Direct na publicatie van de conclusie van de advocaat-generaal op 25 oktober 2017 kondigde de Nederlandse overheid reeds noodmaatregelen aan om de eventuele gevolgen van een voor Nederland negatieve beslissing van het HvJ het hoofd te bieden. De kern van de noodmaatregelen is dat diverse bepalingen in de Wet Vpb moeten worden toegepast alsof de fiscale eenheid niet bestaat. De regelingen die eerder werden genoemd zijn artikel 10a Wet Vpb, de deelnemingsvrijstelling (met betrekking tot de beoordeling of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming, alsmede de antihybride maatregel), de aftrekbeperking ter zake van bovenmatige deelnemingsrente, de verliesverrekening bij wijziging van het belang en – in de dividendbelasting – de afdrachtvermindering bij dooruitdelingen.

Vlak na publicatie van de uitspraak op 22 februari 2018 heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën een brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin hij schrijft dat de wetteksten voor de in oktober 2017 aangekondigde noodmaatregelen in het tweede kwartaal van 2018 aan de Tweede Kamer zullen worden aangeboden. Hij bevestigt bovendien dat deze maatregelen, zoals eerder aangekondigd, terugwerkende kracht zullen hebben tot 25 oktober 2017, 11.00 uur en dat mogelijk zelfs additionele maatregelen nodig zullen zijn.

In de brief merkt de staatssecretaris op dat er binnen afzienbare tijd een toekomstbestendig concernregime zal moeten worden ingevoerd, waarbij de consolidatiegedachte zoals deze in het huidige Nederlandse fiscale-eenheidsregime bestaat, naar alle waarschijnlijkheid zal worden losgelaten.

Hoewel over de noodreparatiemaatregelen en de toekomst van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime nog veel onduidelijkheid bestaat, hebben het arrest en de aangekondigde maatregelen verstrekkende gevolgen. Zo kan de bijzondere situatie ontstaan dat rente op een geldlening binnen een fiscale eenheid, die in beginsel non-existent is, op basis van de noodmaatregelen tot een niet-aftrekbaar bedrag zal leiden.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen en adviseren u intussen samen met uw vaste adviseur alle leningen en rechtshandelingen die binnen een fiscale eenheid bestaan of hebben plaatsgevonden te inventariseren en te beoordelen in hoeverre de aangekondigde maatregelen u kunnen raken.

Kevin van Heesch en Mark Foesenek


Naar boven