De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Eindejaarstips Meijburg & Co

De fiscale regelgeving verandert voortdurend. Aan het eind van dit jaar nemen we afscheid van een aantal bestaande regels en faciliteiten, en in 2019 maken we kennis met nieuwe en andere (spel)regels.

Het is een hele kunst om daar zonder brokken doorheen te laveren. Mogelijkerwijs moet u nog voor het begin van 2019 actie ondernemen om in Nederland fiscaal een betere positie te realiseren. Hopelijk kunnen de Eindejaarstips van Meijburg & Co u daarbij helpen.

Naar boven


2. België betreedt het speelveld van fiscale consolidatie

In de februari 2018-editie van deze nieuwsbrief schreven wij dat België voornemens was een consolidatieregime te introduceren. Op 1 januari 2019 treedt dit regime in werking. Vennootschapsgroepen met verlieslatende entiteiten kunnen vanaf die datum mogelijks hun totale Belgische belastingdruk verlagen en hun fiscale voorafbetalingen optimaliseren. Vanaf inkomstenjaar 2019 wordt het immers mogelijk om de verliezen van één vennootschap te compenseren met de winst van een andere verbonden vennootschap in hetzelfde belastbaar tijdperk. Als gevolg hiervan kunnen Belgische groepsvennootschappen mogelijks alleen belastingen betalen op hun gecombineerde resultaten.

Hoe zal dit werken?

Het nieuwe systeem van groepsbijdragen zal een Belgische vennootschap de mogelijkheid bieden om jaarlijks belastbare winsten over te dragen naar een andere verbonden vennootschap. Technisch gezien wordt dit georganiseerd via een groepsbijdrage-overeenkomst waarbij een Belgische vennootschap (een deel van zijn) belastbare winst kan overgedragen naar een verbonden vennootschap. De overgedragen belastbare winst (hierna: groepsbijdrage) zal een fiscaal aftrekbaar item vormen voor de overdrager en zal belastbaar zijn in hoofde van de ontvanger. Bij Koninklijk Besluit zal een model groepsbijdrage-overeenkomst worden gepubliceerd.

Om dit systeem voor alle partijen neutraal te houden, moet de overdrager zich verbinden tot het betalen van een financiële vergoeding aan de ontvanger ten belope van het surplus aan belasting dat zonder toepassing van de groepsbijdrage verschuldigd zou zijn. Deze financiële vergoeding zal niet-aftrekbaar zijn voor de overdrager en vrijgesteld zijn van belasting voor de ontvanger.

Om in aanmerking te komen voor het systeem van de groepsbijdrage dient tussen de overdrager en de verbonden vennootschap gedurende een ononderbroken periode van 5 jaar sprake te zijn van een aandeelhoudersrelatie van ten minste 90% (rechtstreeks of via een EER-vennootschap).

Mogelijkheden voor multinationale groepen?

We merken op dat het stelsel Belgische vennootschappen ook de mogelijkheid biedt om een groepsbijdrage-overeenkomst te sluiten met de Belgische vaste inrichting van een buitenlandse verbonden vennootschap. Bovendien biedt het stelsel een Belgische vennootschap de mogelijkheid om 'definitieve verliezen' van buitenlandse verbonden vennootschappen in mindering te brengen op haar fiscaal resultaat. Hiervoor kan een Belgische vennootschap onder voorwaarden een groepsbijdrage-overeenkomst afsluiten met een buitenlandse verbonden vennootschap gevestigd in de EER in geval van definitieve stopzetting van de activiteiten van laatstgenoemde vennootschap.

Het nieuwe regime heeft ook enkele beperkingen. Enerzijds kan het voordeel voor Belgische holdings beperkt zijn. Anderzijds roept de berekeningswijze van de vijfjarige houdperiode in geval van een herstructurering (zoals een fusie) vragen op. Ook is het – met uitzondering van de hierboven beschreven ‘definitieve verliezen’ – niet mogelijk verliezen tussen een Belgische en een buitenlandse vennootschap (zonder Belgische vaste inrichting) onderling uit te wisselen.

Wij adviseren alle Belgische vennootschappen op korte termijn te (laten) beoordelen of het nieuwe consolidatiestelsel mogelijkheden biedt en welke acties dienen te worden ondernomen.

Ilke Vandenbroeck en Richard Roudasev

Naar boven


3. Belgische CFC-regels: kunstmatige offshoreconstructies onder verhoogde druk

Vanaf 2019 zullen Belgische vennootschappen ook belastingen moeten betalen op de niet-uitgekeerde winst van een buitenlandse gecontroleerde vennootschap (hierna: controlled foreign company of CFC) die voortkomt uit een kunstmatige constructie die is opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen.

Wat is een CFC?

Een buitenlandse (zowel EU- als niet-EU-)vennootschap kwalificeert als een CFC als:

  • de belastingplichtige (onrechtstreeks) de meerderheid van de stemrechten of een deelneming van ten minste 50% van het kapitaal bezit, ofwel recht heeft op ten minste 50% van de winst, en;
  • de buitenlandse vennootschap niet onderworpen is aan inkomstenbelasting of onderworpen is aan inkomstenbelasting die minder dan de helft van de vennootschapsbelasting bedraagt die verschuldigd zou zijn als de buitenlandse vennootschap in België zou zijn gevestigd.

Indien op basis van bovenstaande sprake is van een CFC wordt onder bepaalde voorwaarden de niet-uitgekeerde winst van een kwalificerende CFC opgenomen in de belastbare grondslag in België. De nieuwe CFC-regels zijn niet alleen van toepassing op gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, maar ook op buitenlandse vaste inrichtingen. Belastingplichtigen zijn daarnaast wettelijk verplicht om het bestaan van CFC’s aan te geven in de aangifte vennootschapsbelasting.

Welke winst van een CFC valt binnen het toepassingsgebied?

Enkel de CFC-winst die voortkomt uit een kunstmatige constructie wordt geviseerd. Deze winst zal worden opgenomen in de Belgische belastbare grondslag indien ze wordt gegenereerd door activa en risico's die zijn gekoppeld aan sleutelfuncties die worden uitgeoefend door de Belgische vennootschap en niet door de CFC. Een constructie zal als kunstmatig worden beschouwd als de buitenlandse vennootschap (CFC) geen eigenaar van de activa zou zijn, of niet de risico’s op zich zou hebben genomen die haar inkomsten genereren indien deze vennootschap niet onder het zeggenschap stond van de Belgische vennootschap waar de voor die activa en risico’s relevante sleutelfuncties worden verricht, welke een essentiële rol vervullen bij het genereren van de inkomsten van de buitenlandse vennootschap.

Wordt dubbele belasting vermeden?

Dubbele belasting wordt in zekere mate vermeden. Winst uitgekeerd door een rechtstreeks gehouden CFC of (niet-vrijgestelde) meerwaarden op aandelen in een CFC genieten de aftrek voor definitief belaste inkomsten (DBI) in de mate dat, in een vorig jaar, de winst van de CFC belast werd als niet-uitgekeerde winst van de CFC. Er wordt echter geen verrekening verleend voor buitenlandse belastingen die op de CFC-winst zijn betaald. Verder is het onzeker of dubbele belasting vermeden kan worden als een CFC onrechtstreeks eigendom is van een Belgische vennootschap.

Wij adviseren bestaande bedrijfsstructuren te beoordelen op CFC-impact en de CFC-regels in het achterhoofd te houden bij het opzetten van nieuwe bedrijfsstructuren. Tot slot merken wij op dat ook Nederland per 1 januari 2019 CFC maatregelen introduceert. Voor een beschrijving van deze maatregelen verwijzen wij u naar de oktober 2018-editie van deze nieuwsbrief

Ilke Vandenbroeck en Tuur de Wachter

Naar boven


4. Invoering van een nieuwe interestaftrekbeperking in België

In de juni 2018-editie van deze nieuwsbrief bespraken wij de introductie van een earningsstrippingmaatregel (30% EBITDA) in Nederland. Hier gaan wij in op de Belgische regeling in dit kader. De nieuwe Belgische interestaftrekbeperking houdt in dat het financieringskostensurplus (verschil tussen financiële opbrengsten en financiële kosten) niet langer aftrekbaar is in de mate dat ze de hoogste van de twee volgende grensbedragen overschrijdt:

       -   de de minimis-drempel van 3 miljoen euro;

       -   of 30% van de belastbare ‘EBITDA'.

Interesten op leningen die zijn afgesloten vóór 17 juni 2016 en waar geen fundamentele wijzigingen zijn aangebracht aan de lening, worden niet in aanmerking genomen. Uit de voorbereidende werken blijkt dat het begrip fundamentele wijzigingen ruim geïnterpreteerd zal worden. Interest en EBITDA Als een vennootschap behoort tot een groep wordt het financieringskostensurplus, de belastbare EBITDA en de de minimis-drempel vastgesteld volgens een ad hoc consolidatie. Er mag geen rekening worden gehouden met betaalde of ontvangen interesten voor leningen tussen Belgische groepsvennootschappen. De EBITDA moet worden aangepast voor intra-groep kosten en opbrengsten (inclusief betaalde of ontvangen interesten). De EBITDA moet ook worden aangepast voor inkomen dat fiscaal is vrijgesteld door de toepassing van fiscale aftrekken zoals de groepsbijdrage, DBI-aftrek, innovatie-aftrek, octrooi-aftrek en winst vrijgesteld onder de werking van een belastingverdrag. Carry-forward en overdracht interestaftrekcapaciteit is mogelijk. Indien wegens het overschrijden van de grensbedragen in een belastbaar tijdperk het financieringskostensurplus niet kan worden afgetrokken, is er de mogelijkheid van overdracht naar een later belastbaar tijdperk (carry-forward).

Het is ook mogelijk om een overschot aan interestaftrekcapaciteit (EBITDA-overschot) over te dragen naar andere groepsentiteiten. Hiervoor moet er een formele overeenkomst worden opgemaakt waarbij de partijen een vergoeding kunnen afspreken. Om fiscale neutraliteit te waarborgen, wordt de betaling van die vergoeding verwerkt als een verworpen uitgave. Bij de ontvanger wordt de vergoeding vrijgesteld. Wat met de huidige regels? De nieuwe interestaftrekbeperking vervangt de bestaande onderkapitalisatieregel, de 5:1 verhouding (thincap). Voor toegekende interesten op leningen die zijn afgesloten vóór 17 juni 2016 en voor interesten die worden toegekend aan genieters in belastingparadijzen blijft de bestaande onderkapitalisatieregel nog van toepassing. Advies

De Europese richtlijnen tegen belastingontwijking verplichten lidstaten om de interestaftrekbeperking om te zetten in hun nationaal recht tegen 31 december 2018 zodat de maatregel van kracht wordt op 1 januari 2019. Het is belangrijk om er op tijd bij te zijn om zo de mogelijke gevolgen van de nieuwe regel te beoordelen. Zeker indien er aanzienlijke financiële stromen zijn, in geval van aanwezigheid van verschillende Belgische ondernemingen in een groep, moeten de huidige en toekomstige financieringsregelingen worden onderzocht om de niet-aftrekbaarheid van interestkosten te voorkomen. Speciale aandacht dient in dit verband te worden geschonken aan de mogelijkheid om overtollige EBITDA tussen Belgische groepsmaatschappijen over te dragen.

Ilke Vandenbroeck en Tuur de Wachter

Naar boven


5. Inhoudingsplichtige kan in Nederlandse salarisadministratie rekening houden met heffingskorting Belgische grensarbeiders

In de oktober 2018-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de aanstaande wijzigingen voor de Nederlandse heffingskortingen. Daarin meldden wij dat in Nederland werkzaam zijnde inwoners van België recht hebben op onder meer het belastingdeel van de algemene heffingskorting. Hiervoor moet wel een aangifte inkomstenbelasting worden ingediend of een voorlopige aanslag inkomstenbelasting worden aangevraagd. De Nederlandse belastingdienst zal echter toestaan dat de inhoudingsplichtige in de Nederlandse salarisadministratie al rekening houdt met het recht op deze heffingskorting.

De inhoudingsplichtige kan namelijk een beroep doen op de non-discriminatiebepaling van het belastingverdrag tussen Nederland en België en in de salarisadministratie reeds rekening houden met de toepassing van de algemene heffingskorting. Mocht de inhoudingsplichtige hiertoe overgaan, dan zal de Belastingdienst dat accepteren en geen correcties aanbrengen, aldus de Kennisgroep Internationaal Belastingrecht van de Belastingdienst. Het is in dat geval dus niet vereist om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting aan te vragen om het recht op de heffingskorting te effectueren. Indien wel een voorlopige aanslag wordt aangevraagd, zal de Nederlandse belastingdienst automatisch het belastingdeel van de algemene heffingskorting toekennen. Past de werkgever in de loonadministratie ook het belastingdeel van de algemene heffingskorting toe, dan wordt dit voordeel twee keer genoten en dient het te worden terugbetaald via de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


6. De Belgische Kaaimantaks: de 'EER-lijst' in een nieuw jasje gestoken

In het kader van de Belgische Kaaimantaks merken wij op dat de EER-lijst van juridische constructies opnieuw is aangepast. De bestaande lijst verwijst naar bepaalde instellingen voor collectieve belegging en hybride vennootschappen, alsook naar de Luxemburgse Fondation Patrimoniale, de Luxemburgse SPF, de Liechtensteinse Stiftung en de Liechtensteinse Anstalt. Deze lijst wordt nu vervangen en vermeldt drie specifieke definities van geviseerde rechtspersonen, zijnde:

(1) bepaalde beleggingsinstellingen, namelijk de instellingen waarvan de rechten door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen, worden aangehouden, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd. Hieronder zijn begrepen de private alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen;       

(2) ‘hybride' vennootschappen; en       

(3) een nieuwe restcategorie die de vennootschappen (en andere entiteiten), viseert die in hun vestigingsstaat, ofwel ‘niet aan een inkomstenbelasting’ worden onderworpen, ofwel aan een inkomstenbelasting worden onderworpen ‘die minder dan 1 procent bedraagt van het belastbaar inkomen’. Dit laatste dient aan de hand van Belgische maatstaven te worden vastgesteld. Het toepassingsgebied van de Kaaimantaks wordt met deze lijst aldus opnieuw verruimd en zal retroactief van toepassing zijn op de inkomsten die vanaf 1 januari 2018 worden verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een juridische constructie.

Kizzy Wandelaer en Sjeel Debeuf

Naar boven


7. Staatssecretaris schetst hoofdlijnen vernieuwde Nederlandse rulingpraktijk

Op 22 november 2018 heeft de staatssecretaris van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer de hoofdlijnen van de herziening van de Nederlandse rulingpraktijk geschetst. Het doel van de herziening is om de kwaliteit van de rulingpraktijk voor bedrijven met reële activiteiten verder te borgen en de robuustheid te vergroten. De voorgestelde maatregelen gelden voor alle rulings met een internationaal karakter.

Op basis van de voorgestelde maatregelen kunnen belastingplichtigen die zich alleen om fiscale redenen in Nederland vestigen en hier verder geen economische nexus hebben, geen zekerheid vooraf middels een ruling (meer) krijgen van de Nederlandse belastingdienst. Het concept ‘economische nexus’ leidt er naar verwachting toe dat de drempel voor het verkrijgen van zekerheid vooraf hoger komt te liggen dan op basis van de huidige substance-eisen het geval is. In deze bijdrage gaan wij kort in op de inhoud van de voorgestelde maatregelen. Meer informatie treft u hier.

Proces en voorwaarden

Op basis van de voorgestelde maatregelen wordt het proces voor afgifte van een ruling transparanter en eenduidiger. Alle rulings met een internationaal karakter zullen ter beoordeling voortaan langs één centraal team gaan, het nieuw te vormen College Internationale Fiscale Zekerheid. Op dit moment wordt deze werkwijze slechts toegepast bij ‘advance pricing agreements’ (APA’s) en ‘advance tax rulings’ (ATR’s).

In plaats van de huidige lijst met substance-eisen komt er als voorwaarde voor het afgeven van een ruling een vereiste van ‘economische nexus’ met Nederland. Dit betekent dat slechts een ruling wordt afgegeven aan ondernemingen met bedrijfseconomische operationele activiteiten die daadwerkelijk in Nederland worden uitgeoefend door voldoende relevant personeel in Nederland. Ook wordt slechts een ruling afgegeven indien de omvang van de operationele kosten die worden gemaakt in verhouding staat tot wat het bedrijf in Nederland doet en de inhoud van het werk past bij de geldstromen die er in een bedrijf omgaan.

Daarnaast zal de Belastingdienst op basis van de geschetste voorstellen scherper kijken naar het doel van de specifieke structuur waarvoor een ruling wordt gevraagd. Momenteel worden geen rulings afgegeven ten aanzien van structuren waarbij besparing van Nederlandse belasting het doel is. Voortaan zullen ook voor structuren waarbij internationale belastingbesparing als doorslaggevende beweegreden geldt geen rulings meer worden afgegeven. Tot slot wordt voorgesteld in de toekomst geen rulings meer af te geven voor transacties met entiteiten die gevestigd zijn in staten die staan op de zwarte lijst (van niet-coöperatieve landen) van de Europese Unie of staten met een statutair tarief van minder dan 9%.

Vormgeving en transparantie

De staatssecretaris stelt voor in beginsel voor alle internationale rulings een looptijd van maximaal vijf jaar toe te passen. Alleen in uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld bij langlopende contracten) kan dit worden verlengd tot tien jaar.

Over rulings met een internationaal karakter zal meer openbare informatie worden gegeven. Zo gaat de Belastingdienst voortaan – zoals in België reeds gebruikelijk is – van dergelijke rulings een geanonimiseerde samenvatting publiceren en zal het jaarverslag van de Belastingdienst in het vervolg betrekking hebben op alle rulings met een internationaal karakter (en niet alleen op APA’s en ATR’s). Daarnaast zal het huidige periodieke onderzoek van APA’s en ATR’s met onafhankelijke experts worden voortgezet en uitgebreid tot alle rulings met een internationaal karakter.

Tijdspad

De ingangsdatum van de gepresenteerde voorstellen is nog niet bekend. De staatssecretaris heeft de ambitie uitgesproken om de wijzigingen per 1 juli 2019 te laten ingaan. In dit kader merken wij op dat de voorgestelde maatregelen naar verwachting niet gelden voor bestaande rulings en/of rulings afgegeven tot de ingangsdatum van de voorgestelde maatregelen. Wij volgen de ontwikkelingen op dit vlak op de voet en houden u uiteraard op de hoogte.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven