Inhoud

Naar boven


1. Update Nederlandse wijzigingen per 1 januari 2018

In de septembereditie en oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over het Belastingplan 2018 en het regeerakkoord. Op deze plaats geven wij u een update van de laatste stand van zaken op dit vlak.

Op 23 november 2017 heeft de Tweede Kamer onder meer het Belastingplan 2018 – dat naar aanleiding van het regeerakkoord met enkele maatregelen werd aangevuld – en de voorgestelde wijzigingen van de Wet op de dividendbelasting per 1 januari 2018 aangenomen. De stemming van deze voorstellen in de Eerste Kamer vond plaats op 19 december 2017. Ondanks bezwaren op een aantal specifieke maatregelen die in de media uitvoerig zijn besproken, stemde ook de Eerste Kamer met de voorstellen in.

Nu de Eerste Kamer met het Belastingplan 2018 heeft ingestemd, zullen een aantal maatregelen per 1 januari 2018 in werking treden. Naast enkele technische (reparatie)maatregelen betreffen deze wijzigingen onder meer de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling voor uitkering van dividenden naar verdragslanden en de verhoging van het zogenoemde heffingvrije vermogen tot € 30.000. Wij verwijzen naar onze eerdere berichtgeving in het kader van het Belastingplan 2018 en het regeerakkoord.

Een groot aantal maatregelen in het regeerakkoord en de Anti Tax Avoidance Directive (‘ATAD’) waarover wij u eerder informeerden, dient in werking te treden op 1 januari 2019. Veel van deze maatregelen zullen naar verwachting in het Belastingplan 2019 worden opgenomen. Daarnaast wordt in het komende jaar onder meer de introductie van het UBO-register verwacht. Uiteraard volgen wij deze en andere fiscale ontwikkelingen nauwlettend en houden wij u op de hoogte.

 

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


2. Ecofin-raad bereikt overeenstemming over zwarte lijst

Op 5 december jongstleden is in de EU-raad van ministers van Economische Zaken en Financiën (‘Ecofin-raad’) overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijke lijst van landen die in onvoldoende mate samenwerken met de Europese Unie tegen belastingontwijking (de zwarte lijst). Daarnaast is er een grijze lijst opgesteld met in totaal 47 landen die op dit moment nog niet voldoen aan de gestelde criteria, maar zich wel uitdrukkelijk hebben verbonden om dat op redelijk korte termijn wel te gaan doen. Zij hebben in beginsel tot eind 2018 de tijd gekregen om hieraan gevolg te geven.

De totstandkoming van de zwarte lijst moet worden gezien als onderdeel van de inspanningen die de Europese Unie zich de laatste jaren heeft getroost in de strijd tegen belastingontwijking en gebruikmaking van schadelijke belastingregimes. Maar ook de bredere context van het in juni 2015 gelanceerde actieplan van de Europese Commissie voor een eerlijke en efficiënte heffing van vennootschapsbelasting en de aanbevelingen van de OESO in oktober 2015 in het kader van zijn vijftien actiepunten tegen grondslaguitholling (‘base erosion’) en winstverschuiving (‘profit shifting’), oftewel het anti-BEPS-actieplan, spelen hierin een belangrijke rol.

In januari 2016 kwam de Europese Commissie met een concreet antiontwijkingspakket, waarvan een gemeenschappelijke benadering van derde landen er een was. Het doel was om de lappendeken van aparte nationale zwarte lijsten te vervangen door een gemeenschappelijke lijst, die zou voorzien in duidelijke, samenhangende en objectieve criteria. Daarna volgde een driestappenplan bestaande uit een voorselectie (‘preassessment’), een fase van screening en uiteindelijk de opstelling van een lijst van niet‑coöperatieve landen.

Na de voorselectie op basis van feitelijke informatie en risico-indicatoren, zoals economische banden met de Europese Unie, financiële activiteiten en stabiliteit, volgde een uitgebreide screening en dialoog tussen enerzijds de zogenoemde gedragscodegroep en anderzijds in totaal 92 geïdentificeerde landen en jurisdicties, waarin de volgende vereisten werden toegepast:

  • fiscale transparantie door te voldoen aan internationale standaarden voor automatische uitwisseling van informatie en uitwisseling op verzoek alsook de praktische invulling daarvan;
  • ‘fair taxation’, waarbij wordt getoetst op de aanwezigheid van schadelijke belastingregimes;
  • invoering van de minimumstandaarden uit het anti-BEPS-actieplan.

Uiteindelijk kwamen er als gevolg van het screeningproces in totaal 17 jurisdicties op de zwarte lijst terecht.

Deze lijst zal jaarlijks worden herzien. De gebrandmerkte jurisdicties worden aangemoedigd om alsnog de vereiste aanpassingen door te voeren om van de lijst af te komen en daartoe in gesprek te gaan met de gedragscodegroep, die is belast met de verdere monitoring van de criteria en de gedane beloften om deze na te komen.

Twintig jurisdicties voldeden wel meteen, terwijl 47 andere landen op de grijze lijst terechtkwamen en werden aangemerkt als coöperatief vanwege door hen afgegeven ‘commitments’ om later alsnog aan de gestelde criteria te voldoen. Gebeurt dat voor eind 2018 niet, dan volgt alsnog degradatie naar de zwarte lijst. Een aantal landen heeft op voorwaarden enig uitstel gekregen, bijvoorbeeld vanwege de gevolgen van de orkanen Irma en Maria.

Aan de lijsten is ook een opsomming van mogelijke tegenmaatregelen toegevoegd waaruit lidstaten kunnen putten om op nationaal niveau sancties te verbinden aan belastingplichtigen die handelen met personen die zijn gevestigd in jurisdicties die op de zwarte lijst staan. Daarbij moet worden gedacht aan onder andere rente‑aftrekbeperkingen, toepassen van doorkijkregelingen, bronheffingen op betalingen aan crediteuren in deze jurisdicties en omkering van de bewijslast.

Onduidelijk is nog hoe de individuele EU-landen zullen reageren en welke tegenmaatregelen zij al dan niet zullen gaan toepassen. Nederland heeft nog geen nieuwe maatregelen doorgevoerd, maar in het regeerakkoord wel aangekondigd dat het in 2023 een nieuwe bronheffing wil invoeren op interest- en royaltybetalingen aan personen die zijn gevestigd in ‘low tax jurisdictions’. Daarnaast is opgenomen dat Nederland de dividendbelasting zal handhaven voor aandeelhouders gevestigd in deze jurisdicties. Het is nog onduidelijk of de nu gepubliceerde EU-blacklist hiervoor zal worden gebruikt.

Voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden staan twee overzeese gebiedsdelen, Aruba en Curaçao, op de grijze lijst. Zij hebben aangegeven in 2018 de nodige maatregelen te zullen treffen om aan de gestelde vereisten te voldoen. In dit kader dienen geïdentificeerde schadelijke regimes, zoals het E‑zoneregime en de vrijgestelde vennootschap, te worden aangepast.

 

Paul te Boekhorst

Naar boven


3. Nederlandse Hoge Raad acht kwijtscheldingswinstvrijstelling in borgstellingssituatie van toepassing

Inkomsten die een Nederlandse directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) geniet uit het ter beschikking stellen van vermogen – in de vorm van bijvoorbeeld geld of een pand – aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, worden op grond van de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling progressief belast in box 1 in plaats van (forfaitair) in box 3. Deze regeling is ook van toepassing indien de dga zich borg stelt. Van een aanmerkelijk belang is doorgaans sprake indien een natuurlijke persoon 5% of meer van (een soort van) de aandelen van een vennootschap bezit.

In het kader van deze regeling in borgstellingsverhoudingen bespreken wij graag het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017.

Casus

Een Nederlandse vennootschap (X BV) gaat in 2007 bij een bank een lening aan van € 150.000. De heer A is 40% aandeelhouder van X BV en stelt zich voor € 150.000 borg. Omdat de heer A borg staat voor een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang bezit, worden de opbrengsten hieruit (de borgstellingsvergoeding) belast in box 1 en zijn alle hiermee gemoeide kosten in beginsel aftrekbaar in box 1.

In 2010 gaat X BV failliet. Naar aanleiding hiervan vormt de heer A een voorziening van € 150.000. De dotatie aan deze voorziening van € 150.000 is door de Belastingdienst gevolgd en leidt bij de heer A tot een negatief resultaat uit terbeschikkingstelling. De heer A verrekent dit negatieve resultaat met andere box 1-inkomsten.

In 2011 spreekt de bank de heer A aan als borg en wordt A verzocht om € 150.000 aan de bank te betalen. A kan dit bedrag niet voldoen en betaalt eind 2011, tegen finale kwijting, € 30.000.

Geschil

In geschil is of een bedrag van € 120.000 (€ 150.000 -/- € 30.000) belast is bij de heer A. Deze stelt dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. De Belastingdienst meent van niet en stelt dat sprake is van een (belaste) vrijval van € 120.000 van de in 2010 gevormde voorziening. De Belastingdienst stelt dat dit bedrag ten gunste van het resultaat uit terbeschikkingstelling van de heer A dient te worden gebracht en als zodanig belast is in box 1.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad volgt het standpunt van de heer A. Hij acht op het bedrag van € 120.000 de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing, zodat dit bedrag niet wordt belast bij de heer A. De Hoge Raad overweegt dat de heer A op basis van de borgstelling en het initiële betalingsverzoek van de bank een ‘harde’ schuld van € 150.000 had aan de bank en dat van deze schuld – op basis van de overeenkomst tussen de heer A en de bank – € 120.000 is kwijtgescholden. Omdat op de kwijtscheldingswinst de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is, wordt het bedrag van € 120.000 bij de heer A niet belast.

De heer A heeft € 30.000 betaald aan de bank, maar heeft per saldo (in 2010) € 150.000 ten laste van zijn resultaat uit terbeschikkingstelling gebracht. Hij heeft derhalve een verlies van € 120.000 in aftrek gebracht dat hij niet feitelijk heeft geleden. Dit had de inspecteur naar onze mening (gedeeltelijk) kunnen voorkomen door in 2010 – toen vermoedelijk reeds te verwachten was dat de heer A geen
€ 150.000 aan de bank zou kunnen betalen – (een gedeelte van) de gevormde voorziening te corrigeren.

Op basis van vaste jurisprudentie kan namelijk een voorziening worden gevormd indien en voor zover:

  1. de toekomstige uitgaven hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan;
  2. de toekomstige uitgaven aan die periode kunnen worden toegerekend;
  3. ter zake van de toekomstige uitgaven een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen.

Omdat X BV in 2010 failliet ging en de heer A zich eerder borg stelde, lijkt aan de onder a) en b) genoemde voorwaarden te zijn voldaan. Omdat vermoedelijk reeds in 2010 kon worden verwacht dat de heer A geen € 150.000 aan de bank zou kunnen betalen, was mogelijk niet aan de onder c) genoemde voorwaarde voldaan.

Het bovenstaande neemt niet weg dat de heer A in 2010 een voorziening had kunnen vormen voor de uitgaven ‘welke zich met een redelijke mate van zekerheid’ zouden voordoen. Indien de heer A kon onderbouwen dat hij naar aanleiding van het faillissement van X BV in 2010 – na onderhandeling met de bank – kon verwachten dat hij een bedrag van € 75.000 zou dienen te voldoen aan de bank, had hij voor € 75.000 een voorziening kunnen vormen. Indien vervolgens € 30.000 aan de bank wordt voldaan tegen finale kwijting, biedt het arrest van de Hoge Raad aanknopingspunten om te stellen dat over € 45.000 (€ 75.000 -/- € 30.000) geen belasting is verschuldigd.

Of en in hoeverre bovengenoemde aanknopingspunten in specifieke borgstellingssituaties in uw voordeel kunnen worden toegepast, is onzeker en dient nader te worden bekeken. Indien gewenst, wisselen wij hierover graag met u van gedachten.

 

Mark Foesenek

Naar boven


4. Nederlandse Hoge Raad: geen 30%-regeling meer voor ingekomen werknemer uit België na eerste vijf jaar

Ruim een jaar geleden heeft Rechtbank Noord-Holland bevestigd dat ingekomen werknemers uit de grensstreek (waaronder België) geen recht hebben op toepassing van de 30%-regeling na de eerste vijf jaar van de looptijd. Hiervoor verwijzen wij naar de november 2016-editie van onze nieuwsbrief. Onlangs heeft de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd en beslist dat een ingekomen werknemer uit België geen gebruik meer kan maken van de 30%-regeling na verloop van de eerste vijf jaar.

150-kilometercriterium

De 30%-regeling is een forfaitaire regeling als tegemoetkoming voor kosten in verband met het tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten). Sinds 1 januari 2012 komen uitsluitend werknemers in aanmerking die ten minste 16 van de 24 maanden voorafgaand aan de tewerkstelling of uitzending woonachtig waren op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens.

Tussentijdse toetsing

Voor werknemers die op 1 januari 2012 reeds van de 30%-regeling gebruikmaakten, was een tussentijdse toetsing na vijf jaar na de datum van toekenning van de 30%-regeling van toepassing. De Belastingdienst past bij die tussentijdse toetsing het 150-kilometercriterium toe. Dit heeft tot gevolg dat een werknemer die voorafgaand aan zijn Nederlandse tewerkstelling woonachtig was in België of elders binnen de 150‑kilometergrens (in Luxemburg en in de Duitse en Franse grensstreek), de 30%-regeling niet meer mag toepassen na verloop van de periode van vijf jaar.

Arrest Hoge Raad

De Hoge Raad heeft nu beslist dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om bij de tussentijdse toetsing na vijf jaar het nieuwe 150-kilometercriterium toe te passen. De tekst van het besluit waarin de 30%-regeling is opgenomen staat volgens de Hoge Raad niet aan een dergelijke uitleg in de weg. Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel – de Belastingdienst heeft aan de werknemer een beschikking voor toepassing van de 30%-regeling afgegeven voor de duur van tien jaar – wordt door de Hoge Raad verworpen.

Indien u op 1 januari 2012 gebruikmaakt van de 30%-regeling, dient op basis van dit arrest van de Hoge Raad te worden beoordeeld of u in de periode van 24 maanden voorafgaand aan de tewerkstelling in Nederland meer dan acht maanden binnen 150 kilometer van de Nederlandse grens woonachtig bent geweest. In dat geval hebt u namelijk geen recht meer op toepassing van de 30%-regeling na afloop van de vijfjaarsperiode. Met het arrest van de Hoge Raad lijkt nu een einde te zijn gekomen aan de discussie omtrent de toepassing van de 30%-regeling bij ingekomen werknemers uit de grensstreek.

 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


5. Verscherping Belgisch regime vrijstelling van meerwaarde op aandelen

De hervorming vennootschapsbelasting, die nog steeds verwacht wordt (voor het grootste deel van de aangekondigde wijzigingen) in werking te treden voor de boekjaren die starten vanaf 1 januari 2018 (aanslagjaar 2019), zal voor vennootschappen betekenen dat de voorwaarden om te kunnen genieten van de vrijstelling van meerwaarde op aandelen zullen worden aangescherpt.

Huidige stelsel

Het stelsel van de meerwaarden op aandelen is sinds de wetswijzigingen die van toepassing zijn sinds de aanslagjaren 2013 en 2014 behoorlijk complex geworden.

Om te kunnen genieten van de vrijstelling van meerwaarde op aandelen bepaalt het huidige regime namelijk dat vennootschappen die onderworpen zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting dienen te voldoen aan het vereiste van:

  1. onderworpenheid, dat wil zeggen dat de vrijstelling alleen geldt voor aandelen gehouden in vennootschappen die gevestigd zijn in landen waar ze worden belast en waar ze niet aan een 'aanzienlijk gunstiger' fiscaal regime zijn onderworpen dan in België (analoog aan een van de voorwaarden die ook geldt voor de aftrek definitief belaste inkomsten, ‘DBI-aftrek’);
  2. minimumbezitstermijn, dat wil zeggen dat de aandelen minstens één jaar in volle eigendom behouden moeten zijn (dit is ook een van de voorwaarden voor de DBI-aftrek).

Indien niet aan het onderworpenheidsvereiste wordt voldaan en de aandelen minder dan één jaar worden aangehouden (dus niet voldaan aan bezitstermijn), dan worden de meerwaarden op die aandelen afzonderlijk belast tegen een tarief van 25,75%.

Indien de meerwaarde betrekking heeft op aandelen waarbij niet aan het onderworpenheidsvereiste is voldaan, dan worden de meerwaarden op die aandelen belast tegen het normale vennootschapsbelastingtarief (33,99%), ongeacht de bezitstermijn.

Vennootschappen die niet als KMO-vennootschap kwalificeren (grote vennootschappen) zijn – ook indien aan het onderworpenheids- en bezitstermijnvereiste wordt voldaan – onderworpen aan een heffing van 0,412% over de gerealiseerde meerwaarden op aandelen.

Het nieuwe stelsel

Het nieuwe stelsel omtrent de belastbaarheid van meerwaarde op aandelen wordt door de hervorming vennootschapsbelasting afgestemd op alle voorwaarden die gelden voor de aftrek definitief belaste inkomsten, de DBI-aftrek.

Vanaf 1 januari 2018 zal aan alle voorwaarden voor de DBI-aftrek (dus niet alleen het onderworpenheids- en bezitstermijnvereiste) moeten zijn voldaan om van de vrijstelling van meerwaarde op aandelen te kunnen genieten.

Meer specifiek zal ook aan de derde voorwaarde, het deelnemingsvereiste, moeten zijn voldaan. Dit wil zeggen dat men een deelneming moet houden van ten minste 10% in het kapitaal van de vennootschap of een deelneming met een aanschaffingswaarde van minstens € 2.500.000 om te kunnen genieten van een mogelijke vrijstelling op aandelen.

Het afzonderlijke tarief van 0,412%, dat geldt voor grote vennootschappen, wordt afgeschaft.

Voor boekjaren die ingaan vanaf 1 januari 2018 zal dan ook gelden dat meerwaarden op aandelen belastbaar zijn tegen het op dat moment geldende tarief in de vennootschapsbelasting, tenzij is voldaan aan de voorwaarden die ook gelden voor de DBI-aftrek. Er geldt dus slechts een vrijstelling van meerwaarden op aandelen indien:

  1. aan het onderworpenheidsvereiste is voldaan;
  2. de houdperiode van één jaar wordt gerespecteerd;
  3. aan het deelnemingsvereiste wordt voldaan.

De hervorming van de vennootschapsbelasting heeft ook implicaties voor het toepasselijke belastingtarief met betrekking tot de meerwaarde op aandelen. De volgende tabel geeft de aangepaste tarieven schematisch weer voor zowel het huidige als het toekomstige regime.

HUIDIG SYSTEEM

 

Voldaan aan onderworpenheidsvereiste

Niet voldaan aan onderworpenheidsvereiste

 

bezitsduur

< 1 jaar

 

 

25,75%

 

Standaardtarief 

33,99%

 

Verlaagd stijgend tarief (KMO)

 

 

bezitsduur

≥ 1 jaar

0,412% (grote vennootschappen)

 

0% (KMO)

NIEUW SYSTEEM

FASE 1 van de hervorming (aanslagjaren 2019-2020)


Fase 1 hervorming

Voldaan aan onderworpenheids- en deelnemingsvereiste

Niet voldaan aan onderworpenheids- en deelnemingsvereiste

 

bezitsduur

< 1 jaar

25,50%

20,40% voor zover ≤ € 100.000 (KMO)

 

Standaardtarief

29,58%


20,40% voor zover ≤ € 100.000 (KMO)

 

bezitsduur

≥ 1 jaar

0%


FASE 2 van de hervorming (vanaf aanslagjaar 2021)


Fase 2 hervorming

Voldaan aan onderworpenheids- en deelnemingsvereiste

Niet voldaan aan onderworpenheids- en deelnemingsvereiste

 

bezitsduur

< 1 jaar


Standaardtarief

25%


20% voor zover ≤ € 100.000 (KMO)

 

Standaardtarief

25%


20% voor zover ≤ € 100.000 (KMO)

 

 

bezitsduur

≥ 1 jaar

 

0%

Wij raden aan om met betrekking tot de vennootschappen die zijn onderworpen aan Belgische vennootschapsbelasting voor het einde van dit boekjaar na te gaan of er aandelen worden gehouden in vennootschappen waarvoor niet aan het deelnemingsvereiste wordt voldaan. In voorkomende gevallen adviseren wij aandelen voor het einde van dit boekjaar te verkopen of ervoor te zorgen dat alsnog aan het deelnemingsvereiste wordt voldaan, bijvoorbeeld door aandelen bij te kopen. Voor beleggingsvennootschappen gelden specifieke regels. Mocht u hierover vragen hebben of bijstand wensen, aarzelt u dan niet contact met ons op te nemen.

 

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


6. Onverwachte afvoering optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur

In de septembereditie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de in het Belgische Zomerakkoord vervatte btw-maatregel omtrent optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur. De Belgische regering heeft deze maatregel, tegen alle verwachtingen in, wegens budgettaire redenen inmiddels echter grotendeels van tafel geveegd. De professionele verhuur van onroerend goed blijft in België dus in principe vrijgesteld van btw. Het enige overlevende element betreft een uitbreiding van de zogenoemde 10%-regel in de distributie- en logistieksector.

Toch geen optie tot btw-heffing

In het kader van het Zomerakkoord werd door de Belgische regering gesteld dat het vanaf 1 januari 2018 in België eindelijk mogelijk zou worden om nieuwe professionele contracten van onroerende verhuur optioneel te onderwerpen aan btw.

De optionele btw-heffing zou weliswaar btw op de huurvergoedingen met zich meebrengen, maar ook de eigenaar-verhuurder in staat stellen de btw geheven over de aankoop- of constructiekosten van het gebouw in aftrek te brengen. Gegeven dat btw-plichtige huurders de btw op de huurvergoedingen (deels) zouden kunnen recupereren, zou de btw geen last meer zijn in de keten.

Begin oktober 2017 was de uitwerking van de maatregel zo goed als rond tot, tegen alle verwachtingen in, de Belgische regering de btw-maatregel grotendeels afvoerde. De professionele verhuur van onroerend goed blijft in België dus principieel vrijgesteld van btw. Er zijn wel uitzonderingen, zoals onder meer de verhuur van opslagruimte en parkeerruimtes en de onroerende financieringshuur.

Een maatregel die de Belgische regering wel wil behouden en uitbreiden is de btw-belaste verhuur van opslagruimte in de distributie- en logistieksector.

Wel voor de logistieke sector

Het enige dat dus overeind is gebleven, betreft de verhoging van het oppervlaktepercentage van de bijhorende kantoren bij de verhuur van opslagruimtes. Dit percentage bedraagt tot op heden 10%. Om de verhuring van de opslagruimte aan btw te onderwerpen, mag vanaf 2018 de oppervlakte van de bijhorende kantoren niet meer bedragen dan 50% van de totale oppervlakte. Vanaf 2018 zal dus de 50%-regel van toepassing zijn bij het verhuren van opslagruimten met bijhorende kantoren, in plaats van de huidige 10%-regel. Een omzendbrief met de praktische toepassing wordt nog verwacht.

Impact in België

De professionele verhuur van onroerend goed in België blijft dus in principe vrijgesteld van btw, met als gevolg dat er geen recht op btw-aftrek over diverse aankoop-, onderhouds- of constructiekosten kan worden toegepast. Deze niet-aftrekbare btw is een last die voor de verhuurder erg hoog kan oplopen en die hij, in de mate van het mogelijke, dan ook zal doorbelasten aan de toekomstige huurder. Door de afvoering van de optionele btw-heffing voor professionele onroerende verhuur zal de competitiviteit van de Belgische operatoren op de Europese markt nu toch geen steuntje in de rug krijgen. Zo blijven België en Griekenland de enige lidstaten die niet voorzien in een optionele btw-heffing voor onroerende verhuur.

 

Gladys Cristiaensen

Naar boven


7. Nederlandse btw-behandeling van vouchers

Op 27 juni 2016 heeft de Europese Raad een richtlijn (Voucherrichtlijn) aangenomen om de Europese Btw-richtlijn te wijzigen. Het doel van deze wijziging is om de btw-behandeling van vouchers binnen de Europese Unie te harmoniseren. Momenteel verschilt de btw-behandeling van vouchers nog per lidstaat. Als gevolg hiervan ontstaan er situaties van dubbele heffing en dubbele niet-heffing. De Europese richtlijn is erop gericht de concurrentieverstoring die hierdoor ontstaat, te voorkomen. Daarnaast wordt met de richtlijn beoogd een grens te trekken tussen vouchers enerzijds en instrumenten die uitsluitend tot betaling dienen (‘algemene betaalmiddelen’) anderzijds.

Implementatie Voucherrichtlijn in Nederland

Naar aanleiding van de Voucherrichtlijn heeft de staatssecretaris van Financiën op 7 juli 2017 het Nederlandse wetsvoorstel voor de btw-behandeling van vouchers gepubliceerd. Het wetsvoorstel introduceert een aantal wijzigingen:

  • In de Nederlandse Wet op de omzetbelasting 1968 wordt een definitie van het begrip ‘voucher’ opgenomen.
  • Er worden twee soorten vouchers geïntroduceerd: vouchers voor enkelvoudig gebruik en vouchers voor meervoudig gebruik. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik staat de btw-behandeling vast op het moment van uitgifte, bij vouchers voor meervoudig gebruik niet.
  • De btw-heffing over enkelvoudige vouchers vindt plaats op het moment van aankoop van de voucher. Tevens vindt btw-heffing plaats bij doorverkoop. De inwisseling van de voucher is geen zelfstandige handeling voor de btw en is dus niet belast.
  • Btw-heffing over meervoudige vouchers vindt plaats op het moment dat de voucher wordt ingewisseld. De uitgifte van de voucher is niet aan btw onderworpen. Bij doorverkoop vindt evenmin btw-heffing plaats.

De nieuwe wetgeving treedt naar verwachting met ingang van 1 januari 2019 in werking en de wetgever streeft ernaar om de wettekst zo nauwkeurig mogelijk te laten aansluiten op de tekst van de Voucherrichtlijn.

Een voorbeeld van een enkelvoudige voucher is een tegoedbon voor een gratis hamburger bij een fastfoodketen in Nederland. Op het moment van uitgifte van de voucher staat immers al vast dat de levering van de hamburger in Nederland is belast met het verlaagde tarief. Btw-heffing vindt daarom plaats op het moment van uitgifte van de voucher en niet op het moment van inwisseling van de voucher door de consument.

Een voorbeeld van een meervoudige voucher is een VVV Dinercheque. Pas als de consument de cheque inwisselt bij een bepaald restaurant, vindt btw-heffing plaats. Op dat moment staat immers pas vast welke prestaties zijn geleverd en met welk tarief deze zijn belast. Indien tijdens het diner bijvoorbeeld alcohol is geschonken, is het algemene tarief daarop van toepassing. Of alcohol is geschonken staat echter pas vast op het moment van inwisseling van de cheque en daarom vindt btw-heffing niet al plaats op het moment van uitgifte van de cheque.

En in België?

De Belgische btw-administratie past de nieuwe regeling zoals opgenomen in de Europese Voucherrichtlijn voor enkelvoudige en meervoudige vouchers al grotendeels toe. Hierdoor zal de weerslag van de omzetting van de richtlijn in België eerder beperkt blijven.

Slot

In het voorgaande is een aantal belangrijke zaken uit het wetsvoorstel toegelicht. Het bovenstaande is geen volledig overzicht van alle verwachte wijzigingen met betrekking tot de btw-behandeling van vouchers. Omdat de regelgeving op dit vlak complex is en er nog veel onduidelijkheden zijn, raden wij u aan goed te (laten) onderzoeken wat de mogelijke gevolgen van de nieuwe wetgeving zijn voor de btw-behandeling van vouchers.

 

Christian Balk en Janine Meijs

Naar boven


8. Transferpricingdocumentatie: de relevante data naderen!

In onder meer onze nieuwsbrief van oktober 2017 besteedden wij aandacht aan de transferpricingdocumentatievereisten in Nederland en België. Naar aanleiding van recente ontwikkelingen in beide landen en met het oog op de nadere relevante data geven wij u hierbij een update.

Country-by-Country Reporting

Zoals eerder vermeld zijn Nederlandse en Belgische (surrogaat)moederentiteiten die deel uitmaken van een internationale groep met een geconsolideerde groepsomzet van minstens € 750 miljoen verplicht om jaarlijks een ‘Country-by-Country Report’ (‘CbC-rapport’) in te dienen. Elke Belgische en Nederlandse entiteit die deel uitmaakt van een dergelijke groep dient bovendien de belastingautoriteiten te notificeren over welke groepsentiteit het CbC-rapport zal indienen.

CbC-rapport 

Voor beide landen geldt dat het CbC-rapport voor de groep in beginsel uiterlijk twaalf maanden na het afsluiten van het betreffende boekjaar dient te worden ingediend. Indien het boekjaar 2016 eindigt op 31 december 2016, dient het CbC-rapport 2016 derhalve in beginsel uiterlijk 31 december 2017 te worden ingediend.

Indien een Nederlandse entiteit het CbC-rapport 2016 voor de groep indient, dient het CbC-rapport uiterlijk 31 december 2017 te worden ingediend. De Belgische autoriteiten hebben uitstel verleend voor het CbC-rapport 2016. Indien een Belgische entiteit het CbC-rapport 2016 voor de groep indient, dient het CbC-rapport voor 31 maart 2018 te worden ingediend.

Na indiening van het CbC-rapport dienen de belastingautoriteiten in de landen waarin een groep actief is via de internationale uitwisselingsmechanismen het CbC-rapport te ontvangen van de belastingautoriteit in het land waar het CbC-rapport wordt ingediend. Op 15 december 2017 berichtte de coördinator Country-by-Country Reporting van de Nederlandse Belastingdienst echter dat, op basis van de huidige stand van zaken, Nederland uit bepaalde jurisdicties (zoals Rusland, Colombia, India en Indonesië) geen landenrapport zal ontvangen. Het gevolg hiervan is dat in beginsel een lokale indieningsverplichting kan gelden, waardoor het CbC-rapport ook in Nederland separaat moet worden ingediend. Omdat in veel gevallen de verplichting zal bestaan om het CbC-rapport 2016 uiterlijk 31 december 2017 in te dienen, dient in dergelijke gevallen zeer snel actie te worden ondernomen.

CbCR-notificatie 

Op basis van de Nederlandse wetgeving dient de CbCR-notificatie vanaf het jaar 2017 uiterlijk op de laatste dag van het boekjaar plaats te vinden. Voor kwalificerende multinationale groepen waarvan het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, dient iedere groepsentiteit die is gevestigd in Nederland de vereiste notificatie derhalve uiterlijk 31 december 2017 in te dienen. Indien een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar wordt gehanteerd, diende de CbCR-notificatie voor het jaar 2016 reeds voor 1 september 2017 te zijn ingediend.

Omwille van aanhoudende technische problemen met hun elektronisch platform hebben de Belgische autoriteiten voor indiening van de CbC-notificatie voor het jaar 2017 – waarbij het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar – uitstel verleend tot 31 maart 2018. De CbCR-notificatie 2016, waarbij het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, diende uiterlijk 30 september 2017 te zijn ingediend.

Master File en Local File 

Nederland 

Zoals eerder opgemerkt, dienen de Master File en Local File beschikbaar te zijn in de administratie van de belastingplichtige na afloop van de periode waarbinnen de aangifte vennootschapsbelasting moet worden ingediend, inclusief eventueel verleend uitstel voor indiening. Wanneer het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar en (standaard) uitstel is verleend, dienen de documenten doorgaans uiterlijk 1 mei 2018 aanwezig te zijn.

België

Op basis van de Belgische regelgeving dient het Master File-formulier in beginsel te worden ingediend bij de belastingautoriteiten binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar van de groep, voor boekjaren 2016 gelijk aan het kalenderjaar derhalve uiterlijk 31 december 2017. Wegens de aanhoudende technische problemen met het elektronisch platform is de deadline voor de indiening van het Master File-formulier voor boekjaren die eindigen op 31 december 2016 uitgesteld tot 31 maart 2018. 

Het Belgische Local File-formulier dient reeds beschikbaar te zijn op het moment van indiening van de Belgische aangifte vennootschapsbelasting. Voor boekjaren die eindigen op 31 december 2016 diende dit formulier reeds uiterlijk 29 september 2017 te zijn ingediend. Hoewel er geen formele verplichting is om een Local File(-rapport) in te dienen, adviseren wij deze beschikbaar te houden indien er materiële intragroepstransacties zijn waarbij de Belgische entiteit betrokken is.

 

Tim Bruins en Véronique Slachmuylders

Naar boven