Beperking lenen van eigen bv door dga (2022)

Tegelijk met het Belastingplan 2019 kondigt het kabinet een maatregel aan die het lenen van de eigen bv door directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) wil ontmoedigen. De maatregel beoogt het belastinguitstel in box 2 tegen te gaan door inkomen in box 2 te constateren voor zover de totale som van schulden bij de eigen bv meer bedraagt dan € 500.000.

Om dga’s de mogelijkheid te bieden om hun excessieve schulden aan de eigen bv tijdig terug te brengen, gaat de maatregel pas in per 1 januari 2022. En zal er een overgangsmaatregel komen voor bestaande eigenwoningschulden. Het is niet duidelijk wanneer sprake is van een bestaande eigenwoningschuld. Het kabinet is voornemens het wetsvoorstel in het voorjaar van 2019 naar de Tweede Kamer te sturen.

Tweeschijvenstelsel box 1 (sociale vlaktaks)

Er komt in box 1 stapsgewijs een tweeschijvenstelsel. In de kalenderjaren 2019 en 2020 worden de drie laagste tarieven steeds verder in lijn gebracht, totdat in 2021 het basistarief (inclusief premie volksverzekeringen) 37,05% bedraagt. Dit basistarief gaat gelden voor het inkomen tot en met € 68.507. Daarnaast wordt het huidige toptarief in drie stappen verlaagd tot 49,50% in 2021. Het toptarief gaat gelden voor het inkomen boven € 68.507. Het beginpunt voor het toptarief wordt tot en met 2024 bevroren. De vlakkere tariefstructuur zorgt ervoor dat het minder van belang wordt of het inkomen in een huishouden met één of twee personen wordt verdiend. Dit maakt de fiscale behandeling van verschillende typen huishoudens evenwichtiger.

Voor AOW-gerechtigden geldt tot een inkomen van € 35.286 (2021) een tarief van 19,15% (2021).

Alle aftrekposten in box 1 geleidelijk naar basistarief (2020)

Met ingang van 2020 wordt het tarief waartegen kosten in box 1 aftrekbaar zijn voor alle aftrekposten gelijkgetrokken met het aftrektarief van de hypotheekrente. Voorts wordt het aftrektarief met 3%-punt per jaar afgebouwd tot aan het basistarief, dat in 2023 wordt bereikt. De hypotheekrenteaftrek wordt dus vanaf 2020 versneld afgebouwd, nu gaat dat nog met stapjes van 0,5% per jaar. Zoals gezegd geldt dit niet alleen voor de hypotheekrente, maar bijvoorbeeld ook voor de ondernemersaftrek (o.a. zelfstandigenaftrek) alimentatie, scholingsuitgaven en aftrekbare giften.

Conserverende aanslag lijfrente en pensioen

Op 14 juli 2017 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of bij emigratie conserverende aanslagen mogen worden opgelegd als de belastingplichtige emigreert naar een land dat een belastingverdrag met Nederland heeft gesloten waarin is bepaald dat alleen het woonland het heffingsrecht zal hebben over pensioenen en lijfrenten. In dergelijke gevallen wordt op grond van de huidige wet niet de waarde in het economische verkeer van de pensioen- en lijfrenterechten in de conserverende aanslag betrokken, maar slechts het bedrag waarvoor in Nederland fiscale faciliteiten zijn genoten.

Voor lijfrenten en beroepspensioenregelingen heeft de Hoge Raad beslist dat deze methodiek alleen is toegestaan voor zover premies zijn afgetrokken in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 2000 en in de periode vanaf 16 juli 2009. Voor bedrijfs(tak)pensioenregelingen en pensioen in eigen beheer is beslist dat dit slechts is toegestaan voor zover het pensioen fiscaal werd gefacilieerd door Nederland vanaf 16 juli 2009. Voorgesteld wordt om deze beslissingen van de Hoge Raad per 1 januari 2019 in de wet vast te leggen.

Verhoging box 2-tarief (2020)

Vanwege de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting wordt het box 2-tarief in de inkomstenbelasting verhoogd naar 26,25% in 2020 en 26,9% vanaf 2021. Het verhoogde tarief gaat ook gelden voor bestaande aanmerkelijkbelangclaims.

Periode keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht verkort naar vijf jaar

Onder de 30%-regeling kan de werknemer kiezen voor de partiële buitenlandse belastingplicht. Dit betekent dat de werknemer voor de belastingheffing in Box 2 en Box 3 wordt aangemerkt als buitenlands belastingplichtige en slechts voor inkomsten uit een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap in de heffing van Box 2 en slechts voor inkomsten uit in Nederland gelegen onroerende zaken in de heffing van Box 3 wordt betrokken. Vanwege de verkorting van de toekenningsduur van de 30%-regeling wordt met ingang van 1 januari 2019 ook de periode waarin de keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht kan worden gemaakt, teruggebracht van acht naar vijf jaar. 

Wijzigingen in de heffingskortingen

  • De algemene heffingskorting wordt vanaf 2019 verhoogd met uiteindelijk een bedrag van € 358 in 2021.
  • De arbeidskorting wordt verhoogd zodat het maximum circa € 365 hoger ligt en vervolgens sneller afgebouwd, het afbouwpercentage wordt 6% (voor AOW-gerechtigden ruim 3%).
  • De ouderenkorting wordt verhoogd met € 178 en tegelijkertijd wordt er een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw geïntroduceerd in plaats van de huidige harde afbouwgrens. Het afbouwpercentage wordt 15%.
  • De opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (voor alleenstaanden en minstverdienende partners die de zorg hebben voor kinderen tot twaalf jaar) begint vanaf 2019 bij een hoger inkomen en de vaste voet verdwijnt. De opbouw gaat sneller waardoor het maximum al bij een lager inkomen wordt bereikt.
  • Het recht op arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt per 2020 afgeschaft voor nieuwe uitkeringsgerechtigden voor de Ziektewet zonder werkgever.

Vervanging monumentenaftrek door subsidieregeling (geen onderdeel Belastingplan 2019)

Het kabinet wil de fiscale aftrek voor onderhoud van rijksmonumentenpanden per 2019 vervangen door een subsidieregeling. Voor alle huidige (en toekomstige) eigenaren/bewoners die nu gebruik kunnen maken van de fiscale aftrek komt er één nieuwe, voor iedereen gelijke regeling voor onderhoud. Hier kunnen eigenaren een beroep op doen voor de instandhouding van hun rijksmonumentale woning. Eigenaren kunnen in de nieuwe regeling maximaal 35% subsidie krijgen voor gemaakte instandhoudingskosten. 

Beperking renteaftrek eigenwoningschuld in hoogste schijf tot 49% (geen onderdeel Belastingplan 2019)

Vanaf 2014 wordt het maximale percentage waartegen de rente over de eigenwoningschuld in de hoogste schijf kan worden afgetrokken jaarlijks met 0,5% verlaagd. De renteaftrek voor de eigenwoningschuld bedraagt in 2019 dus maximaal 49%. Vanaf 2020 zal de afbouw van het aftrekpercentage worden versneld totdat in 2023 het aftrektarief 37,05% bedraagt (tarief eerste schijf).

Geleidelijke uitfasering aftrek geen of geringe eigenwoningschuld (‘Hillenaftrek’, geen onderdeel Belastingplan 2019)

De aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld (‘Hillenaftrek’) bewerkstelligt dat belastingplichtigen die hun eigenwoningschuld (bijna) volledig hebben afgelost en dus (bijna) geen rente meer betalen, een aftrekpost ontvangen die tot 2019 gelijk is aan het eigenwoningforfait (minus de eventueel nog resterende rente). Vanaf 2019 wordt de Hillenaftrek in dertig jaar in gelijke stappen uitgefaseerd. In 2019 wordt de aftrek dus nog maar voor 96 2/3% in aanmerking genomen.