Belastingplan 2018: btw

19 september 2017

Telraam

Aanpassing btw-nultarief met betrekking tot zeeschepen

Op grond van de Btw-richtlijn zijn de levering van schepen die op de volle zee worden gebruikt voor passagiersvervoer tegen betaling, vrachtvervoer, visserij en dergelijke vrijgesteld. De vrijstelling geldt ook voor de bevoorrading van die schepen en de voorwerpen die met de schepen vast verbonden zijn of voor hun exploitatie dienen. Denk aan de verbouwing, reparatie of het onderhoud van de schepen. In Nederland zijn de vrijstellingen vormgegeven door een btw-nultarief. De Europese Commissie heeft Nederland erop gewezen dat de bepaling te ruim is geformuleerd. De vrijstelling is gekoppeld aan zogenoemde zeeschepen, zonder dat daarbij de eis is gesteld dat die zeeschepen ook daadwerkelijk worden gebruikt voor de vaart op volle zee. De maatregel kan onder andere gevolgen hebben voor de veerdiensten op de Waddenzee en commercieel geëxploiteerde jachten, de zogenoemde Commercial Cruising Vessels, voorzover ze niet voor de vaart op volle zee worden gebruikt.

Aanscherping btw op geneesmiddelen

Geneesmiddelen vallen onder het verlaagde  btw-tarief van thans 6%. De Hoge Raad heeft eind 2016 beslist dat bepaalde zonnebrandmiddelen en natriumfluoridehoudende tandpasta kwalificeren als geneesmiddel. Dit levert volgens de regering een ongewenste oprekking op van het begrip geneesmiddel en daarmee een budgettaire derving en complexe afbakenings- en uitvoeringsproblematiek. Via het Belastingplan 2018 wordt daarom de definitie van geneesmiddel aangepast zodat het weer in overeenstemming is met doel en strekking en de maatschappelijke opvatting over wat een geneesmiddel is. Alleen producten die na goedkeuring van de daartoe bevoegde autoriteiten als geneesmiddel in de handel mogen worden gebracht, vallen met ingang van 1 januari 2018 onder het verlaagde btw-tarief. Cosmetische, verzorgende en reinigende producten, waaronder tandpasta en zonnebrandmiddelen, komen met ingang van die datum niet meer in aanmerking voor het verlaagde btw-tarief.

Nieuwe btw-aansprakelijkheid voor pand- en hypotheekhouders en executanten

Indien een belastingplichtige bij een gedwongen verkoop van een zaak de btw ter zake van de levering van die zaak niet betaalt, kan de ontvanger zich vanaf 1 januari 2018 wenden tot de pand- of hypotheekhouder of executant. Als die zich hebben verhaald op het door de koper betaalde bedrag zullen zij aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de omzetbelasting die ter zake van de levering van die zaak verschuldigd is. Daarvoor wordt een nieuwe aansprakelijkheidsbepaling ingevoerd. Deze is bedoeld voor situaties waarbij de thans bestaande verplichte btw-verleggingsregeling geen toepassing kan vinden, zoals bijvoorbeeld bijde verkoop van winkelvoorraden aan particulieren.

Afschaffing btw-landbouwregeling

Voorgesteld wordt om de landbouwregeling in de omzetbelasting af te schaffen.

Huidige regeling

Op grond van deze regeling blijven momenteel landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers (hierna: landbouwers) buiten de btw en hoeven zij geen btw-administratie bij te houden. De landbouwer is geen btw verschuldigd maar kan de aan hem in rekening gebrachte btw ook niet terugvragen. Om cumulatie van de btw in de bedrijfskolom te voorkomen, kan de aftrekgerechtigde afnemer van de landbouwer een landbouwforfait in aftrek brengen. Dit forfait bedraagt 5,4% van de verkoopprijs van de prestaties verricht door de landbouwer en komt overeen met de gemiddelde btw-voordruk van landbouwers. Wanneer landbouwers ervoor kiezen geen gebruik te maken van de btw-landbouwregeling worden zij op de gebruikelijke wijze in de btw-heffing betrokken en geldt het landbouwforfait niet.

Door de moderniseringsslag in de landbouw verschillen landbouwers naar het oordeel van het kabinet echter niet meer wezenlijk van andere ondernemers en zal het bijhouden van een btw-administratie niet of nauwelijks problemen meer opleveren. Bovendien maakt het niet kunnen terugvragen van btw de regeling onaantrekkelijk voor hen die een relatief hoge voordruk hebben, zoals ondernemers die veel investeren.

Maatregel

Zodoende dienen alle landbouwers vanaf 1 januari 2018, net als andere ondernemers, over hun prestaties btw te voldoen en kunnen zij btw over de aan hen verrichte prestaties terugvragen.

Overgangsrecht

De landbouwer die tot 1 januari 2018 onder de landbouwregeling valt en btw in rekening gebracht krijgt in verband met de aanschaf van goederen en diensten, kan deze btw niet in aftrek brengen. Deze landbouwer valt vanaf 1 januari 2018 onder de toepassing van de algemene btw-regels en zal alsnog in aanmerking willen komen voor de niet genoten aftrek met betrekking tot (A) investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 reeds in gebruik zijn genomen en (B) goederen en diensten (inclusief investeringsgoederen) die op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen.

  • A. Voorgesteld wordt dat – anders dan volgens de bestaande herzieningsregels - deze herziening in één keer moet plaatsvinden voor de resterende herzieningsperiode in het eerste belastingtijdvak van 2018.
  • B. Voor alle goederen en diensten die door de landbouwer vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen, wordt het volgende voorgesteld. De aftrek van de ter zake van de aanschaf van deze goederen en diensten in rekening gebrachte btw vindt in het eerste belastingtijdvak van 2018 plaats overeenkomstig de als gevolg van de afschaffing van de landbouwregeling gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten.
© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.