Wijziging van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen (artikel 10a en 15ad Wet Vpb 1969)

Artikel 10a Wet Vpb 1969 (hierna artikel 10a) beperkt de aftrek van rente op een schuld aan een verbonden lichaam of een natuurlijk verbonden persoon in gevallen waarin, kort gezegd, de Nederlandse grondslag kunstmatig wordt uitgehold. Daarbij is sprake van verbondenheid bij belangen van een derde of meer. In de praktijk komt het echter voor dat verschillende partijen een gezamenlijke investering doen, bijvoorbeeld in het kader van een overnamestructuur bij een private-equityinvestering, maar niet elk van de partijen individueel een belang van een derde of meer heeft. In die gevallen kan in materiële zin toch sprake zijn van verbondenheid, omdat de investeerders optreden als een samenwerkende groep. Daarom wordt voorgesteld om wettelijk vast te leggen dat ook sprake is van de vereiste verbondenheid bij de aanwezigheid van een samenwerkende groep. De tot deze groep behorende investeerders moeten samen dan wel een derde belang of meer bezitten in de belastingplichtige.

Artikel 15ad Wet Vpb 1969 (hierna artikel 15ad) beperkt sinds 2012 de aftrek van rente op overnameschulden door, kort gezegd, te bepalen dat bovenmatige overnamerente niet in mindering komt op de winst van de fiscale eenheid die toerekenbaar is aan de overgenomen maatschappij. Deze regeling wordt op de hierna volgende drie punten aangescherpt (zie ook ons eerdere memorandum over de aan de wijzigingen ten grondslag liggende kabinetsbrief van eind 2015).

  1. ‘Debt push down’
    Ten eerste leidt de toepassing van artikel 15ad, als gevolg van de technische vormgeving van deze bepaling, niet tot de gewenste uitkomst indien de overnameschuld komt te berusten bij de overgenomen maatschappij (de zogenoemde debt push down). Voorgesteld wordt om artikel 15ad aan te passen zodat ook deze situaties afdoende worden bestreden.
  2. Maximumfinanciering bij verhangingen (zevenjaarstermijn)
    Artikel 15ad is, kort gezegd, niet van toepassing indien ten hoogste 60% van de verkrijgingsprijs van een overgenomen maatschappij met vreemd vermogen wordt gefinancierd en deze financiering in zeven jaar geleidelijk wordt afgebouwd tot ten hoogste 25% van de verkrijgingsprijs. Voorgesteld wordt om deze ‘financieringsescape’ aan te scherpen om te voorkomen dat de afbouwtermijn van zeven jaar opnieuw aanvangt door verhanging van de overgenomen maatschappij binnen concern. Voor het concernbegrip wordt aangesloten bij de term ‘verbonden lichaam’ als bedoeld in artikel 10a (zie hiervoor).
  3. Aanpassing overgangsrecht
    Bij de inwerkingtreding van artikel 15ad is bepaald dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn op fiscale eenheden die al bestonden op 14 november 2011. Nu wordt echter voorgesteld om het eerbiedigende overgangsrecht niet meer van toepassing te laten zijn indien een overnameholding op of na 1 januari 2017 in een nieuwe fiscale eenheid met een andere moeder wordt opgenomen. In een eerder ter consultatie voorgelegd voorstel was nog sprake van volledige materieel terugwerkende kracht. Naar aanleiding van de ontvangen commentaren is evenwel besloten op 31 december 2016 bestaande gevallen niet langer onder deze aanscherping te laten vallen.

Verlenging eerste schijf (vanaf 2018)

De eerste schijf waarin het 20%-tarief geldt, wordt in 2018 verlengd van € 200.000 naar € 250.000, in 2020 van € 250.000 naar € 300.000 en in 2021 van € 300.000 naar € 350.000. Dit is niet alleen goed voor het MKB, maar maakt bovendien het opbouwen van netto vermogen in de bv aantrekkelijker.