Behalve de in andere onderdelen genoemde fiscale maatregelen uit het Belastingplan 2017 staat nog een aantal andere (fiscale) ontwikkelingen op stapel. Hierna behandelen wij enkele daarvan kort.

Wetsvoorstel wijziging fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Op 16 oktober 2015 is in vervolg op een besluit uit december 2014 een wetsvoorstel ingediend om een fiscale eenheid van zustermaatschappijen van een in de Europese Unie (EU) of Europese Economische Ruimte (EER) gevestigde moedermaatschappij, en een fiscale eenheid tussen een binnenlandse moedermaatschappij en binnenlandse kleindochtermaatschappijen die gehouden worden via een of meer in de EU of EER gevestigde tussenhoudstermaatschappijen wettelijk mogelijk te maken. Volgende week stemt de Tweede Kamer over het wetsvoorstel.

Inhoudingsplicht coöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling

De staatssecretaris van Financiën heeft op Prinsjesdag in een brief aan de Tweede Kamer voorstellen gedaan voor aanpassing van de dividendbelasting. Met deze voorstellen wil het kabinet een einde maken aan het verschil in behandeling in de dividendbelasting tussen leden van coöperaties en aandeelhouders van kapitaalvennootschappen, zoals de nv en de bv. Deze voorstellen moeten mede in het licht worden gezien van een mededeling van de Europese Commissie inzake mogelijke staatssteun.
Het voorstel houdt allereerst in dat een inhoudingsplicht wordt geïntroduceerd voor uitdelingen van houdstercoöperaties (dat wil zeggen: coöperaties die met name worden gebruikt als houdster of tussenhoudster) aan hun leden, indien en voor zover een lid een belang in de houdstercoöperatie heeft van 5% of meer. Ten tweede acht het kabinet het gewenst de inhoudingsvrijstelling voor deelnemingsdividenden in ondernemingsstructuren uit te breiden naar deelnemingsverhoudingen waarbij de moedermaatschappij is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Nederland volgt hierin het voorbeeld van landen als België en Denemarken. Om te voorkomen dat daarmee onbelaste doorstroom van dividenden vanuit Nederland naar niet-verdragslanden en dus ook ‘tax havens’ mogelijk kan worden, zal in de wet worden voorzien in een adequate regeling voor de bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik. Voor de antimisbruikregeling zal worden aangesloten bij bijvoorbeeld de algemene antimisbruikbepaling (GAAR) uit de Moeder-dochterrichtlijn, waardoor in het geval van kunstmatige constructies de vrijstelling niet zal worden toegepast en deze uitsluitend in ondernemingsstructuren zal gelden.

 

Wetsvoorstel Wet uitwisseling inlichtingen over rulings

Op 2 september 2016 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën het wetsvoorstel Wet uitwisseling inlichtingen over rulings ingediend bij de Tweede Kamer. In Richtlijn 2015/2376/EU zijn voorschriften over de automatische uitwisseling van voorafgaande rulings en verrekenprijsafspraken tussen EU-lidstaten opgenomen. Met het wetsvoorstel wordt de richtlijn in de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) geïmplementeerd. Hiermee wordt de uitwisseling van inlichtingen over rulings tussen de lidstaten geregeld. De uitwisseling van informatie over rulings met de landen waarmee overeenkomstig de OESO-richtlijnen wordt uitgewisseld, vindt plaats op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-verdrag), op basis van een belastingverdrag of op basis van een ‘Tax Information Exchange Agreement’ (TIEA). Die uitwisseling vergt geen implementatie in nationale wetgeving; de WIB biedt al voldoende basis. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de wetswijzigingen is 1 januari 2017.

Wetsvoorstel ter implementatie van de bepalingen uit de vierde Europese antiwitwasrichtlijn die betrekking hebben op het UBO-register

Het wetsvoorstel ter implementatie van een UBO-register (UBO staat voor ‘ultimate beneficial owner’, uiteindelijk belanghebbende) is in voorbereiding. Naar verwachting zal dit najaar een consultatieversie van dit wetsvoorstel openbaar worden gemaakt.

Beperking renteaftrek eigenwoningschuld in hoogste schijf tot 50%

Vanaf 2014 wordt het maximale percentage waartegen de rente over de eigenwoningschuld in de hoogste schijf kan worden afgetrokken jaarlijks met een 0,5% verlaagd. De renteaftrek voor de eigenwoningschuld bedraagt in 2017 dus maximaal 50%.

Hervorming vermogensrendementsheffing box 3

Met ingang van 2017 wordt de vermogensrendementsheffing in box 3 aangepast. Kleinere vermogens zullen minder zwaar worden belast en grotere vermogens zwaarder. Het vrijgestelde vermogen wordt met bijna € 4.000 verhoogd tot € 25.000 per belastingplichtige. Het vaste forfaitaire rendement van 4% wordt losgelaten. Voor het box 3-vermogen boven de vrijstelling tot € 100.000 zal van een rendement van 2,9% worden uitgegaan. Dit percentage wordt vervolgens jaarlijks aangepast, gebaseerd op de gemiddelde rentestand van de afgelopen vijf jaar. Voor het vermogen tussen € 100.000 en € 1.000.000 wordt gerekend met een rendement van 4,7%. In dit percentage is naast de gemiddelde rentestand ook het gemiddelde rendement van een representatief beleggingspakket meegenomen. Voor zover het vermogen meer dan € 1.000.000 bedraagt, wordt een rendement van 5,5% gehanteerd. Het belastingtarief in box 3 blijft 30%.

Brief bij de voortgangsrapportage heffing box 3 op basis van werkelijke rendement

Naar aanleiding van de discussies over de omvang van het in box 3 te belasten rendement heeft het Ministerie van Financiën onderzoek verricht naar de mogelijkheid van een heffing op werkelijke, individueel bepaalde rendementen. Men heeft gekeken naar de volgende varianten.

 

Variant A is in de basis een vermogensaanwasbelasting op alle vermogensbestanddelen:

  • bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: werkelijke rente wordt belast;
  • aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke vermogensaanwas wordt belast, dus de koerswinst, de rente en de dividenden van dat jaar;
  • onroerende zaken en overig vermogen: het belastbaar inkomen wordt forfaitair bepaald.

Variant B is in de basis een vermogenswinstbelasting:

  • bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: werkelijke rente wordt belast;
  • aandelen, obligaties en derivaten: werkelijke rente en dividenden worden belast; vermogenswinst wordt belast bij realisatie, bijvoorbeeld door verkoop;
  • onroerende zaken en overig vermogen: het belastbaar inkomen wordt forfaitair bepaald.

In variant C wordt het rendement voor elke vermogenstitel over een belastingjaar achteraf forfaitair vastgesteld. Het vermogen van de belastingbetaler aan het begin van het jaar wordt toegerekend aan de bestanddelen spaargeld, aandelen, obligaties, onroerend goed en overig. Op de waarde van ieder van die bestanddelen wordt na afloop van het jaar bij de individuele belastingbetaler forfaitair het gemiddelde (macro)rendement van ieder van die bestanddelen toegepast. Door het gemiddelde rendement na afloop van het belastingjaar te nemen wordt ontwijking op de peildatum volgens het ministerie minder voorspelbaar en dus minder aantrekkelijk.

Er wordt thans nog geen keuze gemaakt, dit vergt nog nadere studie en overleg. Nadat een keuze is gemaakt, zal er nog een consultatieronde volgen. Een wetsvoorstel wordt op zijn vroegst pas in het najaar van 2018 verwacht. Wel is duidelijk dat het box 3-regime zoals dat op 1 januari 2017 van kracht zal worden, slechts een beperkt aantal jaren zal gelden.

Verhoging forfaitair voordeel vbi of buitenlandse beleggingsinstelling box 2

Het forfaitaire voordeel uit een aanmerkelijk belang in een vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) of een buitenlands beleggingslichaam, voor vermindering met de daadwerkelijk in aanmerking genomen reguliere voordelen, wordt verhoogd van 4% tot 5,5% van de waarde in het economische verkeer van de aandelen of winstbewijzen aan het begin van het kalenderjaar. Deze maatregel is bedoeld om uitwijking van beleggers in box 3 naar vbi’s te ontmoedigen.

Verhoging vrijstelling schenking eigen woning naar € 100.000

Met ingang van 1 januari 2017 wordt de eenmalige vrijstelling voor een schenking die verband houdt met de eigen woning structureel verhoogd: van € 53.016 (bedrag 2016) naar € 100.000. Het bedrag moet worden besteed aan aankoop of verbouwing van de eigen woning, afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming, aflossing van de eigenwoningschuld of een restschuld. De begunstigde moet tussen de 18 en 40 jaar zijn. De beperking dat de schenking moet zijn gedaan door een ouder aan een kind vervalt. De verkrijger kan per schenker eenmaal in zijn leven gebruikmaken van de vrijstelling. Degenen die al in 2015 of 2016 gebruik hebben gemaakt van de verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning kunnen in 2017 en 2018 nog een vrijstelling toepassen tot het bedrag waarmee de met ingang van 2017 geldende vrijstelling voor de eigen woning die van 2016 overtreft.

 

Wet uitwerking Autobrief II

In de Wet uitwerking Autobrief II zijn de fiscale automaatregelen voor 2017 tot en met 2020 verder uitgewerkt. Er blijven nog maar twee bijtellingscategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor nulemissieauto’s en 22% voor alle andere auto’s met een datum van eerste toelating op de weg vanaf 1 januari 2017. Dit jaar zijn er nog vier bijtellingscategorieën afhankelijk van de CO2-uitstoot:

 

0 gr/km

1-50 gr/km

51-106 gr/km

> 106 gr/km

2016

4%

15%

21%

25%

2017

4%

22%

22%

22%

Vanaf 2019 zal voor volledig elektrische auto’s het deel van de catalogusprijs dat boven € 50.000 uitkomt ook onder het algemene bijtellingspercentage van 22% vallen. De BPM wordt tot 2020 geleidelijk verlaagd met gemiddeld 14,7%. Verder wordt de BPM minder CO2-afhankelijk gemaakt door de vaste voet te verhogen van € 175 tot € 350 en het CO2-afhankelijke deel van de tarieftabel te verlagen. Voor plug-in hybrides (auto’s met een CO2-uitstoot tot en met 50 gr/km) wordt het voordeel in de BPM afgebouwd, nulemissieauto’s blijven tot en met 2020 volledig vrijgesteld. De MRB wordt met ingang van 2017 voor alle auto’s generiek verlaagd met 2%. Voor vervuilende dieselauto’s en -bestelbusjes zal vanaf 2019 een toeslag gelden van 15%. Het gaat dan om een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg/km en het betreft in de regel voertuigen van voor 2005 zonder af-fabriekroetfilter. Vervuilende bestelbusjes lopen pas tegen de toeslag aan als ze twaalf jaar of ouder zijn. Plug-in hybrides behouden in de MRB het halftarief tot en met 2020, nulemissieauto’s blijven tot en met 2020 volledig vrijgesteld.

Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl)

Het bestaande systeem van premiekortingsregelingen (opgenomen in de Wet financiering volksverzekeringen) voor oudere en arbeidsgehandicapte werknemers wordt in de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) omgevormd tot een systeem van loonkostenvoordelen en een lage-inkomensvoordeel. Verder komt de premievrijstelling voor marginale (seizoens)arbeid met ingang van 2018 te vervallen. De Wtl voorziet in een regeling met betrekking tot:

  • loonkostenvoordelen (LKV’s): een tegemoetkoming aan werkgevers voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden, arbeidsgehandicapte werknemers en het herplaatsen van arbeidsgehandicapte werknemers. Beoogd is dat deze regeling in werking treedt met ingang van 1 januari 2018;
  • lage-inkomensvoordeel (LIV): een loonkostenvoordeel voor werkgevers die werknemers met een relatief laag loon in dienst hebben. Inwerkingtreding is beoogd met ingang van 1 januari 2017.

Common Reporting Standard

De met ingang van 1 januari 2016 in werking getreden Wet uitvoering Common Reporting Standard (CRS) regelt de implementatie in nationale wetgeving van een EU-richtlijn daarover en van de door de OESO ontwikkelde CRS. Financiële instellingen worden verplicht bepaalde financiële gegevens, zoals saldi van door in het buitenland wonende personen aangehouden bankrekeningen, te verstrekken aan de Belastingdienst. Die wisselt deze gegevens vervolgens uit met de lidstaat waar de houder van de rekening woont. Bij het vaststellen of sprake is van een rekening waarover moet worden gerapporteerd, worden financiële instellingen verplicht om de in de CRS en de EU-richtlijn voorgeschreven identificatievoorschriften toe te passen. De eerste gegevensuitwisseling zal plaatsvinden in 2017 met betrekking tot gegevens over het kalenderjaar 2016. Het opzettelijk of grofschuldig niet voldoen aan deze verplichtingen is een beboetbaar feit dat met een maximale boete van € 20.250 kan worden beboet. Een strafvervolging wegens het niet voldoen aan deze verplichting is eveneens mogelijk.