Automatische uitwisseling van inkomsten uit platformactiviteiten – een nadere beschouwing van DAC7 en de OESO-modelregels

8 september 2020
DAC 7 , OESO

Op 15 juli 2020 publiceerde de Europese Commissie een nieuw pakket met maatregelen ter bevordering van eerlijke(re) en eenvoudige(re) belastingheffing. Dit pakket bevat onder andere een voorstel voor een richtlijn om de Richtlijn voor administratieve bijstand op het gebied van internationale belastingheffing aan te passen (hierna: Richtlijnvoorstel DAC7). Onderdeel van het voorstel is een verplichting voor zogenoemde ‘platform operators’ om gegevens te verstrekken aan een nationale belastingautoriteit van een lidstaat over inkomsten behaald met transacties die via het platform tot stand komen en bepaalde informatie over verkopers van producten en aanbieders van diensten. Deze gegevens zullen vervolgens door die lidstaat automatisch worden uitgewisseld met de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten.

In dit artikel sta ik eerst stil bij de achtergrond van het Richtlijnvoorstel DAC7. Daarna ga ik nader in op de diverse concepten en begrippen die in de richtlijn worden gehanteerd, onderwerp deze aan een nadere beschouwing en geef duiding aan de mogelijke betekenis hiervan voor platform operators en platformverkopen en -diensten. Daarbij komen nog de nodige vragen op voor de praktijk. Ook sta ik stil bij enkele opvallende verschillen met een vergelijkbaar voorstel voor platform operators dat recent door de OESO is gedaan. Ik sluit het artikel af met een conclusie en enkele nadere bespiegelingen.

2. Achtergrond van het Richtlijnvoorstel DAC7

2.1. Uitdagingen in de digitale economie

Een digitaal platform stelt verkopers van goederen en aanbieders van diensten in staat om in vele landen consumenten te bereiken. Daarvoor is fysieke aanwezigheid in het land van de afnemer niet noodzakelijk. Ook een platform operator kan eenvoudig actief zijn in veel landen. Economische activiteiten die via een digitaal platform worden verricht, zijn minder eenvoudig traceerbaar voor belastingautoriteiten, omdat digitale platforms in de regel geen belasting heffen van de gebruikers van het platform. Zo houden platforms in beginsel geen bronbelasting of voorbelasting in op betalingen aan of inkomsten van de platformgebruikers. Daarnaast vindt, anders dan bij een werknemer-werkgever-relatie, geen inhouding van loonheffing plaats door het platform van individuen die via het platform hun diensten aanbieden. Ook is er doorgaans geen verplichting voor digitale platforms om de belastingautoriteiten automatisch te informeren over het inkomen dat wordt behaald door personen die goederen en diensten verkopen of aanbieden via het betreffende online platform. Dat maakt het voor belastingautoriteiten lastig om vast te stellen of de afdracht van inkomstenbelasting en winstbelasting ten aanzien van deze activiteiten door de verkopers en dienstverleners correct is. Ook vloeit hieruit het risico voort dat die verkopers of aanbieders zich wellicht ten onrechte niet als ondernemer voor de omzetbelasting registreren.    

Daarnaast hebben belastingautoriteiten niet altijd de middelen om de benodigde informatie te verkrijgen die nodig is om hier controle op te kunnen uitoefenen. Dat is met name het geval wanneer het platform in een andere jurisdictie gevestigd is dan de jurisdictie waarin de betreffende verkoper of dienstverlener woont of is gevestigd. In grensoverschrijdende gevallen ontbreekt het belastingautoriteiten vaak aan de mogelijkheid om op efficiënte wijze grote hoeveelheden data op te vragen (verbod op fishing expeditions). De Europese Commissie constateert dat als gevolg hiervan het risico bestaat dat onvoldoende belastingheffing plaatsvindt aan de zijde van verkopers en aanbieders van diensten die via een platform handelen. In de bij het Richtlijnvoorstel DAC7 behorende impact assessment wordt dit met een aantal onderzoeken nader geïllustreerd:

  • Uit onderzoek van één van de lidstaten naar chauffeursdiensten zou blijken dat slechts 3 van de 1.195 chauffeurs (minder dan 1%) het juiste inkomen aan de belastingdienst heeft opgegeven.
  • Uit een studie van een andere lidstaat naar kortetermijnverhuur zou naar voren komen dat ongeveer 29% van de individuen niet volledig aan haar complianceverplichtingen heeft voldaan.

Beide studies dateren uit 2018.

Al met al wordt de ‘tax gap’ door de Europese Commissie voor platformverkopen/diensten geschat op tussen de € 1,1 en 2,7 miljard. Overigens stelt de Europese Commissie vast dat dit op het conto van de platformverkopers/aanbieders van diensten komt en platform operators hier niet direct een rol in spelen. Het Richtlijnvoorstel DAC7 richt zich dan ook op de belastingafdracht van ondernemingen en individuen die via een platform producten of diensten aanbieden.

In het licht van de uitdagingen die de steeds verder digitaliserende economie met zich meebrengt, wordt door de Europese Commissie een nieuwe stap op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling van informatie noodzakelijk geacht in de vorm van verplichte uitwisseling van onder meer gegevens over inkomsten die door verkopers en dienstverleners via digitale platformen worden behaald. Het doel is om belastingautoriteiten meer mogelijkheden te verschaffen om vast te stellen of inkomsten van verkopen of diensten via digitale platforms wel juist worden aangegeven. Daarmee past het Richtlijnvoorstel DAC7 van de Europese Commissie in de bredere context van haar streven naar meer fair taxation en transparantie in Europa.

2.2. Nationale verplichtingen op het gebied van platformverkopen en -diensten

Initiatieven om operators van digitale platforms bepaalde informatie te laten rapporteren aan belastingdiensten zijn niet nieuw. Zo zijn er op dit moment in twaalf lidstaten reeds regels die platform operators verplichten om bepaalde informatie over verkopers van goederen en aanbieders van diensten die actief zijn op het platform aan lokale belastingautoriteiten te verstrekken. Dit is bijvoorbeeld het geval in Frankrijk, waar een rapportageplicht bestaat voor zowel de verkoop van goederen als het aanbieden van diensten via een platform. Ook Italië en Spanje kennen regels die digitaleplatformoperators verplicht om informatie omtrent kortetermijnverhuur van (toeristische) accommodaties aan de nationale belastingdienst te rapporteren. In de ogen van de Europese Commissie is het nu gewenst om de informatie-uitwisseling ten aanzien van platform operators te stroomlijnen en uit te breiden naar Europees niveau.

Nederland kent thans geen vergelijkbare verplichting. Wel heeft het ministerie van Financiën daar eerder dit jaar onderzoek naar gedaan en wordt geadviseerd hier nader beleid op te vormen en aan te sluiten bij internationale initiatieven.

2.3. Uitwisseling van informatie in de EU

De Europese Commissie kent een rijke historie op het terrein van initiatieven ter bevordering van het uitwisselen van gegevens. De Richtlijn strekkende tot administratieve bijstand op het terrein van belastingheffing uit 2011 is al een aantal keer aangepast, onder andere om de uitwisseling van grensoverschrijdende tax rulings (‘DAC3’) en country-by-country reporting (‘DAC4’) mogelijk te maken. Van recente datum is de verplichting om grensoverschrijdende transacties die in potentie als agressive tax planning kunnen worden aangemerkt binnen dertig dagen aan nationale belastingdiensten te rapporteren (‘DAC6’). Het richtlijnvoorstel van 15 juli jl. is de volgende stap en gaat derhalve als ‘DAC7’ door het leven.

3. Platforms en relevante activiteiten

De nieuwe rapportageverplichting komt te liggen bij platform operators via wiens platform bepaalde transacties en diensten tot stand komen tussen verkopers en gebruikers.

3.1. Platform (operator)

Een platform is in Richtlijn DAC7 gedefinieerd als iedere vorm van software, een website, een app of anderszins een arrangement die verkopers/aanbieders in verbinding brengt met gebruikers en verkopers/aanbieders in staat stelt relevante activiteiten tegen een bepaalde vergoeding te verrichten. De relevante activiteiten waar de richtlijn op ziet, zijn:

  • de verhuur van een onroerende zaak;
  • persoonlijke diensten;
  • de verkoop van goederen;
  • verhuur van vervoer/voertuigen;
  • investeringen in het kader van crowdfunding.

Platform operator is de partij die een platform voor deze relevante activiteiten beschikbaar stelt aan verkopers/aanbieders.

Software die uitsluitend ziet op het verwerken van betalingen voor relevante activiteiten, het adverteren voor relevante activiteiten of het aanbrengen van gebruikers voor relevante activiteiten, wordt niet aangemerkt als een platform voor toepassing van de voorgestelde richtlijn.

Ik denk dat er in de praktijk nog veel situaties denkbaar zijn waarbij niet geheel duidelijk is of sprake is van een platform (operator) zoals gedefinieerd in het Richtlijnvoorstel DAC7. Deze definitie is namelijk nogal ruim. De bij het richtlijnvoorstel gevoegde impact assessment bevat wel enige aanwijzingen van wat men voor ogen heeft bij de term digital platform operator. Algemene kenmerken van een platform zijn bijvoorbeeld dat het verkopers/aanbieders en gebruikers bij elkaar brengt, (alle) processen tussen deze partijen afhandelt en daarvoor een vergoeding ontvangt. Daarnaast is een kenmerk dat de platform operator niet de beschikking heeft over de zaken die via het platform worden aangeboden en dat het personeel van de platform operator ook niet betrokken is bij het verlenen van de diensten die via het platform worden aangeboden.

Een andere vraag is waar nu precies de scheidslijn ligt van het ‘louter’ adverteren of het tot elkaar brengen van gebruikers. Om van louter adverteren te kunnen spreken, lijkt het zo te zijn dat het platform verder in het geheel niet betrokken is bij de uiteindelijke transactie die tussen partijen plaatsvindt. Indien een website niets anders is dan een digitaal advertentieoverzicht lijkt sprake te zijn van die uitzondering. Maar als sprake is van een website waar woningverkopers en -zoekers elkaar kunnen vinden, en deze website bijvoorbeeld ook allerlei softwarediensten aanbiedt om makelaars te ondersteunen een woning zo goed mogelijk te positioneren op die website en ook allerlei data genereert en verstrekt over de lokale huizenmarkt, neemt dat dan het advertentiekarakter weg en doet het platform dan wellicht meer?

Wat mij betreft is het ook nog een open vraag hoe omgegaan moet worden met intercompanysituaties. Ik denk hier bijvoorbeeld aan een onderneming die een breed scala aan producten verkoopt aan consumenten via een website. Deze producten worden door verschillende groepsmaatschappijen (groepsmaatschappij A en B) verkocht via de website, die weer het eigendom is van een andere groepsmaatschappij (groepsmaatschappij X). Laten we nu eens aannemen dat de groepsmaatschappij X niet alleen de webwinkel runt, maar ook de aftersalesservice verricht. Dat lijkt mij geen ondenkbare opzet van een supply chain. Is groepsmaatschappij X in dat geval een platform operator? Zij lijkt onder de definitie te vallen nu sprake is van een website die verkopers (groepsmaatschappij A en B) met kopers verbindt, waarbij de verkoper een relevante activiteit (de verkoop van goederen) kan uitoefenen. Het lijkt mij niet de bedoeling dat in dit voorbeeld X als platform operator wordt aangemerkt. Een typisch platform waar het Richtlijnvoorstel DAC7 voor is bedoeld zal mijns inziens de hoedanigheid van een onafhankelijke intermediair hebben ten aanzien van alle partijen die via het platform tot elkaar komen. Als de verkoper/aanbieder en degene die beschikt over de website verbonden zijn, zal het bestaande instrumentarium op het gebied van informatieverstrekking waar de belastingdienst over beschikt, bijvoorbeeld country-by-country rapportage en het opvragen van master file en local file, ertoe leiden dat de relevante informatie al beschikbaar is. Misschien dat deze onduidelijkheid in de reikwijdte van het voorstel opgelost kan worden door aan de definitie van relevante activiteiten toe te voegen dat niet als zodanig wordt aangemerkt de activiteit die wordt verricht door een groepsmaatschappij van de platform operator. Er is namelijk al wel voorzien in een uitzondering voor relevante activiteiten die verricht worden door werknemers van het platform of de groepsmaatschappij.

Het voorgaande illustreert dat de strekking van de definitie van platform en platform operator in het richtlijnvoorstel in potentie erg breed is. Een nadere toelichting op deze begrippen zou voor de praktijk welkom zijn. Het is voor adviseurs en belastingplichtigen aan te bevelen bestaande business modellen goed tegen het licht van DAC7 te houden.

3.2. Relevante activiteiten

De meeste relevante activiteiten spreken tot ieders verbeelding. Zij zijn ook niet nader gedefinieerd in het Richtlijnvoorstel DAC7. Toch zou een (begin van een) nadere afbakening behulpzaam zijn geweest. Enkele observaties.

3.2.1. Verhuur van onroerende zaken

Wat dient onder de verhuur van onroerende zaken te worden verstaan? Is men uitsluitend op zoek naar de verhuur van woningen of appartementen in woonwijken aan toeristen met rolkoffers? Of dienen hotelovernachtingen die via een platform worden geboekt hier ook onder te worden geschaard? Dat laatste lijkt bij de huidige definitie niet uit te sluiten. Ik vraag me sterk af of het uitwisselen van inkomsten van hotelbedrijven (en de administratieve last die dat voor platform operators meebrengt) iets oplevert voor de ‘tax gap’ waar de Europese Commissie vat op wil krijgen.

In de context van verhuur van onroerende zaken is in het richtlijnvoorstel overigens geen aandacht besteed aan de hoedanigheid van de verhuurder. Het lijkt niet relevant te zijn of de verhuurder zelf eigenaar is van de onroerende zaak of huurder. Ook de vraag of de (onder)verhuurder wel of juist géén ondernemersstatus heeft, lijkt niet relevant in het richtlijnvoorstel. Vanuit Nederlands perspectief lijkt het fiscale belang op het gebied van verhuur van onroerende zaken met name te liggen bij individuen die de eigen woning tijdelijk verhuren. In dat geval dient namelijk 70% van de verhuuropbrengsten bij het eigenwoningforfait opgeteld te worden en is dus belast als box 1-inkomen. Uit onderzoek van de Belastingdienst blijkt dat in 75% van de gevallen waarin een eigen woning tijdelijk wordt verhuurd de aangifte onjuist of onvolledig te zijn. Voor zover er sprake is van het verhuren van kamers of het verhuren van een tweede woning zijn de daadwerkelijke huurinkomsten minder relevant, omdat in dat geval sprake is van een forfaitaire heffing over de waarde van de onroerende zaak.

3.2.2. Persoonlijke diensten

De categorie persoonlijke diensten is wel nader omschreven in het Richtlijnvoorstel DAC7. Hieronder worden zowel tijd- als taakgebonden werkzaamheden verstaan die door een individu worden verricht voor een gebruiker. Dat kan zowel online als offline zijn. Naar het zich laat aanzien kan hierbij bijvoorbeeld gedacht worden aan bepaalde (maaltijd)bezorgdiensten of chauffeursdiensten. Maar ook online vormen waarbij vraag en aanbod bij elkaar wordt gebracht, bijvoorbeeld online sportklassen of marktplaatsen voor klus- of schoonmaakdiensten kunnen onder deze categorie worden geschaard. Het maakt voor de definitie van persoonlijke diensten overigens niet uit of een individu deze dienst onafhankelijk verricht of namens een entiteit zoals bijvoorbeeld een vennootschap. 

4. Platform operators en EU-nexus

Om daadwerkelijk onder de reikwijdte van Richtlijn DAC7 te komen, is vereist dat er sprake is van een EU-nexus voor de platform operator. De aanknopingspunten voor een EU-nexus zijn tamelijk ruim waardoor ook niet-Europese-platformoperators onder de werking van de richtlijn gebracht kunnen worden.

4.1. EU-platformoperator

Van een EU-platformoperator is sprake indien de platform operator (fiscaal) inwoner is van een lidstaat. Het opgericht zijn naar het recht van een EU-lidstaat, het hebben van een plaats van leiding (met inbegrip van werkelijke leiding) binnen de EU en/of het hebben van een vaste inrichting binnen de EU leiden er ook toe dat een platform operator de kwalificatie van EU-platformoperator krijgt.

4.2. Non-EU-platformoperator

Ook platform operators die niet aan een van de in paragraaf 4.1 genoemde criteria voldoen, kunnen onder dezelfde rapportageverplichting vallen als EU-platformoperators. De richtlijn legt namelijk dezelfde verplichting als voor EU-platformoperators op indien een niet-EU-platformoperator:

  • relevante activiteiten van EU-verkopers/aanbieders faciliteert; of
  • de verhuur van onroerend zaken gelegen in de EU faciliteert.

Dit betekent dat Amerikaanse of Aziatische platforms die zich hiermee bezighouden, maar geen (belaste) aanwezigheid in de EU hebben desalniettemin onder de reikwijdte van DAC7 komen te vallen en gegevens zullen moeten uitwisselen met de belastingautoriteiten van een EU-lidstaat. 

4.3. EU-verkopers en aanbieders van diensten

De verplichtingen die Richtlijn DAC7 oplegt, treffen EU- en non-EU-platformoperators alleen voor zover ook sprake is van een EU-verkoper/aanbieder van diensten. Dat is het geval indien de verkoper/aanbieder (van relevante activiteiten) inwoner is van een lidstaat of een onroerende zaak verhuurt die gelegen is in een lidstaat.

Van inwonerschap van een verkoper/aanbieder in een lidstaat is volgens de richtlijn sprake indien het primaire adres van de verkoper in een lidstaat ligt of indien sprake is van een vaste inrichting in een lidstaat. Daarnaast kan ook sprake zijn van een EU-nexus voor de verkoper/aanbieder indien hij een btw-nummer in een lidstaat heeft. Deze definitie van inwonerschap is dus anders dan de definitie die we doorgaans kennen in de wereld van directe belastingen en belastingverdragen.

Overigens kunnen zowel entiteiten als natuurlijke personen worden aangemerkt als EU-verkoper of aanbieder van diensten.

Opvallend is dat Richtlijnvoorstel DAC7 geen drempel opwerpt alvorens een entiteit of individu als verkoper/aanbieder wordt aangemerkt. Dat zou dus betekenen dat indien mijn buurman in Amsterdam zijn appartement een of twee keer per jaar verhuurt aan een toerist, of af en toe een klusdienst aanbiedt via een platform, hij wordt aangemerkt als verkoper/aanbieder voor toepassing van DAC7.

5. Informatieverplichting voor de platform operator en uitwisseling

Richtlijn DAC7 geeft een platform operator de verplichting om:

  1. bepaalde financiële informatie omtrent de platformverkopen te verzamelen; en
  2. een zekere due diligence uit te voeren ten aanzien van de verkopers/aanbieders van diensten op het platform.

Al deze informatie dient door de platform operator te worden gerapporteerd aan de belastingautoriteiten en tevens aan de betreffende verkoper/aanbieder.

5.1. Financiële informatie

Richtlijn DAC7 verplicht de platform operator om onder andere een overzicht van de inkomsten die een verkoper behaalt met de relevante activiteiten te verzamelen en te verstrekken aan de belastingautoriteiten. Tevens dient de platform operator een overzicht te verstrekken van de commissies en vergoedingen die het platform aan verkopers berekent. Voor zover de relevante activiteit bestaat uit de verhuur van een onroerende zaak, dient het adres van de verhuurde locatie en het aantal verhuurde dagen ook gerapporteerd te worden.

De financiële gegevens moeten op kwartaalbasis worden bijgehouden en dienen uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar te worden gerapporteerd aan de belastingautoriteiten van de lidstaat waar de platform operator inwoner is op grond van deze richtlijn (zie paragraaf 4 hierboven). Indien hij voor toepassing van de richtlijn inwoner is van meerdere lidstaten, mag een keuze gemaakt worden voor één lidstaat waar wordt gerapporteerd. In dat geval dient de platform operator die andere lidstaten wel actief op de hoogte te brengen van de gemaakte keuze.

Een niet-EU-platformoperator waarvan de enige nexus op grond van deze richtlijn bestaat uit het faciliteren van relevante activiteiten voor EU-verkopers/aanbieders, of het aanbieden van een platform voor verhuur van in de EU gelegen onroerende zaken, kan kiezen aan welke lidstaat hij deze informatie rapporteert, tenzij er in een van de lidstaten reeds een kwalificerende btw-registratie is. In dat geval dient de operator aan die lidstaat te rapporteren.

5.2. Due diligence

Voor wat betreft de duediligenceverplichting is de platform operator gehouden om verschillende administratieve gegevens van de verkoper/aanbieder op het platform vast te stellen en te beoordelen op betrouwbaarheid waaronder NAW-gegevens, identificatienummers bij belastingautoriteiten in de lidstaten, btw-registratienummers en de aanwezigheid van vaste inrichtingen in lidstaten. De platform operator mag hiervoor overigens ook gebruik maken van informatie die door lokale of EU-belastingautoriteiten wordt verstrekt. Aan de hand hiervan dient de platform operator vast te stellen in welke lidstaat/lidstaten de verkoper inwoner is voor toepassing van deze richtlijn. Ten aanzien van de verhuur van onroerende zaken dient vastgesteld te worden wat het adres is van de betreffende verhuurde zaak.

Het is interessant om te zien hoe de verplichting voor platform operators om de betrouwbaarheid van de deze gegevens vast te stellen door de lidstaten zal worden geïmplementeerd, en dan met name de vraag hoe ver die verplichting reikt voor de platform operator. Ik denk dan bijvoorbeeld aan situaties waarin een verkoper van goederen of aanbieder van diensten niet over een btw-nummer beschikt. Hoe ver gaat de onderzoeksplicht van de platform operator met betrekking tot de duediligenceverplichting in casu en onder welke omstandigheden kan onvoldoende onderzoek leiden tot beboetbaarheid van de platform operator? Ik denk dat er genoeg situaties voorstelbaar zijn waarbij niet-EU-verkopers van goederen ten onrechte geen btw-registratie hebben en derhalve geen btw afdragen over platformverkopen. Het lijkt mij nogal vergaand indien dit te gemakkelijk tot een situatie leidt die beboetbaarheid van de platform operator als gevolg heeft. Aan de andere kant is dit bij uitstek een situatie waar de Europese Commissie vat op wil krijgen en waarbij DAC7 behulpzaam kan zijn. Een nadere verduidelijking op het punt van de onderzoeksplicht voor platform operators is gewenst.

De due diligence moet voor het einde van ieder kalenderjaar op orde zijn. De Richtlijn DAC7 voorziet in de mogelijkheid dat een platform operator een derde partij inschakelt om de due diligence te verrichten, maar dit ontslaat de platform operator niet van zijn verantwoordelijkheid om deze informatie vast te stellen en aan de belastingautoriteiten te rapporteren. 

Daarnaast is de platform operator gehouden om de verkoper op de hoogte te brengen van omissies in de duediligence-informatie, indien de platform operator naar aanleiding van vragen van een belastingautoriteit reden heeft om aan te nemen dat die informatie niet juist is. De platform operator dient vervolgens om bewijs te verzoeken dat de omissie door de verkoper is hersteld, bijvoorbeeld in de vorm van een woonplaatsverklaring.

5.3. Automatische uitwisseling

De lidstaat die de informatie ontvangt van de platform operator wisselt deze automatisch uit met de lidstaten waarin de verkoper/aanbieder van de dienst inwoner is volgens de bepalingen van Richtlijn DAC7 of met de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is indien sprake is van verhuur van een onroerende zaak. Deze automatische uitwisseling met de lidstaat van de verkoper/aanbieder vindt plaats via de centrale database van de Europese Commissie (het zogenoemde CCN-netwerk) met behulp van een XML-schema. De Europese Commissie heeft slechts een beperkte toegang tot deze database.

6. Toepassingsbereik alsmede btw

De ontvangende lidstaat kan de informatie gebruiken voor de heffing van elke vorm van belasting die door de lidstaat of een lokale overheid wordt geheven. Dat betreft dus niet alleen inkomstenbelasting of winstbelasting, maar bijvoorbeeld ook een lokale toeristenbelasting.

De huidige Richtlijn op het gebied van administratieve bijstand is niet van toepassing op indirecte belastingen zoals de btw. Dat verandert met DAC7. De door platform operators uitgewisselde informatie kan tevens worden gebruikt voor de heffing van indirecte belastingen waaronder btw. Daartoe wordt artikel 16 van de huidige richtlijn aangepast. 

In punt 24 van de considerans wordt hiertoe opgemerkt dat vanwege het belang van de btw voor de werking van de interne markt, het passend is te verduidelijken dat ook btw (en andere indirecte belastingen) onder het bereik van DAC7 worden gebracht. Dit past naar mijn mening binnen de bredere lijn die de Europese Commissie heeft uitgezet om platforms een belangrijke(re) rol te geven bij een doeltreffende en efficiënte btw-inning. Naar schatting gaat in 2020 namelijk € 7 miljard per jaar aan btw-opbrengst in e-commerce verloren voor de EU-lidstaten, onder andere veroorzaakt door ‘non-compliance’ van verkopers/aanbieders die op platforms opereren. De nieuwe btw-regels voor e-commerce beogen bijvoorbeeld dat platforms vanaf 1 juli 2021 onder omstandigheden btw moeten voldoen in plaats van verkopers/aanbieders op die platforms. De nieuwe btw-regels voor e-commerce beogen ook dat betalingsdienstaanbieders, waaronder potentieel (betaal)platforms, vanaf 1 januari 2024 specifieke e-commerce-betaaldata gaan rapporteren ter uitwisseling tussen de EU-lidstaten. Met DAC7 lijkt de Europese Commissie wederom een instrument ter hand te nemen om ‘non-compliance’ voor btw in e-commerce te bestrijden en de gemiste btw-opbrengsten voor de EU-lidstaten te verkleinen. De vraag rijst evenwel of DAC7 binnen het bredere btw-kader overkill aan wetgeving oplevert voor platforms en e-commercebedrijven, hetgeen buiten beschouwing blijft in deze bijdrage. 

7. Inwerkingtreding

Lidstaten dienen de regels uit Richtlijn DAC7 per 1 januari 2022 te implementeren in nationale wetgeving. Dat zou dan betekenen dat het eerste jaar waarop de rapportageverplichtingen zien het kalenderjaar 2022 is. Deze informatie dient dan uiterlijk op 31 januari 2023 door een platform operator aan de relevante belastingdienst te worden verstrekt. Dat lijkt dus nog wel even weg. Ik sluit overigens niet uit dat in de verdere politieke behandeling voorzien kan worden in een vorm van materiële terugwerkende kracht, net als bij DAC6, als gevolg waarvan gegevens vanaf 1 januari 2021 onderdeel worden van de rapportage. Voordat het zo ver is, dient het richtlijnvoorstel allereerst nog te worden aangenomen door de Europese Raad en vervolgens het Europees Parlement. Gelet op de Duitse voorliefde voor snelheid, zouden er best wel eens forse stappen gezet kunnen worden gedurende het Duitse EU-voorzitterschap in de komende maanden.

8. Boetes

Indien verkopers/aanbieders van diensten de voor de due diligence vereiste informatie na twee herinneringen volgend op een verzoek daartoe van de platform operator niet verstrekken, dient de platform operator het account van de verkoper te sluiten voor een periode van zes maanden of de betaling aan de verkoper op te schorten.

Richtlijn DAC7 laat het verder aan nationale overheden over om nadere boeteregels vast te stellen voor platform operators die zich niet houden aan de rapportage- en duediligenceverplichtingen die de richtlijn voorschrijft.

9. OESO-modelregels

De publicatie van DAC7 volgde kort na het uitbrengen op 3 juli 2020 door de OESO van modelregels voor platform operators en verkopers/dienstverleners in de ‘Sharing and Gig Economy’.

Het eerste wat opvalt, is dat het Europese voorstel zich beperkt tot krap negen pagina’s met definities. De OESO lijkt dezelfde materie wat uitgebreider aan het papier te hebben toevertrouwd: het rapport telt vijfendertig pagina’s met inbegrip van diverse commentaren en toelichtingen.

Er zijn overigens veel gelijkenissen tussen DAC7 en de OESO-modelregels. De definities van platform en platform operator zijn nagenoeg gelijk. Hetzelfde kan gezegd worden over de informatie die platform operators dienen uit te wisselen en de tijdlijnen die hiervoor staan. Toch is ook sprake van een aantal interessante verschillen. De meest in het oog springende verschillen komen hieronder aan bod.

9.1. Uitgezonderde platform operators

Het OESO-model bevat een regel die landen de mogelijkheid geeft om kleinere platform operators, op verzoek, uit te zonderen van de verplichtingen. Van een kleine operator is sprake indien de totale omzet die door het platform tot stand komt in een voorgaand jaar lager is dan € 1 miljoen.

Ook kunnen platform operators die alleen diensten faciliteren die niet winstgevend zijn worden uitgezonderd van de verplichtingen. Hiervoor dient een platform operator dan wel aannemelijk te maken dat zijn hele business model gericht is op verkopers die geen winst behalen. Gedacht kan worden aan platforms die zich richten op cost-sharingdiensten waarbij zich bijvoorbeeld alleen individuen als verkoper kunnen aanmelden en de vergoedingen zo vastgesteld zijn dat die de kosten niet overstijgen. Denk bijvoorbeeld aan ride-sharing of vergelijkbare activiteiten.

9.2. Beperktere scope van relevante activiteiten

De activiteiten die in scope zijn van de OESO-modelregels zijn beperkt tot twee categorieën: de verhuur van onroerende zaken en het verrichten van persoonlijke diensten.

Uit het commentaar valt op te maken dat onder de eerste categorie diensten zowel de langdurige als kortdurende verhuur van woningen en commercieel vastgoed wordt verstaan, parkeergelegenheden inbegrepen. Wel is er een uitzondering gemaakt in de definitie van kwalificerende verkopers/aanbieders uit de hotelwereld. Dit betekent, kort gezegd, dat over hotellerie geen uitwisselingsverplichting bestaat (zie hierna in paragraaf 9.3).  

De verkoop van goederen is geen onderdeel van de reikwijdte van de OESO-modelregels. Wel wordt onderkend dat bepaalde transacties elementen kunnen bevatten van zowel goederenverkoop als persoonlijke diensten. In zo’n geval zal beoordeeld moeten worden of delen van de betreffende transactie ook onafhankelijk van elkaar verricht kunnen worden. Als dat het geval is, en er is daarbij sprake van (een te onderkennen) tijd- of taakgebonden werk door een individu, dan zou in zoverre een persoonlijke dienst verondersteld kunnen worden. Wanneer die splitsing overigens niet gemaakt kan worden, is de gehele transactie een relevante activiteit die in scope komt. Slechts wanneer het onderdeel van de persoonlijke dienst volledig ondergeschikt is, zal de gehele transactie niet kwalificeren. Bijvoorbeeld bij het inpakken van een product is sprake van een volledig ondergeschikte persoonlijke dienst. Maar wanneer sprake is van installatiediensten waarbij het betreffende product ook wordt geleverd zijn wel twee aparte componenten te onderkennen en zal voor het installatiewerk sprake zijn van een persoonlijke dienst. In het commentaar wordt in dit kader het voorbeeld gegeven van een tegelzet(dienst) en de verkoop van de bijbehorende tegels. Ik voorzie op dit punt in de praktijk nog wel de nodige uitdagingen voor platform operators om vast te stellen of sprake is van een persoonlijke dienst of niet.

9.3. Uitgezonderde verkopers/aanbieders

Indien sprake is van een relevante activiteit die tot stand komt via een kwalificerende platform operator, hoeft evenwel geen sprake te zijn van een rapportageplicht indien sprake is van een uitgezonderde verkoper/aanbieder. De OESO-modelregels sluiten de relevante activiteiten van twee belangrijke categorieën verkopers/aanbieders uit:

  1. grotere hotelketens;
  2. beursgenoteerde ondernemingen.

Van de eerste uitzondering is sprake indien via het platform meer dan 2.000 relevante diensten tot stand komen voor een bepaald adres in het betreffende jaar. Het zal hier voornamelijk gaan om de grotere hotelaccommodaties of vakantieparken.

Van een beursgenoteerde onderneming is overigens ook sprake indien de betreffende vennootschap zelf niet, maar een gelieerde vennootschap wel beursgenoteerd is. 

De achterliggende gedachte om deze twee categorieën uit te sluiten is dat het risico op onvoldoende belastingafdracht hierbij klein wordt geacht en dat belastingdiensten doorgaans voldoende middelen ter beschikking staan om de juistheid daarvan vast te stellen. Dat lijkt mij een zinvolle gedachte.

9.4. Territorialiteit

De OESO-modelregels zijn in beginsel alleen van toepassing voor zover zowel het land waar de platform operator gevestigd is, als het land van de verkoper/dienstenaanbieder de regels in nationale wetgeving implementeren. Dit betekent dat wanneer de platform operator in een land gevestigd is dat de regels omtrent de informatieverplichting en mogelijkheid tot uitwisseling daarvan niet heeft geïmplementeerd, maar de verkoper/aanbieder in een land is gevestigd waar deze regels wel van toepassing zijn, de belastingautoriteit in het land van de verkoper/aanbieder geen informatie over de platforminkomsten uitgewisseld krijgt. In DAC7 is zo’n situatie opgelost door niet-EU-platformoperators alsnog onder de rapportageplicht te brengen indien de verkopers of aanbieders Europese nexus hebben, of er sprake is van verhuur van een in de EU gelegen onroerende zaak. De reikwijdte van de OESO-regels is in potentie dus minder ver, al wordt de mogelijkheid tot een met DAC7 vergelijkbare uitgebreidere territoriale werking wel als optie meegegeven in de modelregels.

10. Afsluiting

Zowel de Europese Commissie als de OESO hebben deze zomer voorstellen gedaan om de meer inzicht te krijgen in de verdiensten van verkopers en aanbieders van diensten via digitale platforms. De voorstellen zijn in hoge mate vergelijkbaar. De Europese Commissie gooit echter een wijder net uit door zowel Europese als bepaalde niet-Europese-platformoperators te verplichten financiële informatie over platformverkopen/diensten te rapporteren. Ook is de reikwijdte van onder de regels vallende activiteiten onder DAC7 een stuk ruimer dan onder het OESO-model en kent het EU-voorstel geen materiële drempel, waardoor ook kleine(re) platform operators verplicht zullen worden informatie aan te leveren. Hiermee voorziet het EU-voorstel in een impuls voor verdere uitbreiding van de vooringevulde aangifte (VIA) en kan dit een hinderpaal wegnemen bij het realiseren van een belastingheffing over het werkelijke rendement.

Het OESO-voorstel is in mijn ogen een stuk gerichter, nu het enkel ziet op de verhuur van onroerende zaken (inclusief gerichte uitzonderingen) en persoonlijke diensten. Gelet op het terugdringen van de tax gap die de Europese Commissie voor ogen heeft, ligt het voor de hand om bij deze twee categorieën activiteiten aansluiting te zoeken en de scope van DAC7 hiertoe te beperken. De aangehaalde onderzoeken in de impact assessment lijken immers met name te zien op die twee categorieën. De meeste Europese landen die al verplichtingen kennen om platform operators automatisch informatie te laten verstrekken aan de lokale belastingdienst richten zich ook op verhuur van onroerende zaken en (transport)diensten. Het harmoniseren daarvan is in mijn ogen een meer voor de hand liggende eerste stap. Ook in de wetenschap dat platform operators in juli 2021 al een grotere verplichting krijgen ten aanzien van het afdragen van btw over platformverkopen (van goederen en diensten). Het risico van overkill bij een te ruime DAC7-reikwijdte ligt dan ook op de loer. Het zou een groot deel van de platformindustrie in ieder geval in de portemonnee schelen: de Europese Commissie schat de initiële compliancekosten voor de industrie op € 875 miljoen. Ik vind dat een duizelingwekkend bedrag voor het overhevelen van een overheidstaak naar belastingplichtigen, ook gelet op de omvang van de aanwezig geachte tax gap. Het lijkt mij verstandig eerst eens te bezien wat de automatische uitwisseling van tax rulings, country-by-country reporting en grensoverschrijdende transacties heeft opgeleverd aan het alsnog innen van gederfde belastingopbrengsten, bovenop het bestaand instrumentarium. Eerdere crises die gepaard gingen met grote overheidsuitgaven waren in ieder geval een wind in de rug voor voorstellen tot verdergaande informatie-uitwisseling.

Wat hier ook van zij: een nadere duiding en afbakening van de DAC7-begrippen platform en platform operator is gewenst. Ook een verdere specificatie van de toch al brede categorieën relevante activiteiten die onder de reikwijdte vallen, zou geen overbodige luxe zijn. De huidige definities roepen in ieder geval nog veel vragen en onduidelijkheden op. Of dat gebeurt, valt nog te bezien: indien DAC7 in dat opzicht op haar voorganger DAC6 lijkt, zal het voor de praktijk nog een flinke kluif opleveren.

Gelet op het belang van dit richtlijnvoorstel voor de Belastingdienst en belastingopbrengsten, mag worden verwacht dat het kabinet zijn initiële beoordeling zal uitbrengen door middel van een BNC-fiche, waarin het voorstel onder andere zal worden getoetst aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Eerder verscheen dit artikel op NLF Wetenschappelijk. Bekijk het artikel hier .

 

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.