Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) voorziet in een algeheel verbod op discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 18), waardoor een aantal vrijheden wordt gegarandeerd. Artikel 18 is echter slechts van toepassing indien er geen andere, meer specifieke Verdragsbepaling is, waarin het discriminatieverbod voor het desbetreffende onderwerp is uitgewerkt. Dit zijn de zogenoemde zes fundamentele vrijheden:

  • vrij verkeer van burgers in de Unie
  • vrij verkeer van goederen
  • vrij werknemersverkeer
  • vrijheid van vestiging
  • vrij verkeer van diensten
  • vrij verkeer van kapitaal

Doel van deze vrijheden is de realisatie van een interne markt, dat wil zeggen een markt zonder binnengrenzen en dus zonder in- en uitvoerbeperkingen. Alleen zo kan een maximale welvaart voor de EG als geheel worden bereikt, en dat is een van de centrale doelstellingen in het EG-Verdrag.

Of sprake is van schending van het EG-Verdrag, hangt af van het antwoord op onder andere de volgende vragen:

  1. Zijn de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer en de vrije vestiging van toepassing of is sprake van een interne situatie?
  2. Indien de gemeenschapsbepalingen van toepassing zijn, is sprake van een belemmering of (directe of indirecte) discriminatie die in strijd is met het gemeenschapsrecht?
  3. Zo ja, is er een objectieve rechtvaardigingsgrond voor de omstreden maatregel?
  4. Is de maatregel geschikt om het gestelde doel te bereiken (geschiktheidseis) en is er geen - voor de burger - minder zwaar middel voorhanden om dit doel te bereiken (proportionaliteitseis)?