Moeten buitenlanders die inwoners zijn van verschillende lidstaten, onderling fiscaal gelijk worden behandeld, ofwel: mag bijvoorbeeld Nederland een inwoner van de ene lidstaat niet ongunstiger behandelen dan een inwoner van een andere lidstaat? Denk bijvoorbeeld aan bronbelastingtarieven of het recht op toekenning van heffingskortingen, die van belastingverdrag tot belastingverdrag kunnen verschillen. Dit beginsel wordt vaak aangeduid als het meestbegunstigingsbeginsel.

In 2003 heeft het Hof Den Bosch dit vraagstuk voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EG in de zogenoemde D-zaak. In die zaak ging het om een inwoner van Duitsland die ongeveer 10% van zijn vermogen had belegd in Nederlands vastgoed. Bij de aanslag vermogensbelasting 1998 is hem geen belastingvrije som toegekend, omdat niet-inwoners alleen recht hadden op deze belastingvrije som wanneer minimaal 90% van het vermogen in Nederland was geïnvesteerd. D vond dat hij werd gediscrimineerd ten opzichte van inwoners van België, omdat die op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en België wel recht hebben op de belastingvrije som, ook bij een belegging in Nederlands vastgoed van minder dan 90% van hun vermogen.

Het Gerechtshof Den Bosch sloot zich bij deze redenering aan door prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EG. Het HvJ EG wees het recht op meestbegunstiging af, omdat een belastingverdrag volgens het Hof een geheel van wederkerige rechten en verplichtingen vormt die slechts gelden voor inwoners van een van de staten die het belastingverdrag hebben gesloten. Hieruit volgt dat iemand die inwoner is van België, met betrekking tot de vermogensbelasting over in Nederland gelegen onroerende zaken niet in dezelfde situatie verkeeert als iemand die niet in België woont. Een recht dat in het verdrag tussen België en Nederland wordt toegekend, mag niet worden losgekoppeld van de rest van het verdrag, maar maakt daar een integraal onderdeel van uit en draagt bij tot het algehele evenwicht ervan.