In de Europese Unie kennen we momenteel drie supranationale rechtsvormen:

  • het Europees Economisch Samenwerkingsverband (EESV)
  • de Europese Naamloze Vennootschap, ofwel Societas Europaea (SE)
  • de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)

Verder zijn er nog twee voorgestelde verordeningen aanhangig met betrekking tot het in het leven roepen van suprationale Europese rechtsvormen, te weten:

  • de Verordening voor de Europese associatie;
  • de Verordening voor de Europese onderlinge vennootschap.

Een EESV heeft rechtspersoonlijkheid en kan door middel van een onderhandse akte zonder kapitaalinbreng worden opgericht door ten minste twee (rechts)personen uit ten minste twee verschillende lidstaten. Doel van het EESV is om de economische werkzaamheid van zijn leden te vergemakkelijken of te ontwikkelen, dan wel de resultaten ervan te verbeteren of te vergroten. Het maken van winst voor het EESV zelf mag geen doel zijn. Wordt toch winst behaald, dan wordt deze beschouwd als winst van de leden. De werkzaamheid van het EESV moet samenhang vertonen met de economische werkzaamheid van zijn leden en een ondersteunend karakter hebben.
In Nederland wordt ervan uitgegaan dat de fiscale behandeling van het EESV in principe dezelfde is als die voor de v.o.f. Dit betekent dat het EESV niet zelfstandig aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Zo kan een EESV geen deelnemingsvrijstelling in de zin van art. 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 genieten. Wel kan sprake zijn van beperkte belastingplicht in Nederland, bijvoorbeeld wanneer in het buitenland gevestigde leden winst behalen met behulp van een vaste inrichting in Nederland.
Het resultaat van het EESV wordt beschouwd als resultaat van de leden en wordt in het kader van de heffing naar de winst direct belast met inkomstenbelasting bij de leden/natuurlijke personen en met vennootschapsbelasting bij de leden/rechtspersonen. Nu het resultaat rechtstreeks bij hen moet worden belast en de werkzaamheden ondersteunend moeten zijn voor hun ondernemingsactiviteiten, dienen de leden van het EESV voor hun aandeel in het samenwerkingsverband de activa en passiva van het EESV tot hun ondernemingsvermogen te rekenen.

Een EESV zal loonbelasting moeten inhouden op het loon van de werknemers die in dienstbetrekking staan tot die EESV. Indien een EESV zelfstandig een bedrijf uitoefent, zal het ook belastingplichtig zijn voor de omzetbelasting.

Europese Naamloze Vennootschap (SE)

Sinds 8 oktober 2004 is de Verordening betreffende het Statuut van de Europese vennootschap (SE) rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie (EU) en de Europese Economische Ruimte (EER). Daarom moeten vanaf deze datum SE’s kunnen worden opgericht op een van de in de Verordening voorgeschreven wijzen. Met deze nieuwe rechtsfiguur wordt het voor ondernemingen mogelijk en makkelijker om grensoverschrijdende herstructureringen uit te voeren en samen te werken, bijvoorbeeld door de oprichting van een SE via een internationale fusie van vennootschappen, en ook om een zetel naar het buitenland te verplaatsen.
Een SE kan worden opgericht door middel van een jurisdische fusie, de oprichting van een houdstervennootschap (de zogenaamde holding-SE) en de oprichting van een gezamenlijke dochtervennootschap. Het minimumkapitaal bedraagt € 120.000. Voor fiscale doeleinden is de SE gevestigd in de staat waar de plaats van leiding zich bevindt. Verliezen van buitenlandse vaste inrichtingen van een SE kunnen in mindering worden gebracht op de winst van de SE, met een inhaalmogelijkheid in latere jaren. Wat betreft de fiscale behandeling van door dochtervennootschappen geleden verliezen, heeft het Hof van Justitie van de EG in de zaak Marks & Spencer beslist dat het in strijd is met de vrijheid van vestiging als de Britse 'group relief' wordt uitgesloten voor verliezen van een buitenlandse dochter wanneer de mogelijkheden voor verliescompensatie in de EU-lidstaat van die dochter zijn uitgeput.
De SE valt onder de werking van de Moeder-dochterrichtlijn en vanaf 1 januari 2006 eveneens onder de Fusierichtlijn. Vanwege de gelijkstelling met een NV gaat de staatssecretaris van Financiën ervan uit dat de SE van meet af aan onder de werking van de fiscale richtlijnen valt.

Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE)

Ondernemingen kunnen weliswaar in een EESV met behoud van hun autonomie gezamenlijk bepaalde activiteiten bevorderen, maar het EESV beantwoordt niet aan de specifieke kenmerken van het coöperatieve streven. Om gelijke concurrentievoorwaarden te creëren en met het oog op de economische ontwikkeling, biedt de EU met de Verordening voor de SCE aan coöperaties juridische instrumenten die het voor hen gemakkelijker kunnen maken om hun werkzaamheden over de grenzen heen te ontwikkelen. Vanaf 18 augustus 2006 kunnen SCE's worden opgericht.
Het voornaamste doel van een SCE moet zijn de voldoening van de behoeften van haar leden en/of de ontwikkeling van hun economische en sociale activiteiten. Daarbij moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

  • Haar activiteiten moeten strekken tot wederzijds voordeel van haar leden, waardoor elk van hen profijt kan trekken van de activiteiten van de SCE naar rata van zijn deelneming.
  • De leden moeten eveneens afnemer¸ werknemer of leverancier zijn of op enige wijze zijn betrokken bij de activiteiten van de SCE.
  • De zeggenschap over de SCE moet billijk over de leden zijn verdeeld, maar gewogen stemmen kunnen worden toegestaan om rekening te houden met de bijdrage van elk afzonderlijk lid aan de SCE.
  • De beloning van het geleende kapitaal en van de deelnemingen dient beperkt te zijn.
  • De winst moet naar rato van de met de SCE verrichte activiteiten worden verdeeld of aangewend ter voldoening van de behoeften van de leden.
  • De toetreding mag niet kunstmatig worden beperkt.
  • Het batige saldo en de reserves moeten na ontbinding worden verdeeld volgens het beginsel van de belangeloze verdeling, dat wil zeggen aan een ander coöperatief lichaam dat soortgelijke doelstellingen of doeleinden van algemeen belang nastreeft.

Wat betreft de fiscale behandeling in Nederland wordt een SCE gelijkgesteld met een Europese Naamloze Vennootschap (SE). Via een algemene maatregel van bestuur kunnen regelingen die specifiek voor coöperaties gelden, ook van toepassing worden verklaard op een SCE, zoals voor de toepassing van de verlengstukwinstgedachte in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Hiermee wordt bereikt dat een SCE zo veel mogelijk hetzelfde wordt behandeld als een coöperatie. Daarnaast zal een SCE – vanwege de gelijkstelling met een SE – een beroep kunnen doen op de fiscale fusiefaciliteiten.