Op 1 januari 1995 trad het Arbitrageverdrag in werking. Het doel ervan is om dubbele belastingheffing weg te nemen wanneer fiscale autoriteiten de winst van gelieerde vennootschappen corrigeren omdat transacties niet 'at arm's length' hebben plaatsgevonden. Dergelijke correcties kunnen leiden tot dubbele heffing als de ene lidstaat de winst van een onderneming naar boven bijstelt, terwijl de andere lidstaat niet bereid is om een corresponderende neerwaartse correctie toe te staan van de winst van de verbonden vennootschap.

Procedure

Als een correctie inderdaad dreigt te leiden tot dubbele heffing, mag een onderneming haar zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van vestiging. Dit moet gebeuren binnen drie jaar na de eerste aanslag waarvan de dubbele heffing het gevolg is. De onderneming en de bevoegde autoriteit informeren andere betrokken lidstaten dat een zaak is voorgelegd. Indien de betrokken lidstaten niet binnen twee jaar overeenstemming hebben bereikt over het wegnemen van de dubbele heffing, moet een raadgevende commissie worden benoemd die binnen zes maanden advies uitbrengt. In de zes maanden daarna mogen de betrokken lidstaten alsnog in overleg treden om dubbele heffing weg te nemen. Daarbij mogen ze afwijken van het advies van de commissie, als de dubbele heffing maar wordt weggenomen. Indien de lidstaten het niet binnen de zesmaandstermijn eens worden, is het advies bindend. 

Gedragscode

Om tot meer uniformiteit te komen bij de toepassing van bepaalde onderdelen van het Arbitrageverdrag, zoals de aanvang van de termijnen, is in 2004 een Gedragscode voor de toepassing van het Arbitrageverdrag aangenomen.

Toepassingsbereik

Het Verdrag is ook van toepassing op de tien lidstaten die op 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden, evenals op Bulgarije en Roemenië, die toetraden op 1 januari 2007.