Op Prinsjesdag, 20 september 2016, heeft het kabinet het pakket voor het Belastingplan 2017 ingediend bij de Tweede Kamer. In dit memorandum gaan wij in op de belangrijkste voorgestelde wijzigingen voor de loonheffingen, de S&O-afdrachtvermindering en het heffingvrije vermogen voor buitenlandse belastingplichtigen, zoals neergelegd in het Belastingplan 2017, de Overige fiscale maatregelen 2017 en de Fiscale vereenvoudigingswet 2017. De voorstellen hebben een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2017, tenzij expliciet een andere datum wordt vermeld. De belangrijkste reeds aangenomen wetsvoorstellen die ook per 1 januari 2017 ingaan zijn de Wet uitwerking Autobrief II en de Wet tegemoetkomingen loondomein. Ook hier wordt aandacht aan besteed.

Voor de belangrijkste voorgestelde pensioenwijzigingen betreffende het pensioen in eigen beheer en de overige fiscale pensioenmaatregelen verwijzen wij naar ons memorandum over de oudedagsvoorzieningen.

Belastingtarieven uit het Belastingplan 2017

Het tarief van de tweede en derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting bedraagt in 2016 40,40%. Met ingang van 1 januari 2017 wordt het tarief in beide schijven verhoogd met 0,40% naar 40,80%. Daarnaast wordt de derde schijf verlengd, waardoor de vierde schijf in 2017 begint bij een belastbaar loon van meer dan € 67.072. Het gecombineerde tarief in de eerste schijf is per 1 januari 2017 36,55% (net als in 2016).

De tarieven voor werknemers geboren op of na 1 januari 1946 zullen op 1 januari 2017 als volgt zijn:

Bij een belastbaar loon van meer dan

Maar niet meer dan

Belastingtarief

Premies volksverzekeringen

-

€ 19.982

8,90%

27,65%

€ 19.982

€ 33.791

13,15%

27,65%

€ 33.791

€ 67.072

40,80%

-

€ 67.072

-

52%

-

De algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt verhoogd tot € 2.254. De hoogte van de algemene heffingskorting is afhankelijk van het inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe lager de algemene heffingskorting. Bij een inkomen van € 66.726 en hoger is de algemene heffingskorting nihil.

De arbeidskorting

De maximale arbeidskorting wordt verhoogd tot € 3.223. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe lager de arbeidskorting. Bij een arbeidsinkomen van € 121.972 en hoger is de arbeidskorting nihil.

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd door de werkgever zal met ingang van 1 januari 2017 worden verlaagd van 6,75% naar 6,65%. Het maximale premie-inkomen voor de Zorgverzekeringswet bedraagt per 1 januari 2017 € 53.697.

Einde fictieve dienstbetrekking commissaris

De zogenoemde fictieve dienstbetrekking van commissarissen wordt per 1 januari 2017 afgeschaft. Vooruitlopend op deze wetswijziging was al goedgekeurd dat met ingang van 1 mei 2016 de commissaris en de vennootschap waar de commissaris toezicht houdt gezamenlijk kunnen kiezen om de fictieve dienstbetrekking voor de commissaris niet toe te passen. Als partijen hiervoor kiezen, hoeft de vennootschap met ingang van 1 mei 2016 al geen loonbelasting meer op de commissarisbeloning in te houden en af te dragen en is de commissaris zelf de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd. Vanaf 1 januari 2017 zal dit voor alle commissarissen gelden. Over de commissarisbeloning zijn geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd (dit blijft ongewijzigd).

Vanaf 1 januari 2017 heeft de commissaris nog steeds de mogelijkheid om onder de Wet op de loonbelasting te (blijven) vallen via de zogenoemde opting-inregeling. Als het wenselijk is (bijvoorbeeld voor de toepassing van de 30%-regeling) dat de arbeidsverhouding met de commissaris toch als fictieve dienstbetrekking wordt beschouwd, kan gebruik worden gemaakt van de opting-inregeling. Dit betekent dat de loonbelasting wordt ingehouden en afgedragen over de beloning. Kenmerkend bij de opting-inregeling is dat de commissaris de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is verschuldigd. De opting-inregeling moet bij de Belastingdienst worden aangevraagd.

Als gevolg van de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking van de commissaris kan (afhankelijk van de persoonlijke situatie) het netto-equivalent van de commissarisbeloning dalen doordat de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is verschuldigd door de commissaris zelf in plaats van door de vennootschap.

Heffing beloningen buitenlandse bestuurders en commissarissen in de inkomstenbelasting

Op basis van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met verschillende landen, is Nederland doorgaans heffingsbevoegd over de volledige beloning van een buitenlandse commissaris en/of bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap. Om daadwerkelijk inkomstenbelasting te kunnen heffen, dient een wettelijke grondslag in de nationale wetgeving aanwezig te zijn. Door het afschaffen van de fictieve dienstbetrekking per 1 januari 2017 leek het erop dat de nationale wetgeving in veel gevallen geen grondslag bood om de volledige beloning van een commissaris in Nederland te belasten. Ter reparatie is nu voorgesteld om vast te leggen dat zowel wanneer sprake is van winst uit onderneming als van loon of resultaat uit overige werkzaamheden Nederland ook volgens nationaal recht inkomstenbelasting kan heffen over de volledige beloning van een bestuurder of commissaris die buitenlands belastingplichtig is.

Uitbreiding mogelijkheid tot verlegging van de inhoudingsplicht loonheffingen voor concernonderdelen

Buitenlandse concerns kunnen op verzoek de inhoudingsplicht voor de loonheffingen van werknemers die in Nederland zijn onderworpen aan de inkomstenbelasting verleggen naar een Nederlands concernonderdeel. Voorwaarde voor deze verlegging is dat de werknemers zijn gedetacheerd naar het Nederlandse concernonderdeel. Het voeren van een Nederlandse loonadministratie gaat voor het buitenlandse concernonderdeel gepaard met relatief hoge kosten. Daarom wordt voorgesteld de bestaande mogelijkheid om de inhoudingsplicht te verleggen naar een Nederlands concernonderdeel uit te breiden. De voorwaarde dat sprake moet zijn van detachering naar het Nederlandse concernonderdeel komt dan ook te vervallen. De wijziging zal ertoe leiden dat elk buitenlands concernonderdeel de inhoudingsplicht kan verleggen naar een Nederlands concernonderdeel dat bereid is om de inhoudingsplicht over te nemen. Hiertoe zal wel een gezamenlijk verzoek van beide concernonderdelen moeten worden ingediend bij de Belastingdienst.

Verduidelijkingen in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premies volksverzekeringen (WVA)

De S&O-afdrachtvermindering (WBSO) is een fiscale stimuleringsregeling waarmee een deel van de loonkosten, overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt gecompenseerd. Voor inhoudingsplichtigen biedt de WBSO een vermindering op de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen. Voor de bepaling van de afdrachtvermindering wordt het gemiddelde uurloon gebruikt. Het uurloon wordt bepaald op basis van de loongegevens uit de polisadministratie van het UWV. Dit is het loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking. In de wet zal expliciet worden vastgelegd dat eindheffingsloon is uitgesloten van het loonbegrip in het kader van de S&O-afdrachtvermindering.

De ontvanger van de S&O-verklaring dient voor 31 maart na afloop van het betreffende kalenderjaar het aantal bestede S&O-uren en de gerealiseerde kosten en uitgaven aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) door te geven. Dit wordt ook wel de mededelingsplicht genoemd. Indien de mededelingsplicht niet wordt nageleefd, wordt een boete opgelegd die in de praktijk op maximaal € 2.500 wordt vastgesteld. Voorgesteld wordt om deze maximumboete in de wet op te nemen.

Aanpassing gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups

Door de voorgestelde regeling mag het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder van een innovatieve start-up op ten minste het minimumloon worden gesteld. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de start-up beschikken over een S&O-verklaring. Tevens is vereist dat de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige voor de loonheffingen was en dat voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Dit bekent dat het gebruikelijk loon gedurende maximaal drie kalenderjaren op ten minste het minimumloon kan worden gesteld. Na deze periode zal de hoofdregel voor de vaststelling van het gebruikelijk loon moeten worden toegepast. Conform de bestaande systematiek kan het belastbare loon op een lager bedrag worden gesteld dan het minimumloon als de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is (bijvoorbeeld bij een parttimedienstverband).

Voor het minimumloon wordt aangesloten bij 12,96 keer het minimumloon per maand op 1 januari van het betreffende jaar.

Omdat het minimumloon als uitgangspunt voor het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder van een start-up wordt voorgesteld, kan de start-up een lager bedrag aan premies werknemersverzekeringen, opslag kinderopvangtoeslag en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn. Dit vormt in beginsel staatssteun. Het verlaagde gebruikelijk loon mag niet worden toegepast als dit tot gevolg heeft dat het zogenoemde de-minimisplafond (dit is gebaseerd op een EU-verordening) wordt overschreden. De omvang van de staatssteun ingevolge de gebruikelijkloonregeling wordt gebaseerd op een formule.

De bovenstaande regeling zal met ingang van 1 januari 2022 komen te vervallen, tenzij deze voor die datum positief wordt geëvalueerd.

Afschaffen jaarloonuitvraag

In geval van ontbrekende of onjuiste loonaangiftegegevens kan de Belastingdienst na afloop van het kalenderjaar bij de inhoudingsplichtige de jaarloongegevens van de werknemers opvragen. De afgelopen jaren zijn er verbeteringen doorgevoerd in de loonaangifteketen, waardoor de tijdigheid en volledigheid van de loonaangiftegegevens worden geborgd. Daarom wordt voorgesteld om per 1 januari 2017 de mogelijkheid van de Belastingdienst om een jaarloonuitvraag te doen af te schaffen.

Bijtellingspercentages auto van de zaak

In de Wet uitwerking Autobrief II zijn de fiscale automaatregelen voor 2017 tot en met 2020 verder uitgewerkt. Er blijven nog maar twee bijtellingscategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor nulemissieauto’s en 22% voor alle andere auto’s met een datum van eerste toelating op de weg vanaf 1 januari 2017.

De CO2-emissienormen (aangegeven in gram per kilometer) voor de bijtelling voor de auto van de zaak worden in 2017:

Jaar

0

gram/km

1-50 gram/km

51-106 gram/km

> 106 gram/km

2016

4%

15%

21%

25%

2017

4%

22%

22%

22%

 Vanaf 2019 zal voor volledig elektrische auto’s het deel van de catalogusprijs dat boven de € 50.000 uitkomt ook onder het algemene bijtellingspercentage van 22% vallen.

Wet tegemoetkomingen loondomein: lage-inkomensvoordeel treedt per 1 januari 2017 in werking

Het lage-inkomensvoordeel (LIV) treedt per 1 januari 2017 in werking (Wet tegemoetkoming loondomein, Wtl).

De kwalificerende gemiddelde uurlonen op jaarbasis en de LIV’s zijn in het onderstaande overzicht opgenomen. De LIV’s kunnen alleen worden toegepast voor werknemers die voor ten minste 1.248 verloonde uren zijn opgenomen in de loonaangifte.

Gemiddeld uurloon met uitgangspunt 38-urige werkweek

Wettelijk minimumloon

LIV per verloond uur

Meer dan € 9,89 maar niet meer dan € 10,88

100% tot 110% van het wettelijk minimumloon

€ 1,01 en maximaal € 2.000 per werknemer per jaar

Meer dan € 10,88 maar niet meer dan € 11,87

110% tot 120% van het wettelijk minimumloon

€ 0,51 en maximaal € 1.000 per werknemer per jaar

In september 2016 is in de Verzamelwet SZW 2017 voorgesteld om het LIV te verruimen. Hierbij is voorgesteld om het gemiddelde uurloon te verlagen door niet uit te gaan van een 38-urige maar 40-urige werkweek.

Gemiddeld uurloon met uitgangspunt 40-urige werkweek

Wettelijk minimumloon

LIV per verloond uur

€ 9,50 of meer maar niet meer dan € 10,45

100% tot 110% van het wettelijk minimumloon

€ 1,01 en maximaal € 2.000 per werknemer per jaar

Meer dan € 10,45 maar niet meer dan € 11,87

110% tot 125% van het wettelijk minimumloon

€ 0,51 en maximaal € 1.000 per werknemer per jaar

Heffingvrije vermogen box 3 voor buitenlandse belastingplichtigen

Met ingang van 1 januari 2017 wordt wettelijk geregeld dat ook buitenlandse belastingplichtigen (niet-kwalificerend) het heffingvrije vermogen van box 3 in aanmerking kunnen nemen bij het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland. Dit betreft een codificatie van hetgeen bij beleidsbesluit van 25 april 2016 al was goedgekeurd.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat