In afwijking van Gerechtshof Den Haag heeft de Hoge Raad op 22 april 2016 beslist dat in de betreffende situatie het indirecte belang onder de 5% dat erflater hield in een actieve vennootschap kwalificeert voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet (BOF) op grond van vermogensetikettering.

Tot de gemeenschap van goederen van erflater behoorde een belang van 6,89% in een houdstervennootschap, die op haar beurt belangen hield in diverse actieve vennootschappen. Het belang in een van deze ondernemingen, D BV, bedroeg 70,6%, waardoor vanuit erflater bezien sprake was van een belang onder de 5%. In houdsterstructuren mogen voor de BOF bezittingen en schulden van (klein)dochtervennootschappen worden toegerekend aan de houdstervennootschap indien vanuit erflater bezien sprake is van een belang van 5% of meer dan wel van een zogenoemd verwaterd belang (de toerekeningsregeling). Bij een verwaterd belang gaat het om een belang dat bij een rechtsvoorganger van de erflater kwalificeerde als aanmerkelijk belang en dat vervolgens door vererving, schenking of een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht is verwaterd tot onder de 5%.

In geschil was of het belang in D BV als ondernemingsvermogen kan kwalificeren als de toerekeningsregeling geen toepassing kan vinden.

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de bezittingen en schulden van de andere actieve vennootschappen waarin de houdstervennootschap een indirect aanmerkelijk belang houdt, kunnen worden toegerekend aan de houdstervennootschap. Vervolgens worden deze bezittingen en schulden op de balans van de houdstervennootschap geëtiketteerd tot ondernemingsvermogen dan wel beleggingsvermogen, waarbij keuzevermogen kwalificeert als ondernemingsvermogen. Volgens de rechtbank dient deze etikettering op grond van de wetsgeschiedenis ook plaats te vinden ter zake van het belang in D BV. Nu niet ter discussie staat dat de activiteiten van D BV in het verlengde liggen van de ondernemingsactiviteiten van het concern, kwalificeert het belang als ondernemingsvermogen en daardoor voor toepassing van de BOF

Gerechtshof Den Haag

In afwijking van de rechtbank oordeelt het hof dat het belang in D BV niet kwalificeert als ondernemingsvermogen voor de BOF. Dit, omdat volgens het hof voornoemde toerekeningsregeling niet van toepassing is en de wetgever heeft bedoeld alleen indirecte belangen waarop deze regeling wel van toepassing is als ondernemingsvermogen aan te merken.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van het hof niet in stand kan blijven. Hij merkt op dat tot het ondernemingsvermogen van de houdstervennootschap (na toerekening van de bezittingen en schulden van de andere belangen) ook kunnen behoren vermogensbestanddelen van de houdstervennootschap zelf (waaronder het belang in D BV). Er bestaat volgens de Hoge Raad geen aanleiding om een aandelenbelang anders te behandelen dan andere vermogensbestanddelen op de balans. Nu uit de gedingstukken blijkt dat het belang in D BV op grond van de regels van vermogensetikettering kan worden toegerekend tot het ondernemingsvermogen, is de BOF daarop van toepassing.

Belang voor de praktijk

Uit dit arrest blijkt dat wanneer de bezittingen en schulden van een indirect gehouden belang niet kunnen worden toegerekend aan de houdstervennootschap, dit niet per definitie betekent dat het belang niet kwalificeert voor de BOF. Daarnaast moet namelijk worden bekeken of het belang dat op de balans van de houdstervennootschap staat op grond van de regels van de vermogensetikettering kan worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Dit kan het geval zijn als de activiteiten in de vennootschap waarin een indirect belang onder de 5% wordt gehouden, in het verlengde liggen van de concernactiviteiten.

Vanzelfsprekend kan Meijburg & Co u helpen bij het in kaart brengen van de mogelijke impact van het arrest van de Hoge Raad op uw situatie. Neemt u gerust contact met ons op.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat