Op 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de crisisheffing 2013 en 2014. Dit arrest is de uitkomst van een procedure over de crisisheffing 2013 en de door Meijburg & Co gevoerde proefprocedure over de crisisheffing 2014. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van gerechtvaardigde terugwerkende kracht. De crisisheffing vormt volgens de Hoge Raad geen schending van het recht op eigendom dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Crisisheffing

In 2013 en 2014 werd telkens eenmalig een werkgeversheffing van 16% geheven over het salaris dat in de voorafgaande jaren, dus 2012 en 2013, meer dan € 150.000 bedroeg. Tegen deze crisisheffing hebben werkgevers massaal bezwaar gemaakt. Een aantal van deze bezwaren wordt als proefprocedure uitgeprocedeerd. Daarnaast zijn er ook individuele procedures aanhangig.

Procedures 2013 en 2014

In deze procedures wordt een aantal argumenten aangevoerd. Met name is betoogd dat de crisisheffing in strijd is met het recht op ongestoorde eigendom van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, onder andere omdat ze een onaanvaardbare terugwerkende kracht heeft.

In het voortraject hebben de rechtbank en het Hof Den Haag en Hof Amsterdam in de verschillende procedures alle argumenten afgewezen. Rechtbank Noord-Holland gaf een ander oordeel. Deze rechtbank achtte de crisisheffing 2013 en 2014 in zijn algemeenheid niét in strijd met bepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Wél in strijd met deze regels achtte de rechtbank de crisisheffing over incidentele betalingen die boven de € 150.000 uitkomen en zijn gedaan voor 26 april 2012 (crisisheffing 2013) of voor 1 maart 2013 (crisisheffing 2014).

In zijn advies aan de Hoge Raad concludeerde advocaat-generaal Wattel (hierna: de A-G) nog dat sprake is van terugwerkende kracht en dat die terugwerkende kracht om diverse redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De crisisheffing vormt volgens de A-G een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De werking van de crisisheffing mocht daarbij volgens hem niet verder teruggaan dan tot 25 mei 2012 voor de crisisheffing 2013 en 17 september 2013 voor de crisisheffing 2014. Op die data was naar de mening van de A-G de crisisheffing pas voldoende aangekondigd.

Oordeel van de Hoge Raad

Helaas heeft de Hoge Raad de argumenten afgewezen en geoordeeld dat sprake is van gerechtvaardigde terugwerkende kracht. Dit betekent dat de procedure hiermee in principe is beëindigd. Aangezien een van de argumenten de strijd met het recht op ongestoorde eigendom betrof, kan een volgende stap een klacht zijn bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het is nog niet bekend of die vervolgstap ook zal worden gezet.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat