Beste lezer,

Dit is het nieuwe nummer van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Ondernemers. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor in Nederland opererende ondernemers. Daarbij zullen wij aandacht schenken aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat de meeste ondernemers in deze nieuwsbrief iets terug zullen vinden dat voor hen van belang is. Mocht u vragen, opmerkingen of verzoeken hebben, dan kunt u die richten aan de adviseur die is vermeld bij het desbetreffende onderwerp of aan een van de adviseurs die aan het slot van de nieuwsbrief zijn vermeld. Wij wensen u veel leesplezier!

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Column: rente

‘Vroeger’ betaalde je rente aan de Belastingdienst als bij het doen van de aangifte bleek dat er meer belasting was verschuldigd dan al was betaald via voorheffingen en voorlopige aanslagen. De tegenhanger was – uiteraard, zou ik bijna zeggen – dat als bleek dat er te veel was betaald, de teruggave werd verhoogd met een rentevergoeding. Dat klinkt fair en dat was het ook. De enige pijn was dat de rente die moest worden betaald en werd vergoed relatief hoog was, zodat er calculerende belastingplichtigen waren die met opzet te veel vooraf betaalden en dat dan met een hoge rente terugkregen. Sparen bij de fiscus heette dat.

Tegenwoordig werkt het anders. Als je nu iets terugkrijgt, ontvang je geen rente meer. Daarmee is het sparen bij de fiscus dus verleden tijd. Maar… als je vennootschapsbelasting moet bijbetalen, bedraagt de rente 8%(!). Ik hoor u denken, 8%? Dat moet een schrijffout zijn. Dat is het niet, de rente die vergoed moet worden bedraagt 8%(!). Het evenwicht tussen ontvangen en betalen is daarmee totaal zoek en het rentepercentage is ook volstrekt ridicuul. De Nederlandse staat leent op de kapitaalmarkt ongeveer gratis. De rente op spaarrekeningen benadert nihil en er zijn weinig bedrijven die 8% betalen voor leningen. Toch is dit het percentage dat nu wordt gehanteerd. Wij worden als adviseurs nu geconfronteerd met situaties waarin cliënten hun winst over 2016 iets te conservatief hebben ingeschat. Aanslagen over 2016 met een dagtekening na 1 juli 2017 zullen de 8% aangerekend krijgen. Dat gaat hard. Daarnaast zien we dat in belastingcontroles correcties over oude jaren veel harder gaan aankomen, omdat die verhoogd zullen worden met 8% rente per jaar.

De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs in de pers aangegeven dat hij er begrip voor heeft dat mensen dit onbegrijpelijk vinden. Gezien het financiële belang voor de staat is hij echter niet van plan om een wijziging door te voeren.

Belasting wordt geheven om de publieke uitgaven te financieren. Dat begrijpt (bijna) iedereen en de meeste mensen hebben daar vrede mee. Om dit begrip en de acceptatie niet te zeer op de proef te stellen, moet het belastingstelsel wel zo fair mogelijk zijn. Een regeling waarbij geen rente wordt vergoed maar wel 8%(!) rente wordt geheven, zal niet als fair worden ervaren om de simpele reden dat zij volstrekt niet fair is. Bij dezen dus een oproep aan de staatssecretaris om dit aan te passen. Een gedachterichting hierbij is om ook weer rente te gaan vergoeden en dan de te vergoeden en de te betalen rente te laten aansluiten bij de gemiddelde spaarrente in enig jaar.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven


2. Ervaringen met uitfaseren van pensioen in eigen beheer

Met ingang van 1 juli 2017 kan geen pensioen in eigen beheer meer worden opgebouwd. De directeur-grootaandeelhouder (dga) heeft een drietal keuzes: afkoop, omzetting in een oudedagsverplichting (ODV) of bevriezen. Wat is wijsheid? Wij hebben inmiddels een groot aantal dga’s geadviseerd en algemene regels zijn eigenlijk niet goed te geven. Het kan zijn dat een cliënt nu of te zijner tijd van de pensioen-bv af wil of de concernstructuur wil veranderen. Bijzondere aandacht verdienen situaties met meerdere aandeelhouders, aandelen in handen van kinderen en bijvoorbeeld een directiepensioenstichting. En hoe gaan we om met een groot leeftijdsverschil?

Afkoop

Het is voor de hand liggend dat degenen die een groot fiscaal voordeel genieten van een afkoop, daartoe zo snel mogelijk zullen willen overgaan. Hoe eerder de afkoop plaatsvindt, des te groter de korting. Maar het kan ook zijn dat iemand met een klein pensioen juist wil afkopen, omdat de administratieve kosten en lasten onevenredig zwaar drukken. Als er een goed renderende dekkingspolis in de bv zit, is afkoop minder voor de hand liggend. Het is mogelijk dat bij de verzekeraar ondergebracht pensioen moet worden teruggehaald naar eigen beheer om de loonheffingen te kunnen voldoen.

ODV

Als er onvoldoende liquiditeiten zijn terwijl afkoop gewenst is, kan men omzetten in een ODV en later alsnog laten afkopen zonder dat een nieuwe actuariële berekening hoeft te worden gemaakt. Er zijn ook situaties dat omzetten in een ODV veel voordeliger blijkt te zijn dan afkoop! Diverse dga’s vinden de stijgende uitkeringen een pre. Lagere uitkeringen uit een ODV kunnen eventueel worden aangevuld met dividenduitkeringen. Wie wil dat ingegane uitkeringen na overlijden van de dga naar één erfgenaam gaan, zal daarvoor iets moeten regelen.

Bevriezen

Wie eigenlijk heel tevreden is met zijn al dan niet reeds ingegane pensioen dat levenslang wordt uitgekeerd, kan natuurlijk ook gewoon besluiten om niets te doen. Dga’s van wie de (ex-)partner niet wil meewerken aan een van de alternatieven hebben feitelijk geen andere optie, net als dga’s met een bv in een sterk verliesgevende situatie. Voor deze groep vinden wij het nog steeds een gemiste kans dat niet op elk moment fiscaalvriendelijk kan worden prijsgegeven.

De positie van de partner

Natuurlijk is de positie van de partner heel belangrijk. Is het raadzaam om bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten? Een elegante oplossing voor het compensatieprobleem kan een voorwaardelijke compensatie zijn: uitsluitend in het geval van een echtscheiding of overlijden. Dit kan echter onder omstandigheden achteraf een slechte oplossing blijken te zijn, bijvoorbeeld bij een tweede huwelijk. Ook compenseren via een testament kan zijn nadelen hebben: een testament kan immers worden herroepen. Het kan ook gewenst zijn om de partner juist nu wat vermogen toe te schuiven, al dan niet via wijziging van het huwelijksgoederenregime. Voor cliënten die in scheiding liggen is pensioenverrekening bij de een aftrekbaar en bij de ander belast. Als dit niet aan de orde is, ligt de transactie in de vermogenssfeer. De gewenste spreiding van het vermogen over box 1, box 2 en box 3 is een aandachtspunt. Voor zover de afkoopsom wordt uitgekeerd, betaalt men over het niet-geconsumeerde deel jaarlijks vermogensrendementsheffing in box 3. Voor zover de bv een bedrag verschuldigd blijft, is sprake van een terbeschikkingstelling aan de bv (de ‘tbs-vordering’ van de dga op de bv) in box 1. Zelfs als de bv geen rente vergoedt, wordt men dan jaarlijks inkomstenbelasting in box 1 verschuldigd over de (alsdan fictieve) rente. Beide situaties zijn te vermijden door de afkoopsom als kapitaal te storten in de bv.

Maatwerk

Kortom, uitfaseren van pensioen in eigen beheer is vaak maatwerk! De pensioenspecialisten van Meijburg & Co zijn u daarbij vanzelfsprekend graag van dienst.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


3. Handhaving Wet DBA opnieuw uitgesteld

De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (‘Wet DBA’) beoogt per 1 mei 2016 schijnzelfstandigheid bij zzp’ers tegen te gaan. Zoals wij in november 2016 berichtten, is de handhaving van deze wet opgeschort tot 1 januari 2018. Daartoe werd besloten, omdat sprake was van onzekerheid en onrust bij opdrachtgevers en opdrachtnemers over de gevolgen van de wet.

Op 1 juni 2017 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer bekendgemaakt dat deze opschorting zal worden verlengd tot 1 juli 2018. De verlenging is aangekondigd naar aanleiding van de aanbieding van het rapport ‘Onderzoek varianten kwalificatie arbeidsrelatie’.

Kabinetsformatie aanleiding tot uitstel

In dat rapport wordt een aantal suggesties gegeven voor het vervolgtraject in het DBA-dossier. Hoe het verder zal gaan, is afhankelijk van keuzes die het nieuwe kabinet zal maken. Eerder had de staatssecretaris de Tweede Kamer toegezegd nog voor het zomerreces helderheid te geven over het verdere traject en de gevolgen hiervan voor de opschorting van de handhaving.

Omdat het kabinet het belangrijk vindt dat opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om zich aan te passen, wordt de handhaving nu opgeschort tot 1 juli 2018.

Gevolgen niet-handhaving

De opschorting betekent nadrukkelijk niet dat de Wet DBA buiten werking is gesteld. Tot 1 juli 2018 zullen er echter geen handhavingsmaatregelen als boetes en naheffingsaanslagen worden opgelegd, behoudens in situaties van evidente kwaadwillendheid.

Het blijft van belang om als opdrachtgever met de opdrachtnemer te streven naar een overeenkomst die past in het kader van de regels van de Wet DBA. Voor verdere informatie over de gevolgen van deze wet in uw specifieke situatie kunt u contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt bij Meijburg & Co of met een van onze specialisten.

Jurgen Stormmesand (stormmesand.jurgen@kpmg.com)

Naar boven


4. UBO-register bijna een feit?

Op 28 april 2017 is de consultatie van het conceptwetsvoorstel voor de invoering van een UBO-register in Nederland beëindigd. Diverse partijen en belangenorganisaties hebben fundamentele kritiek op het conceptwetsvoorstel geleverd. Het echte wetsvoorstel wordt pas in de tweede helft van 2017 verwacht, waardoor implementatie van het UBO-register voor 2018 niet waarschijnlijk is.

UBO

Een UBO is de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een onderneming of rechtspersoon. Bij algemene maatregel van bestuur zal nader worden bepaald wie als UBO wordt beschouwd. Dat laatste is onwenselijk.

Entiteiten

Ten aanzien van de entiteiten waarvan UBO-informatie wordt opgenomen zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij de entiteiten zoals die worden genoemd in artikel 5 en 6 Handelsregisterwet 2007: ondernemingen die in Nederland zijn gevestigd en rechtspersonen die statutair in Nederland zijn gevestigd.

Aanleveren informatie

De entiteiten ten aanzien waarvan UBO-informatie wordt opgenomen worden verplicht om informatie over hun UBO’s aan te leveren. Het aanleveren van onvolledige dan wel incorrecte informatie levert een economisch delict op. Bovendien wordt voorgesteld om een terugmeldingsplicht voor Wwft-instellingen, aangewezen bevoegde autoriteiten en de Financiële inlichtingen eenheid in te stellen. Deze terugmeldingsplicht houdt in dat de genoemde instellingen verplicht zijn om melding aan het Handelsregister te doen indien zij gerede twijfel hebben over de juistheid dan wel het ontbreken van bepaalde UBO-informatie. De terugmeldingsplicht levert allerlei complicaties op voor de betreffende instelling.

UBO-informatie

Van een UBO moeten worden opgenomen: naam, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang (hierna: de beperkte set gegevens). Aanvullend hierop zullen worden opgenomen: geboortedag, -plaats en -land, adres en BSN. Daarnaast dienen er afschriften te worden opgenomen waaruit de identiteit van de UBO blijkt, waarmee wordt onderbouwd waarom een persoon de status van UBO heeft en waarmee de aard en omvang van dat belang wordt aangetoond.

Toegang

In beginsel krijgt iedereen toegang tot de beperkte set gegevens en krijgen bepaalde autoriteiten toegang tot aanvullende gegevens. De toegang tot de UBO-informatie wordt voorzien van waarborgen ten behoeve van de bescherming van de privacy en de persoonlijke levenssfeer van de te registreren UBO’s: 1) afnemers worden geregistreerd, 2) voor inzage in het register wordt een vergoeding gevraagd, 3) afnemers anders dan specifiek aangewezen bevoegde autoriteiten en de Financiële inlichtingen eenheid krijgen inzage in de beperkte set gegevens en 4) informatie over een UBO wordt afgeschermd indien een UBO minderjarig is, anderszins handelingsonbekwaam is of door het openbaar beschikbaar maken van diens gegevens wordt blootgesteld aan een risico op fraude, ontvoering, chantage, geweld of intimidatie.

Freerk Volders (volders.freerk@meijburglegal.com)

Naar boven


5. Voordeel wegens garantstelling deels onbelast

Tot de belaste winst van een vennootschap behoren in principe alle voordelen gerealiseerd door de uitoefening van een onderneming. De Hoge Raad heeft echter al lang geleden bepaald dat voordelen die hun grond vinden in de aandeelhoudersrelatie tussen een vennootschap en haar aandeelhouder niet tot de fiscale winst van de vennootschap behoren, maar kwalificeren als onbelaste kapitaalstorting. De tegenhanger is overigens wel dat de aandeelhouder in dat geval geen aftrek kan claimen. Het is voor een dergelijke kapitaalstorting wel vereist dat de vennootschap en de aandeelhouder zich bewust waren van het feit dat de aandeelhouder een voordeel verleent aan de vennootschap, bijvoorbeeld door het overdragen van een activum zonder daar een adequate beloning voor te vragen.

Casus Hof Amsterdam

Onlangs moest Hof Amsterdam zich uitlaten over de vraag in hoeverre een voordeel dat niet rechtstreeks maar indirect bij een vennootschap was opgekomen, plaatsvond in de aandeelhouderssfeer en dus onbelast was dan wel een normaal belast voordeel.

In de zaak die voorlag bij het hof had een bv een groot bedrag te vorderen van een Spaanse distributeur. Vanwege de slechte financiële positie van deze distributeur had de bv deze vordering ten laste van haar Nederlandse winst afgewaardeerd. Omdat deze Spaanse distributeur toegang verschafte tot de Spaanse en Afrikaanse markt, besloot de Japanse aandeelhouder van de bv om alle aandelen van de Spaanse distributeur over te laten nemen door een Amerikaanse zustermaatschappij van de bv. Daarnaast stelde deze Amerikaanse zustermaatschappij zich tevens garant voor alle schulden van de Spaanse distributeur. Het gevolg hiervan was dat de eerder door de bv afgewaardeerde vorderingen weer volwaardig werden en dus tot een voordeel leidden voor de bv.

Het hof moest zich, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, uitlaten over de vraag of het volwaardig worden van de vorderingen bij de bv, al dan niet gedeeltelijk, zijn grond vond in de vennootschappelijke betrekkingen tussen de bv en haar Japanse aandeelhouder. Uiteindelijk heeft het hof, bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing door de bv en inspecteur, zelf in goede justitie bepaald dat het voordeel voor ongeveer 13% zijn grond vond in de aandeelhoudersrelatie tussen de bv en haar Japanse aandeelhouder. Het restant behoorde volgens het hof tot de regulier belaste voordelen uit onderneming.

Ook in de relatie tussen een directeur-grootaandeelhouder en zijn bv is een informele kapitaalstorting mogelijk

Hoewel de zaak van het hof een zeer specifiek feitencomplex kende, is het belangrijk om op te merken dat ook in de relatie tussen een directeur-grootaandeelhouder (dga) en zijn bv een informele kapitaalstorting kan worden onderkend. Men dient zich er echter van bewust te zijn dat dit in veel gevallen leidt tot een compenserende heffing bij de dga.

Han Verhagen (verhagen.han@kpmg.com)

Naar boven


6. Koerswinst op deelnemingsdividend toch belast

Dividenden van deelnemingen zijn in de vennootschapsbelasting normaliter 100% vrijgesteld door de werking van de deelnemingsvrijstelling. Als het echter een dividend in een vreemde valuta is en er tussen het moment van het dividendbesluit en de feitelijke betaling of verrekening tijdsverloop is, kan er toch een belast koersresultaat ontstaan. Naast het daadwerkelijk uitkeren van een dividend is het ook mogelijk om het dividend te verrekenen met een bestaande schuldverhouding tussen de aandeelhouder en de deelneming. Voor de verrekening is het tekenen van een verrekeningsverklaring nodig. Dat kan op een andere datum plaatsvinden dan de aandeelhoudersvergadering waarin tot de dividenduitkering wordt besloten. Zoals blijkt uit onderstaande casus moet in buitenlandse situaties rekening worden gehouden met in de tussentijd opgekomen koersresultaten.

De casus

Een Nederlandse bv heeft een buitenlandse (Kazachse) dochteronderneming. Deze dochter stelt een dividend beschikbaar, dat echter niet direct wordt betaald. Na ongeveer een maand wordt een verrekeningsverklaring met de Nederlandse moeder-bv opgesteld. In deze maand wordt een grote koerswinst behaald door de moeder-bv op haar dividendvordering. De vraag die door Hof Amsterdam wordt behandeld, is wanneer de dividendvordering ontstaat en of een beroep kan worden gedaan op de deelnemingsvrijstelling voor het koersresultaat van ongeveer € 4.8 miljoen.

De uitspraak van het hof – tijdstip van verrekening

Het hof grijpt bij zijn beoordeling van de vraag wanneer een vordering is verrekend terug op het Burgerlijk Wetboek. Op grond van Boek 6 BW is het opstellen van de verrekeningsverklaring bepalend voor het tijdstip van de verrekening. Naar dezelfde datum (te weten de datum van het tekenen van de verrekeningsverklaring) moeten de eventuele koersberekeningen worden gemaakt, ofschoon de verrekening overigens terugwerkende kracht heeft tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.

Met deze uitspraak moet rekening worden gehouden. Het ontstaan van de dividendvordering zelf kan vrijgesteld zijn onder de deelnemingsvrijstelling. Het latere koersresultaat op deze dividendvordering is dat volgens het hof niet en leidt dus tot belaste koersresultaten als de vordering in een andere valuta is gesteld.

Geen beroep in cassatie

Wij begrijpen dat de belastingplichtige in deze zaak geen beroep in cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad.

Jeroen Boks (boks.jeroen@kpmg.com)

Naar boven


7. Herinvesteringsreserve mag niet worden afgeboekt op pand dat is gekocht om snel door te verkopen

Indien bij de verkoop van een bedrijfsmiddel een winst wordt gerealiseerd, is deze winst in principe belast. In een actieve onderneming zal bij de verkoop van een bedrijfsmiddel doorgaans de behoefte bestaan om ter vervanging een nieuw bedrijfsmiddel aan te schaffen. De heffing van vennootschapsbelasting over de boekwinst van het verkochte bedrijfsmiddel kan in dat geval aan de herinvestering – en daarmee aan de continuïteit van de onderneming – in de weg staan. Tegen dit ongewenste effect biedt de herinvesteringsreserve (HIR) een oplossing.

Met deze wettelijke regeling is het namelijk mogelijk om voor de bij verkoop van een bedrijfsmiddel gerealiseerde boekwinst een fiscale reserve/HIR te vormen. Deze HIR kan bij herinvestering in een nieuw bedrijfsmiddel worden afgeboekt op de aanschafwaarde van het vervangende bedrijfsmiddel. De heffing van belasting over de boekwinst van het verkochte bedrijfsmiddel wordt hierdoor uitgesmeerd over de levensduur van het vervangende bedrijfsmiddel in de vorm van lagere afschrijvingen en voor het overige uitgesteld tot het moment waarop het vervangende bedrijfsmiddel zal worden verkocht (mits niet wederom een HIR wordt gevormd). De HIR draagt hierdoor bij aan de continuïteit van de onderneming.

Bedrijfsmiddel of voorraad?

In de casus voor de rechtbank Noord-Holland heeft belastingplichtige een in 2007 gevormde HIR afgeboekt op de aanschafkosten van een in 2010 aangeschaft pand. Dit pand is gekocht met de bedoeling om het te renoveren, te splitsen en zo snel mogelijk weer te verkopen. Met de inspecteur was de rechtbank van mening dat het pand daarom niet als bedrijfsmiddel, maar als voorraad kwalificeerde. Het feit dat (door economisch slechte omstandigheden) van een snelle verkoop achteraf bezien geen sprake was, heeft op deze intentie geen invloed. Nu afboeking van de HIR slechts mogelijk is op de aanschafwaarde van bedrijfsmiddelen, kon de belastingplichtige de HIR niet afboeken op het in 2007 aangeschafte pand.

Ruilarresten

Bovenstaande betekent niet dat het voor de vervanging van voorraad niet mogelijk is om een reserve te vormen. Met een beroep op de ruilarresten kan een reserve worden gevormd voor de bij vervreemding van voorraad behaalde boekwinst. Deze reserve kan echter slechts worden gevormd (en afgeboekt) indien het gaat om een vermogensbestanddeel dat zowel functioneel als economisch dezelfde plaats inneemt in de onderneming. Hiervan is in de onderhavige casus geen sprake (voorraad versus bedrijfsmiddel), zodat een beroep op de ruilarresten de belastingplichtige hier niet zou hebben geholpen.

Nick Grieving (grieving.nick@kpmg.com)

Naar boven


8. Hoge Raad komt deels tegemoet aan bezwaren btw-heffing privégebruik auto van de zaak – afhandeling massaal bezwaar

Op 21 april 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld in vier proefprocedures over de btw-heffing wegens het privégebruik van een auto van de zaak. Indien bij een btw-ondernemer auto’s van de zaak ook voor privédoeleinden van de ondernemer of zijn personeel worden gebruikt, moet voor de btw een correctie worden gemaakt. Sinds 1 juli 2011 is de regelgeving daarvoor aangepast. Een mogelijkheid is dat de ondernemer btw afdraagt over de daadwerkelijke kosten van de gereden privékilometers. In de meeste situaties wordt echter een forfait gehanteerd en de correctie bepaald op 2,7% van de catalogusprijs van de auto. Veel ondernemers hebben bezwaar aangetekend tegen deze correctiemethode, wat heeft geleid tot een zogeheten massaalbezwaarprocedure.

Privégebruik in redelijkheid te bepalen

In twee van de vier procedures zag de Hoge Raad gegronde bezwaren. Het gaat daarbij om het verschil tussen de forfaitaire heffing en de btw die zou worden geheven als wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van het privégebruik. De Hoge Raad oordeelt dat als de forfaitaire regeling ertoe heeft geleid dat de ondernemer te veel btw heeft betaald over het privégebruik, hij recht heeft op teruggave van dit deel van de btw. De werkelijke kosten van het privégebruik hoeven daarbij niet per se te worden vastgesteld aan de hand van een sluitende kilometeradministratie. Als de administratie van de ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre de auto van de zaak voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten verschillende omstandigheden in aanmerking worden genomen, zoals de aard van de onderneming en de zakelijke doeleinden waarvoor de aangeschafte auto binnen die onderneming bruikbaar is. Daarnaast zijn de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die de auto gebruikt van belang en moet worden bekeken wat bekend is over de wijze waarop de auto voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt, bijvoorbeeld voor woon-werkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens moet aan de hand van de hiervoor vermelde omstandigheden aannemelijk worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn. De Hoge Raad heeft de genoemde zaken verwezen naar Hof Den Bosch voor nader onderzoek naar de omvang van het privégebruik.

Afhandeling massaal bezwaar

Op 1 juni 2017 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën de Tweede Kamer laten weten dat de inspecteur een collectieve uitspraak heeft gedaan op de ingediende bezwaarschriften. In de collectieve uitspraak worden de bezwaren ongegrond verklaard, met uitzondering van de bezwaren inzake de lagere, werkelijke omvang van het privégebruik van de auto van de zaak. Deze bezwaren worden gegrond verklaard, maar zijn nog niet voldoende gemotiveerd om een teruggaafbeslissing te kunnen nemen. De inspecteur biedt belastingplichtigen daarom een termijn van zes weken (tot 15 juli 2017) voor de nadere motivering van het bezwaarschrift. De inspecteur zal vervolgens, overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, binnen zes maanden na de collectieve uitspraak de eventuele teruggaaf verlenen.

Leo van Elburg (vanelburg.leo@kpmg.com)

Naar boven


9. Voormalig schoolgebouw waarin lofts zullen worden gerealiseerd is geen woning voor de overdrachtsbelasting: verkrijging belast tegen 6% in plaats van 2%

De verkrijging van Nederlandse onroerende zaken is belast met 6% overdrachtsbelasting. Vanaf 1 januari 2012 geldt tevens een verlaagd tarief van 2% overdrachtsbelasting op de verkrijging van woningen. Het begrip ‘woning’ voor de overdrachtsbelasting heeft tot veel geschillen met de Belastingdienst geleid.

Vaststelling aard van de onroerende zaak

Een woning is een onroerende zaak die naar haar aard bestemd is voor bewoning op het moment van overdracht. De Hoge Raad heeft zich op 24 februari 2017 uitgelaten over de heffing van overdrachtsbelasting bij verkrijgingen van zogeheten kantoorvilla’s. Deze villa’s zijn oorspronkelijk als woning ontworpen en gebouwd, maar werden ten tijde van de overdracht als kantoor gebruikt. De Hoge Raad heeft in die situaties bepaald dat de aard van een onroerende zaak moet worden vastgesteld door aanknoping te zoeken bij het doel waarvoor deze oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd.

Hof Den Bosch heeft uitspraak gedaan over de toepassing van het 2%-tarief in een omgekeerde situatie: de verkrijging van een oud schoolgebouw dat op het moment van overdracht bewoond werd. Tot 2009 was de onroerende zaak in gebruik geweest als school. Vervolgens heeft de gemeente het gebouw in eigendom gekregen, waarna het bestemmingsplan is gewijzigd om woningbouw (lofts) mogelijk te maken. Belanghebbende verkreeg het schoolgebouw in 2013 van de gemeente. Het gebouw is tot aan de levering aan belanghebbende in 2013 door een leegstandsbeheerder (antikraak) verhuurd. Ten tijde van de levering van het schoolgebouw waren enkele maatregelen genomen om antikraakbewoning mogelijk te maken. Hierbij valt te denken aan de plaatsing van douches en badkamers. Belanghebbende realiseerde na de verkrijging een aantal loftappartementen in het voormalige schoolgebouw.

Het hof oordeelt dat het voormalige schoolgebouw op het moment van verkrijging nog steeds de aard heeft van een schoolgebouw. Het feit dat de verkrijger voornemens is om er woningen in te realiseren, doet hier niet aan af. Het overdrachtsbelastingtarief van 6% is van toepassing op de verkrijging van het schoolgebouw.

Gino Sparidis (sparidis.gino@kpmg.com)

Huub Reekers (reekers.huub@kpmg.com)

Naar boven


10. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad: conserverende aanslag voor pensioen- en lijfrenteaanspraken in strijd met goede verdragstrouw?

Prejudiciële vragen zijn rechtsvragen die een rechterlijke instantie voorlegt aan een hogere rechter alvorens uitspraak te doen. De Hoge Raad stelt bijvoorbeeld geregeld prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. Een rechtbank of een hof kan sinds 1 januari 2016 ook fiscale prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft dit recent gedaan: over een conserverende aanslag met betrekking tot pensioen- en lijfrenteaanspraken en een beschikking revisierente. Conserverende aanslagen zijn aanslagen die wel worden opgelegd, maar in beginsel niet worden ingevorderd, behalve als er binnen een periode van omstreeks tien jaar een verbonden handeling plaatsvindt (zoals afkoop).

Casus

Een Nederlandse directeur-grootaandeelhouder (dga) emigreerde eind december 2014 naar Frankrijk en kreeg een conserverende aanslag opgelegd voor zijn lijfrente- en pensioenaanspraken. Het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk kent geen tussen woon- en bronland verdeeld heffingsrecht, maar een exclusieve woonstaatheffing voor pensioen en lijfrente. Als de dga eenmaal is geëmigreerd, heeft Nederland geen heffingsrecht meer. Sinds 1 januari 2010 is er een delegatiebevoegdheid op basis waarvan regels kunnen worden gesteld om in bepaalde gevallen het opleggen van conserverende aanslagen achterwege te laten. Als Nederland geen heffingsrecht heeft, ligt het voor de hand geen conserverende aanslag op te leggen.

Rechtspraak

Op 19 juni 2009 had de Hoge Raad beslist dat een fictie op grond waarvan de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenrechten als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, in strijd komt met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van het verdrag in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft vervolgens reparatiewetgeving in het leven geroepen, op basis waarvan nu een conserverende aanslag wordt opgelegd over de bedragen waarvoor eerder een belastingfaciliteit werd verleend. Bij pensioen hield de faciliteit in dat de door de werknemer betaalde premies aftrekbaar waren geweest en de door de werkgever betaalde premies niet in de heffing waren betrokken. Bij de lijfrente was sprake van stakingswinst die was omgezet in een lijfrente. In de fiscale literatuur wordt door velen betwijfeld of Nederland hiermee toch niet eenzijdig een heffingsrecht naar zich toetrekt, in strijd met het verdrag. De dga betoogde dan ook dat het opleggen van de conserverende aanslag in strijd was met de goede verdragstrouw. De rechtbank vond het belangrijk genoeg om deze vraag voor te leggen. Hopelijk zal de Hoge Raad hierover binnenkort meer duidelijkheid geven.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


11. Vrijheid ondernemer bij wijze aan te houden liquide vermogen beperkt door gewijzigde bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Indirecte belangen onder de 5% kwalificeren niet voor de Nederlandse bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (BOF). Dit is met terugwerkende kracht naar 1 juli 2016 opgenomen in de Successiewet. De bezittingen en schulden van een dergelijk klein indirect belang worden slechts meegenomen bij de toepassing van de BOF als sprake is van een zogenoemd (door schenking, vererving of huwelijksvermogensrecht) verwaterd belang. Deze inperking op de faciliteiten is een reactie op een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016 en heeft invloed op de vrijheid van een ondernemer voor wat betreft de wijze waarop liquide vermogen wordt aangehouden.

De BOF en het arrest Hoge Raad 22 april 2016

In houdsterstructuren mogen voor de BOF de bezittingen en schulden van (klein)dochtervennootschappen onder voorwaarden worden toegerekend aan de houdstervennootschap voordat de beoordeling plaatsvindt of ter zake van de vermogensbestanddelen sprake is van (kwalificerend) ondernemingsvermogen. Toerekening mag plaatsvinden als vanuit de erflater of schenker bezien sprake is van een belang van 5% of meer dan wel van een verwaterd belang (de toerekeningsregeling).

Uit een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016 blijkt dat wanneer de bezittingen en schulden van een indirect gehouden belang van minder dan 5% niet kunnen worden toegerekend aan de houdstervennootschap, dit niet per definitie betekent dat het belang niet kwalificeert voor de BOF. Vervolgens moet namelijk worden bekeken of het belang dat op de balans van de houdstervennootschap staat op grond van de regels van de vermogensetikettering kan worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Dit kan het geval zijn wanneer de activiteiten in de vennootschap waarin een indirect belang van minder dan 5% wordt gehouden in het verlengde liggen van de ondernemersactiviteiten.

Aanpassing wetgeving

Naar de mening van de wetgever leidde de uitkomst van dit arrest tot een onbedoelde verruiming van de faciliteiten. Hij besloot daarop de wet aan te passen en te bepalen dat indirecte belangen onder de 5% niet kwalificeren voor de BOF.

Vergaande beperking

Door de wijze waarop de wetgever de regeling heeft aangepast, is een verschil ontstaan tussen liquide vermogen dat wordt aangehouden in de vorm van aandelenbelangen van kleiner dan 5% en liquide vermogen dat op andere wijze wordt aangehouden (denk aan een spaarrekening).

Liquide vermogen kan in de basis kwalificeren voor de toepassing van de BOF. Mogelijk kan de ondernemer stellen dat het liquide vermogen nodig is als ‘buffervermogen’ dan wel ‘oorlogskas’ voor de situatie dat binnen de onderneming op korte termijn geld nodig is ten behoeve van de onderneming. Beargumenteerd kan dan worden dat dit vermogen moet worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Is deze stelling niet haalbaar, dan mag het liquide vermogen alsnog onder de reikwijdte van de faciliteiten worden gebracht voor zover dit beleggingsvermogen niet meer dan 5% van het kwalificerende ondernemingsvermogen bedraagt.

De betreffende wetswijziging lijkt echter tot gevolg te hebben dat liquide vermogen dat wordt aangehouden in de vorm van aandelenbelangen van kleiner dan 5% per definitie niet onder de faciliteiten valt. Hierdoor ontstaat er een verschil met liquide vermogen dat op een andere wijze wordt aangewend en bijvoorbeeld wordt gestald op een spaarrekening.

De wetgever, zo blijkt uit de parlementaire behandeling, lijkt bewust voor dit verschil in behandeling te hebben gekozen. Dit heeft tot gevolg dat een ondernemer voor een optimale toepassing van de BOF goed moet nadenken op welke wijze hij zijn liquide vermogen aanhoudt. Vanzelfsprekend zijn de specialisten van Meijburg & Co u daarbij graag van dienst.

Mirjam Wesselink (wesselink.mirjam@kpmg.com)

Naar boven


12. Verlies op onzakelijke lening niet aftrekbaar: inspecteur hoefde geen onderzoek te doen naar eventuele andere externe financiers

Het verlies op een onzakelijke lening die een aandeelhouder heeft verstrekt aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, is niet aftrekbaar. De inspecteur draagt daarbij de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de lening onzakelijk is. Hof Den Bosch oordeelde onlangs dat als de aandeelhouder zelf al stelt dat is gezocht naar externe financiers maar deze niet zijn gevonden, de inspecteur niet op zoek hoeft te gaan naar eventuele andere externe financiers dan de (aangezochte) banken om te concluderen dat ook die niet bereid waren de geldlening onder deze voorwaarden en tegen een vaste rente te verstrekken.

In het berechte geval was de bv waarin de belanghebbende een aanmerkelijk belang had en waaraan hij een lening had verstrekt, failliet gegaan. Hij wilde het afwaarderingsverlies op de lening als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 in mindering brengen. De inspecteur stond de aftrek echter niet toe, omdat volgens hem sprake was van een onzakelijke lening. Hij stelde dat geen zekerheden waren gesteld, een aflossingsschema ontbrak, externe partijen niet bereid waren te financieren en de bv reeds voor verstrekking van de geldlening in een slechte financiële positie verkeerde. De belanghebbende weersprak dit niet. De inspecteur concludeerde dat de belanghebbende met de geldlening een onzakelijk debiteurenrisico had gelopen en dat risico niet in de hoedanigheid van crediteur maar in die van aandeelhouder had aanvaard.

Te zware bewijslast

De belanghebbende betoogde dat, ook al waren banken niet bereid de geldlening te verstrekken, op de inspecteur de bewijslast rustte om aannemelijk te maken dat ook andere mogelijke externe financiers niet bereid waren de geldlening onder overigens dezelfde voorwaarden maar tegen een vaste rente te verstrekken. Hierin ging het hof echter niet mee. Indien, zoals hier het geval was, de belanghebbende zelf stelt dat is gezocht naar externe financiers maar dat die niet zijn gevonden, kan van de inspecteur niet worden verlangd dat hij nog onderzoek doet naar eventuele andere externe financiers dan de (aangezochte) banken om te concluderen dat ook die externe financiers niet bereid waren de geldlening onder die voorwaarden en tegen een vaste rente te verstrekken. Op die manier wordt op de inspecteur een te zware bewijslast gelegd.

Evenmin was sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat aan de lening geen aandeelhoudersmotieven ten grondslag lagen. Het hof oordeelde dat het een onzakelijke lening betrof en dat het afwaarderingsverlies daarom niet aftrekbaar was.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven


13. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of met een van de onderstaande adviseurs. Uiteraard kunt u ook contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen Meijburg & Co.

 

Olaf Leurs

T: 088 909 34 14

E: leurs.olaf@kpmg.com

 

Han Verhagen

T: 088 909 33 59

E: verhagen.han@kpmg.com

 

Richard Sour

T: 088 909 15 48

E: sour.richard@kpmg.com

Naar boven