Beste lezer,

Dit is het nieuwe nummer van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Ondernemers. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor in Nederland opererende ondernemers. Daarbij zullen wij aandacht schenken aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat de meeste ondernemers in deze nieuwsbrief iets terug zullen vinden dat voor hen van belang is. Mocht u vragen, opmerkingen of verzoeken hebben, dan kunt u die richten aan de adviseur die is vermeld bij het desbetreffende onderwerp of aan een van de adviseurs die aan het slot van de nieuwsbrief zijn vermeld. Wij wensen u veel leesplezier!

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Column: horizontaal toezicht

Het project horizontaal toezicht heeft voor mij vorige maand weer een verrassende wending genomen. Tijdens een bespreking met de Belastingdienst werd gemeld dat hij op dit moment liever heeft dat een bedrijf geen horizontaaltoezichtconvenant aangaat met de Belastingdienst, omdat dit veel meer werk voor hem zou betekenen.

Nou was werkbesparing voor de Belastingdienst een van de drijfveren achter horizontaal toezicht, dus dan is het wel vreemd om te horen dat horizontaal toezicht juist meer werk voor hem met zich brengt. Feitelijk is dit echter wel zeer herkenbaar. De ervaring in de praktijk is dat horizontaal toezicht zowel voor de Belastingdienst als voor het bedrijf meer werk betekent. Voor het bedrijf staat daar tegenover dat er meer in de actualiteit wordt gewerkt en dat de kans op vervelende fiscale verrassingen vrijwel kan worden weggenomen. Dat is voor de Belastingdienst uiteraard ook een voordeel, maar het kost hem blijkbaar erg veel inspanning om dat georganiseerd te krijgen.

Mijn stelling is echter dat dit de omgekeerde wereld is. Het is niet zo dat de Belastingdienst te veel tijd kwijt is aan bedrijven met horizontaal toezicht, hij besteedt alleen veel en veel te weinig tijd aan bedrijven die GEEN horizontaal toezicht hebben. Uiteraard voldoen heel veel bedrijven die geen horizontaal toezicht hebben wel netjes aan hun fiscale verplichtingen. Het is echter zo dat nagenoeg alle bedrijven die het wat minder nauw nemen zich ook in de groep bevinden die geen horizontaal toezicht heeft. En juist die groep zou veel meer aandacht moeten krijgen van de Belastingdienst. Enerzijds omdat daar voor hem wat te halen valt, maar veel belangrijker nog omdat de Belastingdienst daarmee aan al die goedwillende ondernemers laat zien dat valsspelen niet wordt beloond.

Mijn oproep aan de Belastingdienst is dus om nu eindelijk een keer serieus werk te maken van het intensiveren van het toezicht bij die bedrijven die het nodig hebben.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven


2. Verplichte herwaarderingswinst staat niet in de weg aan vormen herinvesteringsreserve

In nummer 21 van Fiscale Zaken gingen wij in op het oordeel van de Hoge Raad dat voor de winstcorrectie op de overdracht van een bedrijfsmiddel uitstel van winstneming kan plaatsvinden via het vormen van een herinvesteringsreserve (hierna: HIR). Onderhavig geval is een variatie op bovenstaand arrest.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld over de vraag of voor de verplichte herwaarderingswinst op een onroerende zaak, als gevolg van een sanctie wegens het verbreken van de fiscale eenheid, winstuitstel kan plaatsvinden door het vormen van een HIR. Deze sanctie treedt in werking wanneer de fiscale eenheid binnen zes jaar na overdracht van een bedrijfsmiddel verbreekt ten aanzien van de overdrager dan wel overnemer.

De casus

Belanghebbende draagt binnen fiscale eenheid een onroerende zaak over aan Y BV. Binnen de fiscale eenheid is deze transactie onzichtbaar en als gevolg daarvan wordt er geen boekwinst geconstateerd. In casu worden de aandelen van Y BV drie jaar na overdracht van de onroerende zaak overgedragen aan een derde. Omdat de sanctie in werking treedt, constateert de fiscale eenheid een verplichte herwaarderingswinst. Belanghebbende wil winstuitstel realiseren door het vormen van een HIR en een jaar later herinvesteren.

Hof: driejaarstermijn voor herinvestering begint bij overdracht binnen fiscale eenheid

Het hof oordeelt dat voor de herwaarderingswinst een HIR kan worden gevormd. Daarvoor moet wel aan de voorwaarden worden voldaan om een HIR te mogen vormen. Dit betekent onder meer dat er ook het voornemen bestaat om binnen drie jaar na vervreemding te herinvesteren.

Het hof licht vervolgens toe wanneer de driejaarstermijn voor de herinvestering gaat lopen. Dit is niet het moment van winstcorrectie, maar het eerdere moment van overdracht binnen fiscale eenheid. In onderhavig geval herinvesteerde belanghebbende dit bedrag pas in het vierde jaar nadat de driejaarstermijn van de HIR was gaan lopen, waardoor de HIR al was vrijgevallen.

Uit dit arrest kan dus worden afgeleid dat het mogelijk is om een HIR te vormen voor de winstcorrectie naar aanleiding van de sanctie wegens het verbreken van de fiscale eenheid. De HIR wordt echter niet gevormd op het moment van de sanctie, maar met terugwerkende kracht vanaf het moment van de interne overdracht. Daarbij moeten de voorwaarden voor het vormen van een HIR in acht worden genomen, waaronder de driejaarstermijn om daadwerkelijk te herinvesteren.

Let wel dat dit een lopende zaak betreft, waarover de Hoge Raad in de toekomst nog zal oordelen.

Naomi Cohen (cohen.naomi@kpmg.com)

Naar boven


3. Geen beperking van renteaftrek voor gefuseerd winningsbedrijf

Om te kunnen boren naar olie of gas in Nederland dient een winningsbedrijf te beschikken over vergunningen afgegeven door de minister van Economische Zaken. Regels omtrent deze vergunning vindt men in de Mijnbouwwet. Zo ook de bepalingen betreffende de winstafhankelijke financiële afdracht, het zogeheten winstaandeel. Voor de heffing hiervan wordt aangesloten bij verschillende bepalingen uit de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Door het speciale karakter van het winstaandeel kan echter discussie ontstaan over de toepassing van deze bepalingen. Dit gebeurde dan ook in onderstaande casus.

Rechtbank Den Haag 29 december 2016

In deze casus verwerft X BV, een winningsbedrijf actief in Nederland, indirect aandelen in Y BV die dezelfde activiteiten uitoefent. De aankoop van de aandelen wordt gefinancierd door een geldlening verkregen van een groepsmaatschappij van X BV. Na het verwerven van het directe belang in Y BV fuseren beide vennootschappen, waardoor het winningsbedrijf van Y BV opgaat in dat van X BV.

Op grond van de Mijnbouwwet geldt als heffingsmaatstaf voor de winningsvergunning een winst-en-verliesrekening die alle aan de vergunning toe te rekenen kosten en opbrengsten van het winningsbedrijf omvat. X BV stelt zich daarom op het standpunt dat de rentekosten voor zover verband houdend met de verwerving van het winningsbedrijf van Y BV vanaf de fusiedatum voor aftrek in aanmerking komen. De Belastingdienst meent echter dat deze rentekosten verband houden met de aanschaf van de deelneming en niet met het winstaandeel. De rentelast kan hierdoor volgens hem niet ten laste van het winstaandeel worden gebracht.

Heretikettering overnameschuld naar ondernemingsvermogen

In de praktijk speelt discussie op dit punt al langer. Hierbij wordt beargumenteerd dat toepassing van de vermogensetikettering ertoe zou moeten leiden dat de schuld (die een zodanig verband houdt met het winstaandeel) op het moment van fusie dient te worden geheretiketteerd tot ondernemingsvermogen. De rechtbank Den Haag deelt deze opvatting en is van oordeel dat de regels van de vermogensetikettering van toepassing zijn bij de vaststelling van het winstaandeel. De rente komt derhalve in aftrek op het winstaandeel.

Voor het Nederlandse winningsbedrijf is deze uitspraak van groot belang, zij het dat hoger beroep is ingesteld. Derhalve is dit nog niet de einduitkomst. Deze uitspraak geldt overigens niet onverkort voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Rente die verband houdt met de financiering van de aankoop van een deelneming is na het ‘wegfuseren’ van die deelneming namelijk slechts aftrekbaar tot het bedrag dat de winst van de schuldenaar zou hebben belopen indien de fusie niet zou hebben plaatsgevonden.

Nick Grieving (grieving.nick@kpmg.com)

Naar boven


4. Eerste Kamer akkoord met uitfasering pensioen in eigen beheer

Het wetsvoorstel Uitfasering pensioen in eigen beheer is op 9 februari 2017 als hamerstuk aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft op 7 maart 2017 ingestemd met het wetsvoorstel en de novelle (het wijzigingsvoorstel). Dit betekent dat de wet in werking treedt per 1 april 2017. De overige fiscale pensioenmaatregelen treden in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.

Geen verdere opbouw meer

Vanaf uiterlijk 1 juli 2017 kan geen pensioen in eigen beheer meer worden opgebouwd. Het verdient aanbeveling om het stopzetten van de verdere opbouw in eigen beheer expliciet schriftelijk vast te leggen, voor zover dit nog niet mocht zijn gebeurd.

Afstempelen

De commerciële waarde van het pensioen kan vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 fiscaal geruisloos worden afgestempeld naar de fiscale waarde, mits dit gebeurt in combinatie met afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting (ODV). Binnen een maand na de afstempeling moet de fiscus worden ingelicht, op straffe van verlies van alle faciliteiten. Dit kan via een formulier dat kan worden gedownload via de website van de Belastingdienst. De (ex-)partner moet meetekenen als bewijs van zijn instemming.

Afkoop

De afkoopmogelijkheid geldt zowel voor ingegane als nog niet ingegane pensioenen. Bij afkoop geldt een korting op de grondslag van 34,5% (in 2017), 25% (in 2018) of 19,5% (in 2019). De grondslag is de fiscale waarde van het pensioen per ultimo van het boekjaar dat eindigt in 2015, dan wel de lagere waarde op afkoopdatum. Bij afkoop in een van deze jaren wordt geen revisierente geheven. De partner moet meetekenen als blijk van het feit dat hij instemt. Dit geldt ook voor een eventuele ex-partner, tenzij conversie heeft plaatsgevonden (de ex-partner heeft dan een eigen recht op pensioen, onafhankelijk van het pensioenrecht van de dga). Bij extern eigen beheer kan een eventuele transitorische actiefpost indexatie ineens ten laste van het resultaat worden gebracht.

Omzetten in een ODV

Bij omzetting in een ODV is verdere opbouw niet mogelijk. De ODV moet jaarlijks wel verplicht wordt verhoogd met het U-rendement, ook in de uitkeringsfase. In principe moeten de uitkeringen gaan lopen vanaf de datum van het bereiken van de AOW-leeftijd; alsdan moet twintig jaar worden uitgekeerd. Maximaal vijf jaar eerder laten ingaan kan ook, maar dan wordt de uitkeringsduur navenant langer. Een eventuele transitorische actiefpost indexatie kan lineair ten laste van het resultaat worden gebracht in even zo veel jaren als het duurt dat de dga de leeftijd van 87 jaar bereikt.

Terughalen naar eigen beheer

Terughalen naar eigen beheer van bij een verzekeringsmaatschappij ondergebracht pensioen is mogelijk tot 1 juli 2017. Het is voldoende als het verzoek tot waardeoverdracht voor 1 juli 2019 bij de verzekeringsmaatschappij is aangekomen; een latere administratieve afwikkeling is niet relevant. Als sprake is van een dekkingspolis (de bv is dan de begunstigde) geldt geen termijn.

Potentieel grote gevolgen

Het wel of niet gebruik maken van de mogelijkheden kan fundamentele gevolgen hebben voor de vermogensverhoudingen tussen de dga en zijn partner, die bovendien doorwerken naar erfgenamen, afhankelijk van hoe en wanneer wordt gecompenseerd. Als niet wordt gecompenseerd, kunnen schenkingsaspecten aan de orde zijn. Dit geldt ook bij meerdere aandeelhouders, aandelen in handen van de kinderen en bij een directiepensioenstichting. De vermogenseffecten en belastingeffecten zijn divers en verschillend bij leven, bij overlijden en bij (toekomstige) scheiding, al naar gelang de feiten en omstandigheden waarin men verkeert. Het maken van een keuze is niet eenvoudig en verdient een zeer zorgvuldige afweging.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


5. Verrekenen van pensioenaanspraak met rekening-courantschuld leidt tot heffing

Het aangaan van een rekening-courantschuld met de eigen bv levert niet zelden problemen op. Dat geldt eens te meer als in die bv een pensioen, lijfrente of loonstamrecht is ondergebracht. Dit wordt treffend geïllustreerd met een tweetal recente uitspraken van Rechtbank Den Haag. De casus lag als volgt. Het ging om een houdstermaatschappij waarbij vanaf 2006 bedragen voor een pensioenvoorziening op de balans waren geboekt. De zaken gingen niet goed en in 2012 ging de werkmaatschappij failliet. In december van datzelfde jaar werd besloten om ook de holding op te doeken. Op dat moment stond een pensioenvoorziening op de balans van € 51.546 en had de bv een vordering op de dga van € 264.020. Bij de liquidatie werd de pensioenaanspraak verrekend met zijn rekening-courantschuld. De Belastingdienst kijkt hier als volgt tegenaan: in feite heeft de dga zijn pensioen al ‘opgegeten’ voor de ingangsdatum. Uiterlijk op het moment dat duidelijk wordt dat het pensioen niet meer zal worden uitgekeerd, wordt het pensioen aangemerkt als afgekocht. De waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak (het bedrag dat op tafel moet worden gelegd om het pensioen onder te brengen bij een verzekeringsmaatschappij) wordt progressief belast. Bovendien wordt tot 20% revisierente geheven, dit nog afgezien van eventuele heffings/belastingrente.

Overkill

De dga probeerde nog onder deze onaangename fiscale gevolgen uit te komen door te stellen dat er geen formele pensioenovereenkomst of pensioenbrief was, dat was afgezien van de pensioenaanspraak en dat daaraan geen financiële transactie ten grondslag lag. Dat mocht hem echter niet baten. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur onder de geschetste omstandigheden de pensioenaanspraak in 2012 terecht had aangemerkt als loon uit vroegere arbeid. Deze rechtsgevolgen doen zich voor bij alle ‘oneigenlijke handelingen’ met pensioen: gehele of gedeeltelijke afkoop, vervreemding, belening, verpanding, prijsgeven van voor verwezenlijking vatbare rechten, onzuiver worden van het pensioen, et cetera et cetera. De overkill in de wetgeving blijkt uit de cijfers: in de jaren 2006 tot en met 2011 zal in totaal € 51.546 ten laste van de winst zijn gebracht (tegen een tarief van pakweg 20 à 25%, voor zover de aftrek al gerealiseerd kon worden in verband met verliezen), geheven werd in totaal 72% over € 80.438 (oftewel € 57.915), dit nog afgezien van belastingrente!

Wetsvoorstel Uitfasering pensioen eigen beheer

Had de dga kunnen wachten met de liquidatie van de holding tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Uitfasering pensioen in eigen beheer, dan was hij er aanzienlijk voordeliger afgekomen: dan zou zijn geheven over 65,5% van de fiscale waarde van het pensioen ad € 51.546, dus over € 33.865, en revisierente zou niet in rekening zijn gebracht. Afkoop, dan wel omzetten in een oudedagsverplichting, is in 2017, 2018 of 2019 een optie die serieus overweging verdient, ook voor de dga met een rekening-courantschuld aan zijn pensioen-bv.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


6. Commissaris en loonbelasting

Fictieve dienstbetrekking commissarissen

Voor 2017 gold op basis van de toenmalige wetgeving dat commissarissen op grond van de wet in fictieve dienstbetrekking stonden tot het lichaam waarop zij toezicht hielden. Dit betekende dat loonheffingen moesten worden ingehouden en afgedragen en dat de werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) was verschuldigd. Indien de commissaris echter over een geldige VAR-wuo (Verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming) of VAR-dga (Verklaring arbeidsrelatie directeur-grootaandeelhouder) beschikte, hoefden geen loonheffingen te worden ingehouden en was geen werkgeversbijdrage Zvw verschuldigd.

Een andere manier om af te zien van het inhouden en afdragen van loonheffingen was via de zogenoemde doorbetaaldloonregeling. Hierbij gaat het om een commissaris die zijn toezichthoudende werkzaamheden bij een lichaam verricht uit hoofde van zijn dienstbetrekking via een zogenoemde commissaris-bv (hoofdwerkgever). Deze toezichthoudende werkzaamheden bij het lichaam moeten dan binnen de taken van de commissaris passen in relatie tot diens commissaris-bv. Als hiervan sprake was, konden de commissaris, de commissaris-bv en het betrokken lichaam gezamenlijk bij de Belastingdienst verzoeken om de inhoudingsplicht te verleggen naar de commissaris-bv.

Voor 1 januari 2017 gold dus het volgende. Indien geen VAR-wuo, VAR-dga of doorbetaaldloonregeling van toepassing was, moesten loonheffingen worden ingehouden en was de werkgeversbijdrage Zvw verschuldigd op grond van de fictieve dienstbetrekking van de commissaris. Voor een commissaris waren geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.

Wet DBA en afschaffing fictieve dienstbetrekking commissarissen

Door de invoering van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) per 1 mei 2016 is de VAR komen te vervallen. Dit had in principe tot gevolg dat op de commissarissenbeloning altijd loonheffingen moesten worden ingehouden en afgedragen.

De staatssecretaris van Financiën heeft echter in een beleidsbesluit goedgekeurd dat de toepassing van de fictieve dienstbetrekking voor de periode van 1 mei 2016 tot 1 januari 2017 achterwege kon blijven. Dit was optioneel en alleen mogelijk indien het betrokken lichaam en de commissaris hierom verzochten. Het gevolg van het opzijzetten van de fictieve dienstbetrekking is dat de commissaris niet meer onder de Wet op de loonbelasting valt en er derhalve geen loonheffingen en werkgeversbijdrage Zvw over de commissarisbeloning verschuldigd zijn. De commissaris is in dat geval zelf inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd. Hij hoeft niet langer in de loonadministratie te worden opgenomen.

Per 1 januari 2017 is de fictieve dienstbetrekking definitief afgeschaft. De commissaris valt dus niet meer onder de Wet op de loonbelasting en is zelf inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd. Hij hoeft niet langer in de loonadministratie te worden opgenomen. Toepassing van de doorbetaaldloonregeling is per 1 januari 2017 niet meer nodig om het gewenste effect te bereiken dat op de commissarisbeloning geen loonheffingen hoeven te worden ingehouden.

Opting-inregeling

Ondanks de definitieve afschaffing van de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen bestaat er voor hen nog wel de mogelijkheid om onder de Wet op de loonbelasting te (blijven) vallen. Door te opteren voor werknemerschap valt een commissaris vrijwillig onder deze wet. De zogenoemde opting-inregeling die uit de wet volgt, houdt in dat een arbeidsverhouding die niet kwalificeert als een ‘echte’ of ‘fictieve’ dienstbetrekking voor fiscale doeleinden toch als dienstbetrekking wordt aangemerkt.

Het gevolg van de opting-inregeling is dat de commissaris als werknemer wordt beschouwd en dat dus in beginsel alle bepalingen van de Wet op de loonbelasting op hem van toepassing zijn. De commissaris dient dan ook weer in de loonadministratie te worden opgenomen.

De opting-inregeling kan wenselijk zijn voor de toepassing van de 30%-regeling. Zonder de toepassing van de opting-inregeling kunnen commissarissen de 30%-regeling namelijk niet meer toepassen. Indien de inkomsten van de commissaris kwalificeren als belastbare winst voor de inkomstenbelasting, kan de opting-inregeling echter niet worden toegepast.

De opting-inregeling kan alleen tot uitvoering komen door middel van een gezamenlijk verzoek van de betreffende commissaris en het betrokken lichaam. Dit verzoek kan worden gedaan via het formulier ‘Verklaring loonheffingen opting-in’ op de website van de Belastingdienst.

Omdat de situatie voor elke (buitenlandse) commissaris anders is, adviseren wij per commissaris te beoordelen of de opting-inregeling voordelig kan zijn.

Inkomstenbelastingverplichting commissaris

Nu er geen loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw meer worden ingehouden, geldt dat de commissaris zijn inkomsten moet verantwoorden in een aangifte inkomstenbelasting.

Commissaris en btw

Voor de btw-plicht ter zake van de commissarisbeloning heeft de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking verder geen gevolgen. Vanaf 1 januari 2013 geldt dat voor elk commissariaat afzonderlijk moet worden getoetst of sprake is van het als ondernemer optreden voor de omzetbelasting.

In de meeste gevallen zal een commissaris als ondernemer voor de omzetbelasting optreden en zal over de commissarisvergoeding dus btw verschuldigd zijn. In bijzondere gevallen kan het zijn dat een commissaris niet kwalificeert als ondernemer voor de btw. Dit zal echter op individuele basis moeten worden beoordeeld.

Wij zijn vanzelfsprekend graag bereid om u te adviseren over de fiscale gevolgen van bovengenoemde wijzigingen voor de commissaris.

Esther Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Naar boven


7. Plaatst de Belastingdienst u in de juiste sector?

Meijburg & Co heeft via een WOB-verzoek (Wet openbaarheid van bestuur) het interne beleid van de Belastingdienst voor de sectorindeling verkregen. Het gaat om een groot aantal pagina’s met gedetailleerde informatie over de sectorindeling. Uit de stukken blijkt dat de sector waarin de Belastingdienst een werkgever indeelt lang niet altijd de meest logische is. Daarnaast blijken voor bepaalde branches de regels voor de sectorindeling de afgelopen jaren te zijn gewijzigd.

Indeling in sectoren

De Belastingdienst deelt alle werkgevers in een bepaalde sector in. In welke sector een werkgever wordt ingedeeld, is afhankelijk van de werkzaamheden die de werkgever verricht. In de praktijk zien wij regelmatig dat de sectorindeling van een werkgever niet (meer) juist is, bijvoorbeeld omdat de activiteiten van een bedrijf in de loop van de tijd zijn gewijzigd.

De stukken die wij hebben verkregen, laten zien dat de sector waarin een werkgever volgens de Belastingdienst moet worden ingedeeld lang niet altijd de meest logische is. Zo valt de verwerking van GFT tot compost volgens de Belastingdienst onder sector 49 (Chemische industrie) en deelt de Belastingdienst een waterstraalbedrijf dat zich bezighoudt met het onder zeer hoge druk ‘schoonspuiten’ van objecten/constructies in bij sector 21 (Havenclassificeerders). Daarnaast blijken de regels voor de sectorindeling voor bepaalde branches de afgelopen jaren te zijn gewijzigd.

Belang voor de praktijk

De sectorindeling is onder andere van belang voor de premie die de werkgever moet storten in het sectorfonds en voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Indeling in een andere sector kan aanzienlijk voordeel opleveren als de sector waarin de werkgever zou moeten worden ingedeeld een lager premiepercentage kent dan de huidige sector waarin de werkgever is ingedeeld. De werkgever kan bij een onjuiste sectorindeling van rechtswege tot vijf jaar terug premies terugvragen. Als de sector waarin de werkgever zou moeten worden ingedeeld daarentegen een hoger premiepercentage kent, kan de Belastingdienst onder voorwaarden tot vijf jaar terug premies naheffen. Het is dus aan te bevelen om periodiek te laten beoordelen of de sectorindeling nog klopt, maar in ieder geval als de werkzaamheden zijn gewijzigd.

Groepsaansluiting

Concerns kunnen onder bepaalde voorwaarden een groepsaansluiting voor de sectorindeling aanvragen bij de Belastingdienst. De werkgevers binnen het concern die tot de groep behoren, worden dan in één sector ingedeeld. In principe is dat die sector waarin het grootste deel van het totale premieloon van de groep valt. Als de werkgevers binnen het concern op grond van een groepsaansluiting kunnen worden ingedeeld in een sector met een lager premiepercentage, dan levert dat een besparing op.

Aard Jan Voortman (voortman.aardjan@kpmg.com)

Naar boven


8. Belastingdienst mag leaserijder niet controleren door middel van snelwegcamera’s

Voor de controle van rittenregistraties in het kader van het privégebruik van de auto van de zaak mag de Belastingdienst geen gebruik maken van gegevens van snelwegcamera’s met nummerplaatherkenning. Door het gebruik van deze beelden vindt inmenging plaats in de persoonlijke levenssfeer van de leaserijder. De Hoge Raad besliste vrijdag 24 februari 2017 dat voor deze inmenging onvoldoende wettelijke grondslag bestaat.

De procedures

De procedures bij de Hoge Raad betreffen drie werknemers met een auto van de zaak. Zij stellen dat het privégebruik van de auto van de zaak onder de 500 kilometer per jaar is gebleven, waardoor geen bijtelling wegens privégebruik verschuldigd zou zijn. De rittenadministraties zijn aan de Belastingdienst overlegd. Die heeft deze rittenadministraties niet geaccepteerd, omdat de auto’s zijn gesignaleerd op locaties die niet overeenkomen met de gegevens in de rittenregistraties. De Belastingdienst heeft dit vastgesteld aan de hand van foto’s die zijn gemaakt door snelwegcamera’s met een automatische nummerplaatherkenning (‘Automatic Number Plate Recognition’, afgekort ANPR).

De uitkomst

De hoofdregel is dat iedereen, behoudens bij de wet te stellen beperkingen, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit betekent dat een inmenging in de persoonlijke levenssfeer moet berusten op een naar behoren bekendgemaakt wettelijk voorschrift.

De Hoge Raad constateert dat door gebruik te maken van snelwegcamera’s met nummerplaatherkenning sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland. Een voldoende precieze wettelijke grondslag die hiervoor is vereist, ontbreekt. Het is niet van belang of de met behulp van snelwegcamera’s vastgelegde gegevens met of zonder tussenkomst van het KLPD (Korps landelijke politiediensten) zijn verkregen.

Belang voor de praktijk

De onderhavige uitspraak is van belang voor werknemers met een auto van de zaak die beschikken over een ‘Verklaring geen privégebruik’ en van wie de rittenregistratie wordt beoordeeld door de Belastingdienst.

De Belastingdienst maakt bij de beoordeling van rittenregistraties gebruik van diverse aan hem ter beschikking staande gegevens. De gegevens die verkregen zijn aan de hand van de automatische nummerplaatherkenning mogen echter niet (meer) worden gebruikt om te beoordelen of een ter beschikking gestelde auto voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

Yvette Timmermans (timmermans.yvette@kpmg.com)

Naar boven


9. Kan bv die overdrachtsbelasting betaalde beroep instellen?

In het belastingrecht kan alleen de belanghebbende bezwaar maken of beroep aantekenen. Dat is een beperkte groep, maar meestal is wel duidelijk wie het betreft: de belastingplichtige aan wie de aanslag wordt opgelegd of degene tot wie een beschikking zich richt. Bij belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen gaat het om degene die de belasting heeft voldaan of van wie de belasting is ingehouden. Onlangs ging het op dat punt voor de overdrachtsbelasting mis in een zaak bij Hof Den Bosch.

Casus

Een bv had een onroerende zaak vrij op naam aan een echtpaar verkocht. Het echtpaar heeft aangifte gedaan van de verkrijging en de bv heeft de verschuldigde belasting betaald. Aangezien de bv het niet eens was met de hoogte van het bedrag aan overdrachtsbelasting, maakte zij bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank. Die verklaarde het beroep gegrond.

Hof: bv heeft niet betaald als belanghebbende

Hof Den Bosch komt helaas voor de bv tot een ander oordeel. Het stelt vast dat degene die hier bezwaar en beroep had kunnen instellen het echtpaar is. Dit is namelijk degene die de belasting verschuldigd is. Het hof beschouwt daarom de betaling door de bv als een betaling namens het echtpaar. Vervolgens constateert het hof dat de bv geen machtiging heeft om namens het echtpaar op te treden. Vervolgens onderzoekt het hof of de bv zelf in bezwaar en beroep kan komen. Dat kan niet, omdat de bv weliswaar de overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan, maar dit niet als belanghebbende deed. Daarom kan de bv niet in bezwaar en beroep komen. Het hof behandelt de zaak derhalve verder niet inhoudelijk.

En nu verder?

Deze uitkomst moet voor de bv een bittere pil zijn geweest. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard, maar dit punt niet verder onderzocht en het hof behandelt de zaak inhoudelijk niet. Deze uitspraak is een voorbeeld van de zelfstandige taak van de belastingrechter op dit punt. Die moet namelijk zelfstandig onderzoeken of het beroep op tijd is ingesteld en of het beroepschrift aan alle wettelijke eisen voldoet. In de praktijk is de bijstand van een specialist op dit gebied onontbeerlijk, want het lijkt erop dat in dit geval een machtiging van het echtpaar de zaak zou hebben kunnen redden.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.com)

Naar boven


10. Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten openbaar gemaakt

De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (BOF) in de Successiewet en de Wet inkomstenbelasting voorzien in een ruime vrijstelling, waardoor minder of geen belasting hoeft te worden betaald als ondernemingsvermogen vererft of wordt geschonken. In de Successiewet betreft het een vrijstelling van ten minste 83%, in de Wet inkomstenbelasting bestaat de faciliteit uit een doorschuifregeling voor de aanmerkelijkbelangclaim. Het financiële belang is dus groot. Nergens is de discussie tussen de Belastingdienst en belanghebbenden over ondernemen versus beleggen dan ook feller dan bij toepassing van de BOF – een discussie die zich met name toespitst op de exploitatie van vastgoed. Is dit ondernemen of beleggen?

Specifiek voor vastgoedexploitatie geldt dat de jurisprudentie zich de laatste tijd in een gunstige richting ontwikkelt als het gaat om het ondernemingskarakter van vastgoedinvesteringen. Zo heeft de Hoge Raad op 15 april 2016 in navolging van Hof Arnhem-Leeuwarden beslist dat in de betreffende situatie de exploitatie van onroerende zaken kan worden aangemerkt als ondernemingsvermogen in de zin van de BOF.

Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten openbaar gemaakt

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft de Belastingdienst een Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten openbaar gemaakt. Deze is gemaakt door een werkgroep van leden van drie kennisgroepen (AB, Successiewet en het Vastgoedkenniscentrum) en wordt door inspecteurs gebruikt bij de beoordeling van de vraag of exploitatie van vastgoed een materiële onderneming oplevert voor de BOF. Uit de praktijkhandreiking blijkt dat de Belastingdienst de volgende uitgangspunten hanteert. Daarbij rust de bewijslast dat sprake is van een materiële onderneming bij belanghebbende.

  1. Het kwalitatief op peil houden van vastgoed tilt een vastgoedexploitant niet uit boven het niveau van normaal vermogensbeheer.
  2. Verhuur van vastgoed vormt nooit een onderneming. De volgende omstandigheden zijn niet relevant, omdat deze normaal zijn bij verhuur van vastgoed:
    - de omvang van de portefeuille;
    - de wijze en omvang van de financiering;
    - de aanwezigheid van een eigen onderhoudsdienst;
    - de knowhow van de eigenaar en werknemers;
    - het aantal werknemers;
    - de tijdsbesteding door erflater/schenker/werknemer en erfgenaam/begiftigde/werknemer;
    - het onderhouden van een relatienetwerk;
    - het aankoop-, verhuur- en verkoopproces;
    - marktonderzoek, selectie panden en huurders, strategiebepaling, bezichtigingen;
    - het sluiten van huurcontracten;
    - het bijhouden van de administratie, waaronder het innen van huren;
    - het behandelen van klachten;
    - het uitbreiden van het aantal verhuurbare meters (als sprake is van ontwikkeling kan er
      tijdens die fase wel een ondernemingsactiviteit zijn).
  3. Services (schoonmaken, aanwezigheid receptie, glazen wassen, beveiliging) bieden naast de kale verhuur van ruimten is nog steeds beleggen. De vraag is hoeveel het rendement verbetert door het aanbieden van het servicepakket.
  4. Actief of passief uitponden is geen onderneming.
  5. Alleen de bestemming van vastgoed wijzigen levert nog geen onderneming op.
  6. Het enkel ‘op papier’ laten splitsen van vastgoed leidt nog niet tot een onderneming.
  7. Grootschalig renoveren of onderhouden is beleggen, omdat dit af en toe moet gebeuren.
  8. Incidenteel een pand bouwen of vernieuwbouwen levert geen onderneming op. In een reeks van jaren nieuwbouwpanden realiseren leidt wel tot een onderneming. Als er wordt ontwikkeld voor de eigen portefeuille eindigt de onderneming nadat de ontwikkeling klaar is en er sprake is van een duurzame verhuur.

De praktijkhandreiking geeft de inspecteurs mee om uiterst terughoudend te zijn in het kwalificeren van vastgoedexploitatie als een onderneming en niet bang te zijn om te procederen. Aan omstandigheden die volgens de praktijkhandreiking niet relevant zouden zijn voor de kwalificatie van vastgoedexploitatie wordt in de jurisprudentie over toepassing van de BOF echter wel gewicht toegekend. Vaak zal dus de gang naar de rechter moeten worden gemaakt om in aanmerking te komen voor de BOF.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven


11. Wetsvoorstel centraal aandeelhoudersregister

Op 19 januari 2017 is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend ter invoering van een centraal aandeelhoudersregister. Het centraal aandeelhoudersregister, afgekort het CAHR, is een register waarin gegevens van aandeelhouders en aandelen worden verzameld en waarin deze kunnen worden geraadpleegd. Hieronder vatten wij kort voor u samen wat het doel van het CAHR is, wie het register gaat beheren, welke gegevens hierin worden opgenomen en door wie het te raadplegen is.

Doel van het CAHR

In het CAHR wordt op digitale wijze centraal en gestructureerd informatie verzameld over aandelen, aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders van besloten en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen. Het CAHR zal beschikbaar zijn voor de Rijksbelastingdienst en andere aangewezen publieke diensten ten behoeve van de uitoefening van hun wettelijke taak. Het CAHR beoogt daarmee bepaalde vormen van (financieel-economische) criminaliteit te bestrijden. Het CAHR komt niet als vervanging van het door de vennootschap zelf bij te houden, voor interne doeleinden bedoelde aandeelhoudersregister, maar staat daarnaast.

Beheerder

Volgens het wetsvoorstel wordt de notaris verplicht tot inschrijving van bepaalde gegevens in het CAHR. De notaris is reeds op grond van bestaande wetgeving verplicht om gepasseerde akten te registreren in het digitale repertorium dat door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB) wordt aangehouden. Daar komt dan nu de inschrijving in het CAHR bij. Ook voor het CAHR wordt voorgesteld dat dit bij de KNB wordt ondergebracht.

De gegevens die worden opgenomen in het CAHR

In het CAHR wordt informatie opgenomen over aandelen en aandeelhouders van besloten en niet-beursgenoteerde naamloze vennootschappen. Dit gebeurt met inachtneming van de wettelijke bepalingen met betrekking tot persoonsbescherming. Het verzamelen, bewaren, bewerken en toegang verlenen tot persoonsgegevens is dan ook alleen toegestaan voor specifieke (overheids)diensten ten behoeve van de uitoefening van een specifieke taak, op basis van daartoe strekkende wettelijke bevoegdheden.

De wet vereist op diverse onderdelen een verplichte tussenkomst van de notaris bij rechtshandelingen met betrekking tot aandelen op naam. Te denken valt aan uitgifte of overdracht van aandelen en het vestigen van een vruchtgebruik of een pandrecht op aandelen op naam. Bij ministeriële regeling nader vast te stellen gegevens in de notariële akten waarbij dergelijke rechtshandelingen worden bewerkstelligd, zullen worden geregistreerd in het CAHR. Daarbij gaat het om de gegevens van de aandeelhouder, maar ook om die van de vruchtgebruikers en pandhouders van aandelen op naam, aangezien hierbij sprake kan zijn van het overgaan van het stemrecht op of de eigendom van de onderliggende aandelen. Het wetsvoorstel kent geen drempels die onderscheiden of een bepaald gehouden belang wel of niet voor registratie in aanmerking komt. Alle aandelenbelangen van kwalificerende besloten en naamloze vennootschappen zullen worden vermeld in het CAHR.

De tussenkomst van de notaris is niet verplicht bij bijvoorbeeld de uitgifte of levering van aandelen die niet op naam zijn gesteld maar aan toonder luiden. Gegevens met betrekking tot dergelijke aandelen zullen dan ook niet worden opgenomen in het CAHR. Er is tevens geen verplichte tussenkomst van de notaris bij de uitgifte van certificaten van aandelen. Daarom hoeven gegevens van certificaathouders ook niet in het CAHR te worden opgenomen.

Het valt niet uit te sluiten dat de reikwijdte van de in het CAHR op te nemen gegevens wordt uitgebreid. Het wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid om dit bij ministeriële regeling uit te breiden.

Raadplegen

De doelstelling van het wetsvoorstel, de bestrijding van criminaliteit, brengt met zich dat het CAHR een besloten karakter krijgt en vanwege de privacy van betrokken aandeelhouders niet openbaar zal zijn.

De gegevens in het CAHR kunnen worden geraadpleegd door de Belastingdienst en door notarissen. Daarnaast krijgen andere, bij ministeriële regeling verder uit te werken publieke diensten en (andere) Wwft-instellingen (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme; ten behoeve van de uitvoering van het wettelijk verplichte cliëntenonderzoek) toegang tot het CAHR. Ook aandeelhouders kunnen, op verzoek, informatie ontvangen over de gegevens die over hen in het CAHR zijn opgenomen. Dit geldt tevens voor vruchtgebruikers en pandhouders.

Het wetsvoorstel voorziet erin dat personen en organisaties die toegang krijgen tot het CAHR onderworpen zijn aan een geheimhoudingsplicht om zo de privacy van betrokkenen te waarborgen.

UBO-register

Het CAHR bestaat naast het zogenoemde UBO-register. Het CAHR bevat alleen gegevens van directe aandeelhouders van kwalificerende rechtspersonen en is slechts voor een beperkte groep beschikbaar. De betrokken ministeries hebben aangegeven van het UBO-register een openbaar register te willen maken. De aangekondigde conceptwetgeving die de instelling van het UBO-register faciliteert, is nog niet gepubliceerd.

Zoals vermeld betreft bovenstaande een wetsvoorstel. Vanzelfsprekend volgen wij de wetgevende processen op de voet en zullen wij u informeren over de vorderingen hieromtrent. Mocht u vragen hebben over het wetsvoorstel, neemt u dan contact op met Meijburg & Co en Meijburg Legal.

Marieke Enneman (enneman.marieke@meijburglegal.com)

Freerk Volders (volders.freerk@meijburglegal.com)

Naar boven


12. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of met een van de onderstaande adviseurs. Uiteraard kunt u ook contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen Meijburg & Co.

 

Olaf Leurs

T: 088 909 34 14

E: leurs.olaf@kpmg.com

 

Han Verhagen

T: 088 909 33 59

E: verhagen.han@kpmg.com

 

Richard Sour

T: 088 909 15 48

E: sour.richard@kpmg.com

Naar boven