Beste lezer,

Dit is het nieuwe nummer van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Ondernemers. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor in Nederland opererende ondernemers. Daarbij zullen wij aandacht schenken aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat de meeste ondernemers in deze nieuwsbrief iets terug zullen vinden dat voor hen van belang is. Mocht u vragen, opmerkingen of verzoeken hebben, dan kunt u die richten aan de adviseur die is vermeld bij het desbetreffende onderwerp of aan een van de adviseurs die aan het slot van de nieuwsbrief zijn vermeld. Wij wensen u veel leesplezier!

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Column: rekening-courant

De afgelopen weken ben ik een aantal keren aangesproken op de uitspraken van een belastingadviseur* die ‘dé oplossing’ had voor het fiscaal vriendelijk opruimen van een opgelopen rekening-courantverhouding met de eigen bv. Ik heb het fragment teruggekeken op YouTube en de belastingadviseur verkondigde bij een tv-programma dat de stelling zou kunnen worden ingenomen dat voor alle jaren waarin een definitieve aanslag was opgelegd, de rekening-couranttoename in dat jaar eigenlijk een onzakelijke lening en daarmee een schijnlening zou zijn. Het gevolg zou zijn dat er dus in dat jaar al een dividenduitkering had plaatsgevonden. Daardoor zou je in het huidige jaar die rekening-courant kunnen wegboeken zonder fiscale gevolgen en, omdat de Belastingdienst over het oude jaar geen ‘nieuw feit’ heeft, zou er ook niet kunnen worden nagevorderd.

Tot zover de sprookjes… nu de realiteit.

Een rekening-courantschuld met de bv kan op twee manieren verdwijnen. Manier 1 is aflossen en manier 2 is de vordering als dividend in natura uitkeren. Als aflossen mogelijk is vanuit bestaande middelen, is er eigenlijk geen probleem –die laat ik dus even voor wat het is. Als aflossen niet meer mogelijk is, staat alleen de weg naar dividend open. Een rekening-courantschuld van € 120.000 gladstrijken middels een dividenduitkering kost € 40.000 aan dividend- en inkomstenbelasting.

De ‘oplossing’ die wordt gesuggereerd is dat de stelling wordt ingenomen dat de rekening-couranttoename in alle jaren die al definitief geregeld zijn, kan worden gekwalificeerd als een onzakelijke lening. Hierbij zou het voldoende zijn als de directeur-grootaandeelhouder door een bank zou laten verklaren dat de bank geen financiering heeft willen verstrekken. Een onzakelijke lening zou een schijnlening zijn.

Dat is een grote stap, die de Hoge Raad zeker niet heeft gezet. Sterker nog, de Hoge Raad is expliciet geweest in zijn arresten dat een onzakelijke lening nog steeds een lening is en geen kapitaal. Het kwalificeren van een lening als een onzakelijke lening heeft tot gevolg dat de schuldeiser (in ons geval de bv) geen verlies kan nemen op de vordering, maar heeft niet tot gevolg dat de lening als dividenduitkering moet worden aangemerkt.

Om een lening te kunnen herkwalificeren als kapitaal moet sprake zijn van een schijnlening. In dit geval is een schijnlening een dividenduitkering die wordt verpakt als rekening-courantlening. Partijen zouden dan nooit hebben bedoeld een lening aan te gaan, maar altijd hebben bedoeld dividend uit te keren. Dat is op zich niet ondenkbaar, maar de bewijslast is wat netelig. Er is namelijk een jaarrekening van de bv gemaakt waar een vordering op de aandeelhouder in staat. Ook is er een aangifte vennootschapsbelasting gemaakt waar die vordering in staat en waarschijnlijk is er tevens een rentebate aangegeven. De aangifte inkomstenbelasting vermeldt een schuld aan de bv en de vermeende dividenduitkering is dus niet in box 2 aangegeven. Tot slot is niet voldaan aan de verplichting om binnen een maand dividendbelasting af te dragen.

Ik tel dus één foute jaarrekening, twee foute aangiftes en het verzuim om een aangifte dividendbelasting te doen. En dat zou allemaal niet door de fiscus gecorrigeerd kunnen worden, omdat er geen nieuw feit zou zijn. Ik ben ervan overtuigd dat de Belastingdienst in 99,99% van de gevallen met succes zal kunnen stellen dat er wel een nieuw feit is. Dat nieuwe feit is namelijk dat de belastingplichtige nu aangeeft dat hij in het verleden met opzet onjuiste jaarrekeningen en aangiftes heeft ingediend. Dat nieuwe feit geeft de fiscus de mogelijkheid om te gaan navorderen en omdat dit alles blijkbaar met opzet is gebeurd, ook om boetes op te leggen. Het lijkt me dus heel gevaarlijk om te gaan stellen dat je een x-aantal jaar met opzet onjuiste jaarrekeningen en aangiftes hebt gemaakt.

Wat is dan de oplossing, hoor ik u denken. Die is niet pijnloos helaas. Als een directeur-grootaandeelhouder een aantal jaren van de bv heeft geleend, dan moeten die leningen worden afgelost. Als dat niet meer kan, is het risico groot dat de Belastingdienst op enig moment zal stellen dat er een uitdeling heeft plaatsgevonden waar belasting over moet worden betaald. In de praktijk maken we dan nog wel afspraken over een aflossingsschema, waarmee de pijn kan worden uitgesmeerd over een aantal jaren – zeg maar een betalingsregeling met de eigen bv. Als dat ook niet haalbaar is, kan nog een betalingsregeling met de Belastingdienst worden overeengekomen. Feit is dat de bv en de aandeelhouder er samen voor moeten waken dat zij een rekening-courantverhouding niet zo ver laten oplopen dat een afwikkeling niet meer mogelijk is.

(*) ‘Belastingadviseur’ is een niet-beschermde titel. Het staat iedereen vrij om zichzelf belastingadviseur te noemen, daar hoef je geen kennis van belastingen voor te hebben. De betreffende adviseur is geen lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven


2. De energie-investeringsaftrek: 58% extra belastingvoordeel!

Een belastingplichtige die investeert in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie kan onder bepaalde voorwaarden gebruikmaken van een extra aftrek in de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting bovenop de reguliere afschrijving. Deze fiscale faciliteit heet de energie-investeringsaftrek (hierna: EIA). Om in aanmerking te komen voor de EIA moet (een onderdeel van) een bedrijfsmiddel zijn opgenomen op de energielijst van het betreffende jaar en daarmee voldoen aan bepaalde energieprestatie-eisen. Het kan zowel gaan om een specifiek omschreven bedrijfsmiddel als om een generiek proces.

De voorwaarden voor de EIA in hoofdlijnen

In 2016 kan op basis van de EIA 58% van het investeringsbedrag extra in aftrek worden gebracht mits de belastingplichtige onder meer voldoet aan de volgende eisen:

  • De belastingplichtige investeert in de aanschaf of voortbrenging van een nog niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel dat is opgenomen op de Energielijst 2016.
  • De investering is tijdig aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) en de RVO heeft een goedkeurend advies afgegeven.
  • De energie-investering bedraagt per bedrijfsmiddel meer dan € 2.500.
  • Er is geen sprake van een uitgesloten bedrijfsmiddel of uitgesloten verplichting (bedrijfsmiddelen met een woonfunctie zijn bijvoorbeeld uitgesloten).
  • Het bedrijfsmiddel is niet verkregen van een verbonden partij (in dat geval gelden aanvullende regels).

Belastingvoordeel van maximaal € 17,4 miljoen per belastingplichtige per kalenderjaar

Het totaalbedrag aan kwalificerende energie-investeringen dat in het kalenderjaar 2016 in aanmerking komt voor de EIA bedraagt maximaal € 120 miljoen per belastingplichtige. De EIA leidt zo in 2016 tot een maximale extra aftrek van € 69.600.000. Het potentiële cash belastingvoordeel bedraagt op basis van het reguliere 25%-vennootschapsbelastingtarief € 17.400.000 (14,5%).

Let op de aanmeldingstermijn van drie maanden

De investering moet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen of het maken van de voortbrengingskosten digitaal worden aangemeld bij de RVO. Na de aanmelding bekijkt de RVO in hoeverre de investering technisch kwalificeert en stelt hierover mogelijk nadere vragen. Bij een kwalificerende investering wordt een goedkeurende verklaring afgegeven waarop het bedrag is vermeld dat mogelijk voor de EIA in aanmerking komt. Dit bedrag kan de belastingplichtige vervolgens verwerken in de belastingaangifte, zodat de aftrek kan worden geëffectueerd. De belastinginspecteur beoordeelt vervolgens of aan alle fiscale voorwaarden is voldaan en of de EIA daadwerkelijk mag worden toegepast.

Desinvesteren? Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling

Indien het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden wordt vervreemd, moet een desinvesteringsbijtelling in aanmerking worden genomen. Er bestaan aanvullende regels over wat als vervreemding moet worden aangemerkt.

Bijzondere regels bij een fiscale eenheid

Als hoofdregel geldt dat de EIA bij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting moet worden aangevraagd door de moeder van de fiscale eenheid. Bij (ont)voegingen gedurende het kalenderjaar geldt een aantal toezeggingen om belastingplichtigen tegemoet te komen.

De EIA is budgetgebonden

De regels over de EIA sluiten aan bij kalenderjaren. Het moment van aangaan van de investeringsverplichting is bepalend voor het aanvraagmoment. De reden hiervoor is dat de EIA een budgetgebonden faciliteit is. Door middel van de aanmelding wordt het budget in de gaten gehouden en bij een op handen zijnde overschrijding van het budget zou de faciliteit tijdelijk kunnen worden gesloten. Als alternatief kan het budget van eerdere of komende jaren worden aangesproken. Voor 2016 geldt voor de EIA een maximumbudget van € 161 miljoen.

Ingebruikname

Er gelden afwijkende regels als een kwalificerend bedrijfsmiddel in het jaar van aanmelding nog niet in gebruik is genomen. Het moment van betalen is in die situatie relevant voor het jaar waarin de aftrek kan worden geëffectueerd. De regels van het jaar waarin de verplichting is aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt, blijven echter wel van toepassing.

Samenloop met andere regelingen

Er zijn specifieke regels die voorkomen dat samenloop ontstaat met onder meer de milieu-investeringsaftrek (MIA) en subsidies zoals de SDE+-regeling (Stimulering Duurzame Energieproductie). Gelijktijdig gebruik van de EIA en de vrije afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) is onder omstandigheden wel mogelijk. Investeringen in 2016 die in aanmerking komen voor de MIA en/of VAMIL zijn opgenomen in de Milieulijst 2016. De MIA leidt tot een extra aftrek van 13,5%, 27% of 36% van het investeringsbedrag, afhankelijk van de categorie van het bedrijfsmiddel.

Hoe kan Meijburg & Co u van dienst zijn?

Meijburg & Co is u graag van dienst bij het optimaal gebruikmaken van de fiscale aftrekmogelijkheden. Indien u vragen hebt over de energie-investeringsaftrek, kunt u contact opnemen met uw reguliere adviseur bij Meijburg & Co of met de adviseur bij dit bericht.

Sandra Kortekaas (kortekaas.sandra@kpmg.com)

Naar boven


3. Recht op energie-investeringsaftrek na overname bedrijfsmiddel van verbonden lichaam

Het gerechtshof Den Haag oordeelde op 19 januari 2016 dat belanghebbende recht had op de energie-investeringsaftrek (EIA) ter zake van een bedrijfsmiddel, ondanks dat dit was overgenomen van een verbonden lichaam. Tot 30 september 2009 behoorde belanghebbende tot een fiscale eenheid. De moedermaatschappij had in 2008 geïnvesteerd in een warmte-krachtkoppelingsinstallatie (WKK). De WKK werd in juni 2009 afgeleverd en was in september 2009 klaar voor ingebruikname. Na ontvoeging uit de fiscale eenheid nam belanghebbende alle rechten en verplichtingen over met betrekking tot de WKK en claimde hierover de EIA. De WKK werd feitelijk in gebruik genomen op 2 oktober 2009.

EIA

De EIA wordt geregeld in de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor het huidige jaar (2016) geldt een aftrekpercentage van 58% op een investering in kwalificerende bedrijfsmiddelen opgenomen in de Energielijst 2016; in 2009 was dit 44%. Om aanspraak op de EIA te kunnen maken, moet de investeringsverplichting binnen drie maanden worden aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 komen verplichtingen aangegaan tegenover verbonden lichamen niet in aanmerking voor de EIA. De minister van Financiën verleent in bepaalde gevallen echter ontheffing voor verplichtingen tussen gelieerde partijen. Deze zijn opgenomen in het besluit van 17 maart 2014.

Het besluit

Kort samengevat kan een beroep op het besluit worden gedaan ingeval sprake is van een reële investering. Als verplichtingen voor de verwerving van een bedrijfsmiddel bij een gelieerde vennootschap zijn aangegaan, is hiervan sprake als het bedrijfsmiddel binnen de gelieerde verhouding niet eerder als zodanig is gekwalificeerd.

Rechtbank Den Haag oordeelt in de onderhavige casus dat geen sprake is van een reële investering, omdat al van tevoren vaststond dat de WKK binnen gelieerde verhoudingen (bij de moedermaatschappij) een bedrijfsmiddel was.

Hoger beroep

Net als de rechtbank oordeelt het gerechtshof dat in deze casus reeds sprake was van een bedrijfsmiddel bij de moedermaatschappij. Verder oordeelt het gerechtshof dat de onderhavige situatie niet verschilt van een zakelijke sale-and-lease-backconstructie, omdat de transactie plaatsvindt onder zakelijke voorwaarden. Niet in geschil is dat sprake is van een bonafide situatie. Verder is binnen het concern nog niet eerder recht op de EIA ter zake van het bedrijfsmiddel geclaimd. Volgens het gerechtshof heeft de besluitgever deze situatie niet voorzien. Een redelijke rechtstoepassing brengt dan met zich dat belanghebbende in de onderhavige casus recht heeft op de EIA.

Opmerkelijk

Bij het schrijven van dit artikel was de cassatietermijn nog niet verstreken. Omdat het vaste jurisprudentie is dat een goedkeuring niet ruimer hoeft te worden uitgelegd dan waarvoor deze is geschreven, ligt cassatie wel in de lijn der verwachting. Ook lijkt deze casus op een situatie waar men simpelweg vergeten is om tijdig de EIA aan te vragen en dat op een gekunstelde manier goed probeert te maken. Of een uitspraak van de Hoge Raad dezelfde uitkomst heeft, valt dus te betwijfelen.

Niels Boekestijn (boekestijn.niels@kpmg.com)

Naar boven


4. Geen onzakelijke lening wegens ontbreken gelieerdheid

De onzakelijke lening is een ‘hot topic’ in de fiscaliteit. Er is – en wordt – veel geprocedeerd over de onzakelijke lening. Het draait in deze procedures om de kernvraag of een afwaardering van een lening ten laste van de fiscale winst kan worden gebracht. Is sprake van een onzakelijke lening, dan is dit namelijk niet mogelijk.

Kern van de onzakelijke lening

In het kader van deze bijdrage gaat het te ver om alle kenmerken van een onzakelijke lening te behandelen. In de kern komt het erop neer dat sprake is van een onzakelijke lening als de debiteur een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde onder dezelfde omstandigheden niet zou hebben aanvaard.

Uit de jurisprudentie blijkt tevens dat het risico aanvaard moet zijn met het oogmerk een gelieerde partij te bevoordelen. Meest voor de hand liggende voorbeelden van gelieerde partijen zijn:

  • een (directe of indirecte) moedermaatschappij;
  • een (directe of indirecte) dochtermaatschappij.

Er kan echter ook sprake zijn van gelieerdheid indien de debiteur en crediteur met elkaar verbonden zijn omdat zij een gezamenlijk belang in een entiteit hebben. Tevens kan gelieerdheid zich voordoen op grond van persoonlijke betrekkingen.

Correcties door de fiscus

De discussie of de debiteur een onzakelijk debiteurenrisico heeft genomen is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Het wekt dan ook geen verbazing dat hierover veel wordt geprocedeerd. Het feit dat een gelieerde partij in de praktijk veelal niet exact hetzelfde zal handelen als een derde partij (bijvoorbeeld een bank) geeft de inspecteur veel ruimte om een afwaardering op een lening aan een gelieerde partij ter discussie te stellen. De correcties zijn dan ook talrijk.

Hoge Raad 18 december 2015

In een zaak die voorlag bij de Hoge Raad draaide de discussie om de vraag of sprake was van gelieerdheid. De feiten in dezen kunnen als volgt worden samengevat.

A BV hield 100% van de aandelen in B BV. Zij vormden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Eind 2007 is B BV een samenwerking aangegaan met D SA en E, een natuurlijk persoon. Het doel van de samenwerking was het aankopen van een satellietcommunicatiesysteem in Guinee. B BV zou de apparatuur verzorgen, E de financiering en D SA zou alles lokaal in Guinee regelen. De bedoeling was dat de samenwerking uiteindelijk zou worden vormgegeven door het oprichten van een vennootschap waarin B BV, D SA en E ieder voor een derde aandelen zouden gaan houden. Deze vennootschap zou een vennootschap in Guinee oprichten, waarin het project zou worden ondergebracht.

Het project is uiteindelijk niet tot stand gekomen. De samenwerking werd beëindigd en tussen B BV en E werd overeengekomen dat B BV de door E verstrekte lening niet terug hoefde te betalen. B BV liet de schuld aan E daarop vrijvallen in het resultaat. Anders dan in de meeste procedures was de discussie hier niet of de afwaardering bij E aftrekbaar was, maar of de vrijval bij B BV belast was. De inspecteur heeft deze vrijval belast. B BV stelde echter dat sprake was van een onzakelijke lening, waardoor de vrijval zich in de onbelaste kapitaalsfeer zou afspelen.

De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat een onzakelijke lening zich hier niet voordeed, omdat geen sprake was van gelieerdheid tussen E en B BV. Er was geen gelieerdheid door een aandeelhoudersband of door een gezamenlijk belang in een entiteit. Tevens is niet gebleken dat sprake was van gelieerdheid op grond van persoonlijke betrekkingen.

De conclusie die uit dit arrest kan worden getrokken is dat er feitelijk sprake moet zijn van gelieerdheid. Het samen opzetten van een project is niet voldoende om gelieerdheid te constateren. Ook de intentie om gezamenlijk een entiteit op te richten maakt niet dat sprake is van gelieerdheid.

Conclusie

Indien sprake is van een onzakelijke lening, is een afwaardering van de vordering bij de debiteur niet aftrekbaar en een vrijval bij de schuldenaar bij uiteindelijke kwijtschelding niet belast. Een afwaardering van een lening aan een gelieerde partij zal in de praktijk snel door de fiscus ter discussie worden gesteld. Het is dan ook raadzaam om de leningen aan gelieerde partijen te (laten) beoordelen op zakelijkheid. Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat alleen een samenwerking tussen derde partijen die het voornemen hebben samen een entiteit op te richten, niet leidt tot gelieerdheid. In dat geval kan dan ook geen sprake zijn van een onzakelijke lening tussen partijen.

Sander Kolthoff (kolthoff.sander@kpmg.com)

Naar boven


5. Kamerbrief over de contouren van het UBO-register

Minister Dijsselbloem van Financiën heeft de Tweede Kamer, mede namens de ministers van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken, op 10 februari 2016 een brief gestuurd over het te implementeren UBO-register. Op grond van de Vierde Europese Antiwitwasrichtlijn dient Nederland dit register uiterlijk op 26 juni 2017 gereed te hebben.

Personen die als UBO kwalificeren

Een UBO (‘ultimate beneficial owner’ of uiteindelijk belanghebbende) is een natuurlijke persoon die formele of feitelijke zeggenschap over een entiteit heeft. Indicaties voor deze zeggenschap zijn een bepaald percentage van eigendom, aandelen en/of stemrechten, maar bijvoorbeeld ook het recht om bestuurders te ontslaan. De minister geeft in zijn Kamerbrief aan dat een belang van meer dan 25% in beginsel tot kwalificatie als UBO leidt. Indien niet kan worden vastgesteld dat een entiteit een UBO heeft, kan als uiterste optie een natuurlijke persoon behorend tot het hogere leidinggevend personeel van een entiteit als UBO worden aangemerkt.

Entiteiten waarvan de UBO’s worden geregistreerd

In de Kamerbrief geeft de minister aan dat het Nederlandse UBO-register zo veel mogelijk zal aansluiten bij de entiteiten genoemd in de Handelsregisterwet 2007. Entiteiten die zich op grond van deze wet in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dienen te registreren, moeten naar verwachting ook hun UBO registreren in het UBO-register. Hiertoe behoren nadrukkelijk ook entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en entiteiten opgericht naar buitenlands recht.

Toegang tot het UBO-register

De minister maakt in de Kamerbrief bekend dat het Nederlandse UBO-register in beginsel een openbaar register zal zijn. Het is dus voor iedereen toegankelijk. Wel worden de volgende privacywaarborgen geïmplementeerd:

  • Iedere gebruiker van het register zal worden geregistreerd.
  • Er zal een vergoeding worden gevraagd voor inzage.
  • Gebruikers anders dan specifiek aangewezen autoriteiten krijgen inzage in een beperkte set gegevens over de UBO.
  • Bij een risico op bijvoorbeeld kidnapping, chantage, geweld of intimidatie wordt steeds per individueel geval een beoordeling gemaakt van de risico’s en wordt bezien of bepaalde informatie kan worden afgeschermd.

De beperkte set gegevens waartoe gebruikers (anders dan specifiek aangewezen autoriteiten) in ieder geval toegang krijgen zijn naam, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het economische belang van de UBO. Naast deze onbeperkt toegankelijke gegevens dienen ook de geboortedag, -plaats en het -land, het adres, het BSN (of buitenlands fiscaal identificatienummer), gegevens van het identiteitsbewijs en documentatie met betrekking tot het belang van de UBO in het register te worden opgenomen. Deze laatste gegevens zijn slechts toegankelijk voor de aangewezen autoriteiten.

 

Aanlevering van informatie aan het UBO-register

In beginsel hebben de entiteiten die in het UBO-register worden geregistreerd de verantwoordelijkheid om de benodigde gegevens aan het register aan te leveren. UBO’s zijn verplicht om hieraan mee te werken. Daarnaast hebben meldingsplichtige instellingen de plicht om de beheerder van het register te informeren indien zij ‘verschillen’ ontdekken tussen de aan hen bekende informatie en de informatie in het register. Ten slotte kunnen ook bepaalde autoriteiten gegevens aan het register doorgeven.

De Kamer van Koophandel heeft aangegeven de verantwoordelijkheid te willen nemen voor het beheer van het UBO-register.

Vervolg

Het UBO-register lijkt een breed toepassingsbereik te krijgen in Nederland. Binnen de kaders van deze nieuwe regeling denken wij graag met u mee over mogelijkheden om uw privacy zo veel mogelijk te beschermen. U kunt daartoe contact opnemen met uw reguliere adviseur bij Meijburg & Co of met of met de adviseurs bij dit bericht.

Xavier Auerbach (auerbach.xavier@kpmg.com)

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Maarten Merkus (merkus.maarten@kpmg.com)

Naar boven


6. Elektronisch deponeren jaarrekening bij Kamer van Koophandel verplicht vanaf 2016

Vanaf boekjaar 2016 kunnen rechtspersonen in de bedrijfsklassen ‘micro’ en ‘klein’ hun jaarrekening alleen nog elektronisch bij de Kamer van Koophandel deponeren. Voor grotere rechtspersonen wordt dit verplicht in 2017 (‘middelgroot’) en 2019 (‘groot’). De Eerste Kamer heeft daartoe op 8 december 2015 de wettelijke grondslag gecreëerd door het wetsvoorstel Elektronisch deponeren van bescheiden in het Handelsregister te aanvaarden.

Het elektronisch deponeren kan op twee manieren: met SBR-software (‘Standard Business Reporting’) of via de online service ‘Zelf deponeren jaarrekening’. Zie voor meer informatie ook het bericht op de website van de Kamer van Koophandel.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven


7. Overname cliëntenbestand is overname onderneming waarover geen btw is verschuldigd

Goederen die door een ondernemer worden geleverd zijn in beginsel belastbaar voor de btw. Zonder verdere uitzonderingsregeling zou dit ook gelden voor een overdracht van (een gedeelte van) een onderneming en zou ter zake van een dergelijke overdracht 21% btw zijn verschuldigd. Hierdoor zou de overnemer van (het gedeelte van) de onderneming de btw moeten gaan voorfinancieren en daarmee mogelijk tegen een buitensporige financiële druk aanlopen. Ter voorkoming van dit cashflownadeel is een regeling in de Europese en nationale btw-wetgeving opgenomen die het mogelijk maakt om een overgang van (een gedeelte van) een onderneming, ook wel overgang van een algemeenheid van goederen genoemd, ‘geruisloos’ te laten plaatsvinden. Is sprake van een overgang van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen betaling, dan wordt geacht dat geen belastbare levering of dienst plaatsvindt. Ter zake van een dergelijke overdracht is derhalve geen btw verschuldigd.

Begrip ‘algemeenheid van goederen’

Voor het toepassen van bovengenoemde regeling dient te worden beoordeeld of sprake is van een ‘overgang van algemeenheid van goederen’. Dit begrip is helaas niet verder toegelicht in de wet, waardoor de invulling volledig afhankelijk is van rechtspraak. In 2003 en 2011 heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat doorslaggevend is dat met de overgedragen onderdelen zelfstandig een onderneming kan worden uitgeoefend. Tevens moet de overnemer de bedoeling hebben om de exploitatie van de overgedragen onderdelen voort te zetten, het zogenoemde continuïteitsvereiste.

Cliëntenbestand voldoende?

Wanneer overgedragen onderdelen precies als een zelfstandig voort te zetten onderneming kwalificeren, bleef onduidelijk. Vooral de vraag of bijvoorbeeld de overdracht van een cliëntenbestand als zodanig kan kwalificeren, werd niet beantwoord. De staatssecretaris van Financiën gaf in een oud (vervallen) besluit aan dat de overdracht van een medisch patiëntenbestand niet voldoende is om te kwalificeren als een zelfstandige onderneming. Een recente uitspraak van Hof Den Bosch biedt nu echter meer handvatten. Het hof heeft hierin bepaald dat de overdracht van een cliëntenbestand ook voldoende kan zijn om te kwalificeren als een zelfstandige onderneming. Belangrijk is daarbij wel dat het cliëntenbestand, tezamen met overige gegevens (zoals administratieve gegevens van leveranciers en/of cliënten), op een adequate wijze en in samenhang worden gebruikt om de onderneming voort te zetten. Afhankelijk van de aard van de onderneming kan de overdracht van een cliëntenbestand wel degelijk als zelfstandige onderneming kwalificeren en derhalve zonder heffing van btw plaatsvinden.

Marilou de Kok (dekok.marilou@kpmg.com)

Karim Hommen (hommen.karim@kpmg.com)

Naar boven


8. Informatiebeschikkingen in de praktijk

De informatiebeschikking is in juli 2016 vijf jaar oud. De regeling van de informatiebeschikking is vrij ingewikkeld en kent een aantal onduidelijkheden en knelpunten. In de rechtspraak is onlangs een aantal van die punten aan de orde gekomen.

Informatiebeschikking

Belastingplichtigen zijn verplicht de inspecteur desgevraagd informatie te verschaffen over feiten die van belang kunnen zijn voor hun belastingheffing. Wanneer een discussie ontstaat over de vraag of bepaalde stukken moeten worden overgelegd, kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven. Doet hij dat niet, dan kan de belastingplichtige later niet meer worden verweten dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen. De sanctie op het niet nakomen van dergelijke verplichtingen kan zijn dat de bewijslast wordt verzwaard en omgekeerd. Een belastingplichtige kan daarmee in een lastige bewijspositie komen, omdat hij dan moet bewijzen dat een aanslag te hoog is.

De belastingplichtige kan tegen een informatiebeschikking bezwaar maken en de discussie aan een rechter voorleggen. Naast een beschikking over te verstrekken inlichtingen kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven als de administratie van de belastingplichtige niet op orde is of als deze niet op de juiste wijze is bewaard.

Recente ontwikkelingen

In de rechtspraak is duidelijk gemaakt dat de hierboven genoemde verzwaring en omkering van de bewijslast alleen nog aan de orde kan komen wanneer er een onherroepelijke informatiebeschikking ligt of wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit betekent dat indien de inspecteur ervoor kiest vragen te stellen maar geen beschikking afgeeft, omkering niet meer bij een discussie over de aanslag aan de orde kan komen. Bij een onherroepelijk geworden informatiebeschikking waarin inlichtingen worden gevraagd, kan de informatie vaak nog binnen de gegeven termijn worden verstrekt. Dan is al wel vastgesteld dat de informatie moet worden afgegeven. Wanneer een informatiebeschikking die ziet op de administratie onherroepelijk wordt, valt er meestal niet veel meer te repareren. De administratie kan namelijk niet achteraf in orde worden gemaakt.

Een informatiebeschikking kan verder op meerdere belastingjaren en belastingmiddelen zien. Een gedeeltelijke vernietiging van die beschikking is mogelijk wanneer er bijvoorbeeld een belasting bij staat die niet van toepassing is of wanneer een of meerdere jaren vervallen. De informatiebeschikking vervalt in een dergelijke situatie dus niet in zijn geheel.

Het is nu ook duidelijk dat een informatiebeschikking nog kan worden genomen in de bezwaarfase tegen een aanslag. Als de inspecteur de discussie rond die beschikking niet afwacht en vast uitspraak op bezwaar tegen de aanslag doet, dan vervalt de beschikking. Dat geldt ook als de discussie in bezwaar op een heel ander punt zag dan waar de informatiebeschikking op ziet.

De Belastingdienst moet tot slot wel een redelijk vermoeden hebben dat sprake kan zijn van belastingplicht om aan een belastingplichtige informatie te vragen, maar veel meer dan dat is voor een informatiebeschikking niet nodig.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.com)

Naar boven


9. Hoge Raad: terugwerkende kracht crisisheffing gerechtvaardigd

Onlangs heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de crisisheffing 2013 en 2014. Dit arrest is de uitkomst van een procedure over de crisisheffing 2013 en de door Meijburg & Co gevoerde proefprocedure over de crisisheffing 2014. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van gerechtvaardigde terugwerkende kracht. De crisisheffing vormt volgens de Hoge Raad geen schending van het recht op eigendom dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Crisisheffing

In 2013 en 2014 werd eenmalig een werkgeversheffing van 16% geheven over het salaris dat in de voorafgaande jaren, dus in 2012 en 2013, meer dan € 150.000 bedroeg. Tegen deze crisisheffing hebben werkgevers massaal bezwaar gemaakt. Een aantal van deze bezwaren is als proefprocedure uitgeprocedeerd. Daarnaast zijn er ook individuele procedures aanhangig.

Procedures 2013 en 2014

In deze procedures is betoogd dat de crisisheffing in strijd is met het recht op ongestoorde eigendom van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, onder andere omdat ze een onaanvaardbare terugwerkende kracht heeft. In het voortraject hebben de verschillende lagere rechters alle argumenten afgewezen. Alleen rechtbank Noord-Holland gaf een ander oordeel. In zijn advies aan de Hoge Raad concludeerde advocaat-generaal Wattel (hierna: de A-G) nog dat sprake is van terugwerkende kracht en dat die terugwerkende kracht om diverse redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De crisisheffing vormt volgens de A-G een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De werking van de crisisheffing mocht daarbij volgens hem niet verder teruggaan dan tot 25 mei 2012 voor de crisisheffing 2013 en 17 september 2013 voor de crisisheffing 2014. Op die data was naar de mening van de A-G de crisisheffing pas voldoende aangekondigd.

Oordeel van de Hoge Raad

Helaas heeft de Hoge Raad de argumenten afgewezen en geoordeeld dat sprake is van gerechtvaardigde terugwerkende kracht. Dit betekent dat de procedure hiermee in principe is beëindigd. Aangezien een van de argumenten de strijd met het recht op ongestoorde eigendom betrof, kan een volgende stap een klacht zijn bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het is nog niet bekend of die vervolgstap ook zal worden gezet.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.com)

Naar boven


10. Invoering Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties wijzigt fiscale regeling commissaris

Het op 2 februari 2016 door de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstel Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) zal de huidige Verklaring arbeidsrelatie (VAR) vervangen. De Wet DBA voorziet in een vrijwaring voor de inhouding van loonheffingen van opdrachtgevers op de beloning aan opdrachtnemers. De vrijwaring geldt alleen als de overeenkomst met de opdrachtnemer aan de Belastingdienst is voorgelegd, of als gebruik is gemaakt van de modelovereenkomsten die op de website van de Belastingdienst zijn geplaatst. Door gebruik te maken van de modelovereenkomsten hebben opdrachtgever en opdrachtnemer de zekerheid dat er geen inhoudingsplicht voor de loonheffingen bestaat. De vrijwaring geldt alleen en voor zolang ook feitelijk volgens de goedgekeurde (model)overeenkomst wordt gewerkt. De Wet DBA beperkt zich uitsluitend tot het oordeel of voor de arbeidsverhouding een inhoudingsplicht bestaat voor de loonheffingen.

Fictieve dienstbetrekking commissarissen

De invoering van de Wet DBA heeft ook gevolgen voor commissarissen die op dit moment werkzaamheden verrichten op basis van een VAR. Commissarissen zijn op grond van de wet in fictieve dienstbetrekking bij het lichaam waar zij toezicht op houden. Deze fictieve dienstbetrekking wordt opzijgezet als de commissaris over een geldige VAR beschikt. Is dat het geval, dan hoeven op de beloning van de commissaris geen loonheffingen te worden ingehouden en is geen werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verschuldigd. De fictieve dienstbetrekking van commissarissen geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen.

Met het vervallen van de VAR moeten opdrachtgevers vanaf 1 mei 2016 – de beoogde ingangsdatum van de Wet DBA – op de commissarisbeloning altijd loonheffingen inhouden en afdragen. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel van de Wet DBA in de Eerste Kamer op 26 januari 2016 heeft de staatssecretaris van Financiën echter toegezegd om – eerst via een beleidsbesluit en later door een aanpassing van de wet – de fictieve dienstbetrekking van de commissaris af te zullen schaffen, waardoor de commissaris niet meer onder de Wet op de loonbelasting zal vallen en er geen loonheffingen en werkgeversbijdrage Zvw verschuldigd zijn. Voor de btw-plicht ter zake van de commissarisbeloning heeft de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking verder geen gevolgen.

Commissaris en de 30%-regeling

De afschaffing van de fictieve dienstbetrekking voor de commissaris kan gevolgen hebben voor commissarissen met een 30%-regeling. Voor de toepassing van de 30%-regeling dient sprake te zijn van een (fictieve) dienstbetrekking. Als de fictieve dienstbetrekking voor een commissaris vervalt, kan ook de 30%-regeling niet meer worden toegepast. Een mogelijke oplossing is om te opteren voor werknemerschap en daarmee vrijwillig onder de Wet op de loonbelasting te vallen. Er wordt dan gebruikgemaakt van de wettelijke mogelijkheid om een arbeidsverhouding die niet kwalificeert als een ‘echte’ of ‘fictieve’ dienstbetrekking toch als dienstbetrekking aan te merken (ook wel aangeduid met ‘opting-in’). Het voordeel van opting-in is dat de belastingplichtige als werknemer wordt beschouwd en dus in beginsel alle bepalingen van de Wet op de loonbelasting, inclusief de 30%-regeling, op hem van toepassing zijn. De keuze voor opting-in is niet mogelijk indien de inkomsten van de commissaris kwalificeren als belastbare winst voor de inkomstenbelasting.

Afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving van het vervallen van de (fictieve) dienstbetrekking kunnen er nog meer gevolgen zijn voor niet in Nederland woonachtige commissarissen, maar op dit moment zal het aangekondigde beleidsbesluit in verband met de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking van commissarissen moeten worden afgewacht om meer duidelijkheid te kunnen geven.

Sibrena van Samson (vansamson.sibrena@kpmg.com)

Naar boven


11. Wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II ingediend

Op 22 januari 2106 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën het wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II ingediend bij de Tweede Kamer. Hierin zijn de fiscale automaatregelen voor 2017 tot en met 2020 verder uitgewerkt. Er blijven uiteindelijk nog maar twee bijtellingscategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor nulemissieauto’s en 22% voor alle andere auto’s.

De maatregelen uit het wetsvoorstel waren al aangekondigd in de op 19 juni 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden Autobrief II. Deze brief was tot stand gekomen na gesprekken met de autobranche, milieuorganisaties en andere belanghebbenden. De belangrijkste doelen zijn stabielere belastinginkomsten en een efficiënter milieubeleid. Belangrijke nevendoelen zijn minder marktverstoring, complexiteit en uitvoeringslasten.

Nog maar twee bijtellingscategorieën

Er blijven nog maar twee bijtellingscategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor nulemissieauto’s en 22% voor alle andere auto’s. Dat betekent dat reguliere auto’s vanaf 2017 een lagere bijtelling krijgen. Voor auto’s met een datum van eerste toelating op de weg van voor 2017 blijft de hoogste bijtelling 25%. Het verlaagde bijtellingspercentage van zogenoemde plug-in hybrids (auto’s met een CO2-uitstoot tot en met 50 gr/km) wordt stapsgewijs verhoogd: 17% in 2017, 19% in 2018 en uiteindelijk 22% in 2019. Verder zal vanaf 2019 voor volledig elektrische auto’s het deel van de catalogusprijs dat boven € 50.000 uitkomt ook onder het algemene bijtellingspercentage van 22% vallen.

Voor de periode 2016-2020 geeft dit de volgende tabel voor het bijtellingspercentage afgezet tegen de CO2-uitstoot:

 

 0 gr/km

 1-50 gr/km

 51-106 gr/km

 > 106 gr/km

2016

 4%

 15%

 21%

 25%

2017

 4%

 17%

 22%

 22%

2018

 4%

 19%

 22%

 22%

2019

 4%*

 22%

 22%

 22%

2020

 4%*

 22%

 22%

 22%

(* voor volledig elektrische auto’s: 22% voor zover de catalogusprijs meer dan € 50.000 bedraagt)

Overgangsrecht

Voor nieuwe auto’s van de zaak waarvoor vanaf 2017 tot en met 2020 een korting op de bijtelling van toepassing is, wordt voorzien in overgangsrecht. De korting op de bijtelling blijft gedurende zestig maanden vanaf de maand volgend op de datum van eerste toelating op de weg van de auto van kracht. Voor op 31 december 2016 reeds op de weg toegelaten auto’s van de zaak met een korting op de bijtelling wordt het overgangsrecht vereenvoudigd. Voor deze auto’s blijft de korting van kracht gedurende zestig maanden na de maand waarin de auto voor het eerst te naam is gesteld in het kentekenregister. Daarna wordt per jaar bezien of op grond van de in dat jaar in de wet opgenomen CO2-emissiegrenzen nog recht bestaat op een korting op de bijtelling. Voor auto’s van voor 1 juli 2012 die recht hadden op een korting van 11% of 5% blijft deze korting gehandhaafd tot en met 31 december 2018.

BPM

De BPM wordt tot 2020 geleidelijk verlaagd met gemiddeld 12%. Verder wordt de BPM minder CO2‑afhankelijk gemaakt door de vaste voet te verhogen van € 175 tot € 350 en het CO2-afhankelijke deel van de tarieftabel te verlagen. Voor plug-in hybrids wordt het voordeel in de BPM geleidelijk afgebouwd. Nulemissieauto’s blijven tot en met 2020 volledig vrijgesteld.

MRB

De MRB wordt met ingang van 2017 voor alle auto’s generiek verlaagd met 2%. Voor vervuilende dieselauto’s en -bestelbusjes zal vanaf 2019 een toeslag gelden van 15%. Het gaat dan om een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg/km en het betreft in de regel voertuigen van voor 2005 zonder af‑fabriekroetfilter. Vervuilende bestelbusjes lopen pas tegen de toeslag aan als ze twaalf jaar of ouder zijn. Net als in de BPM wordt in de MRB het voordeel voor plug-in hybrids geleidelijk afgebouwd en blijven nulemissieauto’s tot en met 2020 volledig vrijgesteld.

Het vervolg

Het kabinet evalueert de maatregelen uit dit wetsvoorstel in 2018, zodat – indien gewenst – het mogelijk is om beleidsmatig bij te sturen vanaf 2019.

Leo van Elburg (vanelburg.leo@kpmg.com)

Naar boven


12. Verplichte winstneming voor pensioen-bv door waarderingsregels

Het is een bekend probleem: bij ‘kleine rechtspersonen’ wordt het van oudsher geaccepteerd als de fiscale pensioenvoorziening op de commerciële balans wordt opgenomen. Maar voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) die zijn pensioen geheel of gedeeltelijk in eigen beheer houdt, mag niet volgens dezelfde fiscale regels pensioen worden opgebouwd als voor een gewone werknemer of voor een dga die zijn pensioen volledig bij een derde partij heeft ondergebracht. De belangrijkste pijnpunten zijn de volgende: de sinds 1995 verplichte jaarlijkse actuariële berekening, rekenrente, leeftijdsterugstelling, indexatie, risico van vooroverlijden en kostenopslagen. De fiscale voorziening op de balans is daardoor (vaak veel) lager dan het bedrag dat het kost om het pensioen af te storten bij een verzekeringsmaatschappij.

Standpunt Belastingdienst

De Belastingdienst stelt zich bij extern eigen beheer (waarbij de pensioen-bv niet tevens de werkgever is) ten minste al sinds 3 juli 2008 op het standpunt dat naar commerciële tarieven premie moet worden betaald aan de pensioenvennootschap. Die premie is (ten dele) niet aftrekbaar. En dat bij ‘oneigenlijke handelingen’ zoals afkoop of prijsgeven, fiscaal moet worden afgerekend over de commerciële waarde van het pensioen. Dit geeft niet alleen potentieel problemen bij dividenduitkeringen, extern eigen beheer, waardeoverdracht/afstorten en echtscheiding, maar ook bij zetelverplaatsing van een pensioen-bv naar Nederland. Dat heeft de Hoge Raad eind vorig jaar bevestigd.

Verplichte winstneming voor verplaatste pensioen-bv

Wat was het geval? Een pensioen-bv verhuisde op 1 december 1994 naar Curaçao. Met ingang van die datum werd geen pensioen meer opgebouwd. Op 1 januari 2009 werd de zetel terugverplaatst naar Nederland. Dat betekende dat de bv weer hier te lande vennootschapsbelastingplichtig werd. Bij de aanvang van de belastingplicht moet een openingsbalans worden opgesteld naar de waarde in het economische verkeer. Dat betekent dat de pensioenverplichting op de openingsbalans moet worden opgenomen voor het bedrag dat het kost om het pensioen bij een verzekeringsmaatschappij onder te brengen. Maar de waarde van de pensioenverplichting aan het eind van het boekjaar moet worden bepaald met inachtneming van de fiscale wettelijke beperkingen. Dat leverde een belaste vrijval op van € 375.817. Dit betekent dat de pensioen-bv fiscaal moest afrekenen over een bedrag dat nooit ten laste van de Nederlandse winst was gekomen! Dit rechtsgevolg is uiteraard absurd, maar zo werkt het nu eenmaal. Een extra waarschuwing is op zijn plaats: soortgelijke fiscale gevolgen kunnen zich voordoen bij waardeoverdracht van de pensioenverplichting van de ene vennootschap naar de andere vennootschap.

Overwogen alternatieven voor pensioen in eigen beheer

Eind 2012 heeft staatssecretaris Weekers tijdens de behandeling van het Belastingplan 2013 een onderzoek aangekondigd naar de bestaande knelpunten bij pensioen in eigen beheer. Hoe staat het daarmee? Drie alternatieven worden nog overwogen:

  1. de oudedagsbestemmingsreserve (OBR), een soort fiscale oudedagsreserve in eigen beheer;
  2. het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB), een soort van beschikbare-premiestelsel in eigen beheer met een vaste oprenting;
  3. afschaffing van pensioen in eigen beheer, waarbij niet verder mag worden opgebouwd maar wel de kans wordt geboden om het pensioen in 2017 te laten vrijvallen tegen afrekening over 80% van de fiscale waarde.

Staatssecretaris Wiebes en de Tweede Kamer blijken een voorkeur te hebben voor het OSEB boven de OBR. Het belangrijkste verschil tussen de OBR en het OSEB is dat de dga bij de OBR in de opbouwfase geen juridisch afdwingbare verplichting heeft jegens de pensioen-bv, en bij het OSEB wel. Alle reden om de positie van de partner eens te heroverwegen! Algehele omzetting van bestaande pensioenrechten naar een nieuw systeem (invaren) kan niet worden afgedwongen. Wie echter invaart of afkoopt, is de hiervoor beschreven fiscale perikelen (nagenoeg) geheel kwijt. We houden u uiteraard op de hoogte van verdere ontwikkelingen.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


13. Tegen welke waarde moet een vermogensbestanddeel op de tbs-openingsbalans in box 1 worden opgenomen?

Wanneer een natuurlijk persoon een pand (of een ander vermogensbestanddeel) ter beschikking stelt aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang bezit, dan moet dit pand worden opgenomen in box 1 en worden de opbrengsten daaruit tegen het progressieve tarief belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Hierbij worden niet alleen huuropbrengsten, maar ook eventuele vermogenswinsten uit hoofde van waardestijgingen op deze wijze belast.

Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt de facto bepaald aan de hand van de winstbepalingsregels, wat met zich brengt dat belastingplichtigen dergelijke vermogensbestanddelen op een fiscale balans moeten waarderen. Tegenover de jaarlijkse opbrengsten kunnen belastingplichtigen de met dat vermogensbestanddeel samenhangende kosten, zoals afschrijvingskosten of kosten van onderhoud, stellen.

Om de hoogte van eventuele vermogenswinsten (of -verliezen) vast te kunnen stellen is het van belang te bepalen tegen welke waarde een dergelijk vermogensbestanddeel op de fiscale openingsbalans moet worden opgenomen. In een recent arrest heeft de Hoge Raad zich uit moeten spreken over de vraag in hoeverre reeds bestaande rechtsverhoudingen daarin moeten worden meegenomen.

Invloed bestaande contractuele verplichtingen

In het concrete geval ging het om panden die door de directeur-grootaandeelhouder ter beschikking waren gesteld aan zijn eigen bv, tegen een vergoeding die oorspronkelijk marktconform was maar die op het moment van overgang naar box 1 – in 2001 door de introductie van de terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling – lager was dan de vergoeding die daar op dat moment voor zou kunnen worden bedongen. De inspecteur was van mening dat met dit feit rekening moest worden gehouden, zodat een vermindering van de waarde moest worden toegepast ten opzichte van de waarde in vrije staat. Een derde zou immers op dat moment slechts bereid zijn een lagere waarde voor het pand te betalen, omdat dit gedurende de resterende termijn van het huurcontract een lager rendement zou realiseren dan mogelijk zou zijn wanneer hij een nieuwe overeenkomst aan zou kunnen gaan.

Het gevolg daarvan is echter wel dat de latere waardeaangroei zou worden belast tegen het progressieve tarief, terwijl daartegenover geen aftrekbare last heeft gestaan. Ondanks het nadelige – en wellicht onbedoelde – gevolg, heeft de Hoge Raad deze zienswijze bevestigd. Wel heeft hij daarbij een verzachting aangebracht voor de belastingplichtige, namelijk dat de waardeaangroei naar de waarde in vrije staat niet jaarlijks tot de winst hoeft te worden gerekend maar slechts bij beëindiging van de terbeschikkingstelling of de vervreemding van de onroerende zaak moet worden genomen.

Let op

Gelet op de nadelige gevolgen die zich voor kunnen doen verdient het aanbeveling in voorkomende gevallen na te gaan of inderdaad mogelijk sprake is van ‘onderrendement’ als gevolg van een niet langer marktconforme huurvergoeding op het moment van het ter beschikking stellen.

Han Verhagen (verhagen.han@kpmg.com)

Naar boven


14. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of met een van de onderstaande adviseurs. Uiteraard kunt u ook contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen Meijburg & Co.

 

Olaf Leurs

T: 088 909 34 14

E: leurs.olaf@kpmg.com

 

Han Verhagen

T: 088 909 33 59

E: verhagen.han@kpmg.com

 

Richard Sour

T: 088 909 15 48

E: sour.richard@kpmg.com

Naar boven