Inhoud

Naar boven


1. Wetsvoorstel aanpassing Nederlandse dividendbelasting in consultatie

Eerder berichtten wij u over de aangekondigde wijzigingen van de Nederlandse Wet op de dividendbelasting 1965. Na eerdere aankondiging hiervan heeft de staatssecretaris van Financiën het wetsvoorstel op 16 mei 2017 in consultatie gebracht. De beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2018.Tijdens de consultatieronde – tot 13 juni 2017 – heeft iedereen de mogelijkheid om op het wetsvoorstel te reageren.

Het wetsvoorstel is in grote lijnen in overeenstemming met de eerdere brieven van de staatssecretaris en betreft, samengevat, de introductie van:

  1. een inhoudingsplicht voor uitkering van dividenden door zogenoemde houdstercoöperaties aan hun leden met een belang van 5% of meer;
  2. een algemene inhoudingsvrijstelling voor dividenden betaald aan aandeelhouders/leden met een (aandelen)belang van 5% of meer die zijn gevestigd in een land waarmee Nederland een (volledig) belastingverdrag heeft gesloten.

Het wetsvoorstel bevat eveneens een aanpassing van de bepalingen ten aanzien van het zogenoemde (technisch) aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschapsbelasting en bevat een aantal specifieke wijzigingen om de huidige antimisbruikbepalingen in de Nederlandse wet in lijn te brengen met Europees recht en verdragen. Om te beoordelen of sprake is van misbruik worden een zogenoemde subjectieve en objectieve toets gehanteerd (lees meer).

Over dit wetsvoorstel zal nog uitgebreid worden gesproken en geschreven. In dat kader verwachten wij het definitieve wetsvoorstel op of rond Prinsjesdag 2017. Uiteraard blijven wij de ontwikkelingen op dit vlak voor u volgen.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


2. Belgische fairness tax gedeeltelijk strijdig met EU-recht

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft vorige week beslist dat de Belgische ‘fairness tax’ gedeeltelijk strijdig is met het EU-recht. In navolging van de advocaat-generaal oordeelt het HvJ dat de fairness tax strijdig is met de Moeder-dochterrichtlijn. Het feit dat dividenden die een Belgische vennootschap heeft ontvangen van haar dochter in een andere EU-lidstaat zijn begrepen in de belastbare basis van de fairness tax bij wederuitkering in een later jaar door de Belgische vennootschap, is in strijd met artikel 4 van de Moeder-dochterrichtlijn. Verder laat het HvJ het aan het Belgische Grondwettelijk Hof over om uit te maken of de fairness tax ook nog een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging voor een buitenlandse vennootschap met een Belgische vaste inrichting.

Achtergrond

De fairness tax is ingevoerd in juli 2013 als een afzonderlijke belasting van 5,15% op de uitkering van winsten wanneer de uitkerende vennootschap in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, de notionele interestaftrek en/of de aftrek van overgedragen fiscale verliezen heeft genoten. De fairness tax is zowel van toepassing op binnenlandse vennootschappen als op Belgische vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen.

Vragen aangaande EU-recht en de Grondwet voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof

Reeds vanaf de invoering van de fairness tax rezen er vragen, vooral over de verenigbaarheid daarvan met het EU-recht. In januari 2014 werd een beroep tot vernietiging ingediend bij het Grondwettelijk Hof, argumenterend dat de fairness tax de Belgische Grondwet, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de Moeder-dochterrichtlijn schendt. Het Grondwettelijk Hof heeft daarom verschillende prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ om uit te maken of de fairness tax het EU-recht schendt (arrest Grondwettelijk Hof van 28 januari 2015).

Vragen van het Grondwettelijk Hof aan het HvJ

1)   Schendt de toepassing van de fairness tax op Belgische inrichtingen van vennootschappen die inwoner zijn van andere EU-lidstaten de vrijheid van vestiging

Volgens het HvJ schendt de heffing van de fairness tax op Belgische inrichtingen van vennootschappen die inwoner zijn van een andere EU-lidstaat de vrijheid van vestiging, maar alleen indien de wijze waarop de belastbare grondslag van de fairness tax wordt bepaald in de praktijk tot gevolg heeft dat buitenlandse vennootschappen ongunstiger worden behandeld dan Belgische vennootschappen. Of dit het geval is, laat het HvJ over aan het Grondwettelijk Hof om uit te maken. 

2)   Is de fairness tax een verboden bronheffing volgens artikel 5 van de Moeder-dochterrichtlijn? 

Het HvJ beschouwt de fairness tax als een aanvullende vennootschapsbelasting die slechts geheven wordt bij de uitkering van winsten en niet als een bronheffing in de zin van artikel 5 van de Moeder-dochterrichtlijn.

3)   Verzet de Moeder-dochterrichtlijn zich ertegen dat dividenden die een Belgische vennootschap heeft gekregen van haar dochter en in een later jaar ‘wederuitkeert’ aan haar moeder, deel uitmaken van de belastbare basis van de fairness tax?  

Volgens het HvJ is het niet conform de Moeder-dochterrichtlijn dat dividenden ontvangen door een Belgische vennootschap bij ontvangst worden belast volgens de DBI-aftrek van 95% en dat er bij wederuitkering in een later jaar een aanvullende belasting wordt geheven bij wijze van de fairness tax, waardoor die winsten voor een groter gedeelte worden belast dan het plafond van 5%.

Conclusie

Volgens het HvJ is de fairness tax gedeeltelijk strijdig met EU-recht, omdat deze artikel 4 van de Moeder-dochterrichtlijn schendt. Bovendien laat het HvJ het over aan het Grondwettelijk Hof om uit te maken of de fairness tax een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging.

Na dit arrest is het aan het Grondwettelijk Hof om zijn finale arrest te vellen (dat rekening houdt met het arrest van het HvJ, maar ook de Belgische grondwettelijke vragen behandelt). 

De uiteindelijke impact van de lopende procedure voor belastingplichtigen die de fairness tax hebben ondergaan, zal pas volledig duidelijk worden als het Grondwettelijk Hof zijn arrest heeft gewezen. Belastingplichtigen kunnen echter op basis van het arrest van het HvJ al een administratieve procedure (bezwaar of ambtshalve ontheffing) opstarten als het gaat om een ongunstigere behandeling van een buitenlandse vennootschap met een Belgische vaste inrichting of in het geval een wederuitkering van ontvangen dividenden in een later jaar.

Thomas Zwaenepoel

Naar boven


3. Rechtbank Zeeland-West-Brabant: inwoner België die buiten Nederland werkt, krijgt geen vrijstelling en geen voorkoming in Nederland

Onlangs heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een geschil over de belasting- en verzekeringsplicht van een inwoner van België die voor een Nederlandse werkgever werkt. Belanghebbende stelt hierbij dat zij werkzaamheden buiten Nederland heeft verricht en daardoor recht zou hebben op een voorkoming van dubbele belasting en vrijstelling van premies volksverzekeringen. De rechtbank is van mening dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat zij werkzaamheden buiten Nederland heeft verricht, waardoor er geen recht is op voorkoming of vrijstelling.

Casus 

Belanghebbende woont in België en werkt voor een Nederlandse werkgever. Zij werkt drie weken veertig uur per week, waarna een week volgt waarin zij continu bereikbaar moet zijn en in principe geen andere werkzaamheden voor haar werkgever verricht. In haar Nederlandse aangiften 2009, 2010 en 2011 heeft zij geopteerd voor binnenlandse belastingplicht en vrijstelling van Nederlandse premies volksverzekeringen geclaimd. Daarbij heeft zij een verzoek gedaan tot aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (in 2010 voor 25% van haar totale loon), omdat dit gedeelte zou zien op werkzaamheden verricht buiten Nederland. Belanghebbende lijkt dus van mening te zijn dat het bereikbaar moeten zijn dient te worden gekwalificeerd als werkzaamheden.

Geschil

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (voor de jaren 2009 en 2011) en terecht is betrokken in de premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen (2010 en 2011).

Aftrek ter voorkoming van dubbele belasting

De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat belanghebbende werkzaamheden buiten Nederland heeft verricht voor de Nederlandse werkgever. Daarbij wordt in overweging genomen dat zij tegenover de Belgische fiscus het standpunt heeft ingenomen dat zij haar dienstbetrekking volledig in Nederland uitoefent en de werkgever eveneens heeft verklaard dat de werkzaamheden volledig in Nederland plaatsvinden. Op basis van deze informatie lijkt de rechtbank in deze casus ook niet anders te kunnen concluderen.

Sociale zekerheid

Voor een uitleg omtrent de bepaling waar iemand sociaal verzekerd is, verwijzen wij naar de vorige editie van onze nieuwsbrief. In de hierboven beschreven situatie is de oude Europese Verordening inzake sociale zekerheid van toepassing en wordt aangesloten bij het criterium of er werkzaamheden plegen te worden verricht in het woonland.

In deze casus is volgens de rechtbank niet duidelijk dat de werkzaamheden in het woonland België plegen te worden verricht, onder andere omdat tussen werkgever en werknemer niet is overeengekomen dat er werkzaamheden buiten Nederland dienen te worden verricht. Hierdoor is het Nederlandse socialezekerheidsstelsel van toepassing en als gevolg hiervan is belanghebbende premies volksverzekeringen verschuldigd over haar gehele loon.

Conclusie

Uit deze casus blijkt nog maar eens dat het in grensoverschrijdende situaties discutabel kan zijn in welk land iemand sociaal verzekerd en/of belastingplichtig is, mede omdat niet altijd duidelijk is wanneer iemand daadwerkelijk (substantiële) werkzaamheden in een land verricht. Daarbij kwalificeert het bereikbaar moeten zijn voor de werkgever niet als het (plegen te) verrichten van werkzaamheden in het thuisland. In onze vorige nieuwsbrief maakten wij al duidelijk dat niet alleen de duur, maar ook de aard van de werkzaamheden van groot belang is voor de bepaling waar iemand sociaal verzekerd is. Uiteraard houden wij u op de hoogte van verdere ontwikkelingen op dit gebied.

Monique van Leeuwen en William Donders

Naar boven


4. Inkomsten uit deeleconomie: hoe zit dat juist met de btw?

De Belgische FOD Financiën heeft recent een FAQ gepubliceerd over de btw-regels inzake de deeleconomie. In het eerste deel geeft de FOD Financiën onder meer een definitie van het begrip ‘deeleconomie’ en hoe de inkomsten daaruit moeten worden berekend. In het tweede deel worden concrete vragen opgelost, zoals onder meer wie zich moet laten identificeren als (btw-)belastingplichtige.

De programmawet van 1 juli 2016 heeft een nieuw artikel 50 §4 W.Btw ingevoerd betreffende de toepassing van de deeleconomie. Wegens een vertraging bij de erkenning van elektronische platformen is deze vereenvoudigingsregeling echter van kracht sinds 1 maart 2017. Hoewel de programmawet zowel de wetgeving inzake directe belastingen als die inzake btw heeft gewijzigd, moeten de voor beide belastingen uitgevaardigde regels afzonderlijk worden bekeken en hebben ze geen invloed op elkaar.

De deeleconomie: definitie en grensbedrag

Deeleconomie gaat over het ruilen en delen van ruimtes, goederen, werktuigen, geld, kennis en diensten tussen particulieren (natuurlijke personen) via een elektronisch platform (erkend of georganiseerd door een overheid). Voorbeelden hiervan zijn:

  • het verhuren, lenen en ruilen van gebouwen;
  • het verlenen van huisvestingsdiensten (zoals Airbnb);
  • het verhuren, lenen en ruilen van huisraad;
  • het uitwisselen van diensten;
  • het herstellen van voorwerpen, tweedehandskledij;
  • het bereiden van meeneemmaaltijden of van maaltijden geleverd aan huis.

De levering van goederen valt niet onder de regeling van de deeleconomie, maar als voorbeeld wordt aangehaald dat een particulier die maaltijden bereidt die vervolgens thuis worden afgeleverd of die worden meegenomen, wel onder de regeling van de deeleconomie valt (en dus wordt beschouwd als een dienst terwijl dit voor btw-doeleinden kwalificeert als een levering van goederen).

Op het gebied van btw bestaat het belangrijkste voordeel in de deeleconomie uit het feit dat in principe geen enkele btw-identificatie vereist is voor wat betreft de belanghebbende (zijnde de dienstverrichter, natuurlijke persoon). Deze administratieve ontheffing wordt toegestaan wanneer:

  1. de natuurlijke persoon niet meer dan € 5.000 per kalenderjaar aan inkomsten uit deze diensten ontvangt;
  2. de natuurlijke persoon uitsluitend een activiteit uitoefent die valt onder de regeling deeleconomie of, wanneer het een btw-belastingplichtige betreft, de uitgeoefende activiteit(en) geen enkele btw-identificatie vereis(t)(en).

Zodra overeenkomstig de btw-wetgeving een btw-identificatie voor andere verrichte handelingen vereist is, kan de natuurlijke persoon (op het vlak van btw) niet meer genieten van de regeling deeleconomie en dient men de € 5.000 per kalenderjaar buiten beschouwing te laten. 

Wie moet zich niet laten registreren voor btw-doeleinden?

Elke natuurlijke persoon die gewoonlijk diensten verricht binnen de deeleconomie, dient te worden beschouwd als een btw-belastingplichtige. De btw-belastingplichtige natuurlijke persoon die actief is binnen de deeleconomie en die aan alle hiernavolgende voorwaarden van de regeling voldoet, moet zich echter in principe niet laten identificeren voor btw-doeleinden.

De andere voorwaarden zijn als volgt:

  • De belastingplichtige natuurlijke persoon verricht alleen diensten.
  • De belastingplichtige natuurlijke persoon is niet verplicht zich als btw-belastingplichtige te identificeren voor een andere activiteit.
  • De diensten vinden plaats in België.
  • De diensten (daaronder ook begrepen werk in onroerende staat) worden verricht voor andere doeleinden dan die van zijn voornaamste economische activiteit (die hij als zelfstandige uitoefent).
  • De diensten worden uitsluitend verricht voor natuurlijke personen en zijn bestemd voor hun privégebruik of dat van andere personen.
  • De diensten worden uitsluitend verricht in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een elektronisch platform of een platform dat door een overheid wordt georganiseerd. De klant betaalt alle voor de dienst verschuldigde sommen aan of door tussenkomst van het platform.
  • Vergoedingen voor die diensten worden aan de natuurlijke persoon uitsluitend door het platform of door zijn tussenkomst betaald of toegekend.
  • De jaarlijkse omzet die bestaat uit de vergoedingen en alle sommen die door dat platform of door zijn tussenkomst zijn ingehouden bedraagt niet meer dan € 5.000 (een uitzonderlijke overschrijding van 10% per kalenderjaar is toegestaan).

De natuurlijke personen die voldoen aan de voorwaarden en zich dus niet hoeven te registreren voor btw-doeleinden, dienen geen btw in rekening te brengen noch periodieke btw-aangiften (en een zogenoemde klantenlisting) in te dienen.

Praktijkvoorbeelden

De FOD Financiën geeft in zijn FAQ enkele praktijkvoorbeelden. Een loontrekkende (werknemer) werkt voor een bouwonderneming en biedt, in België, diensten aan als stukadoor via een erkend elektronisch platform. De loontrekkende hoeft zich niet te laten registreren voor btw zolang de jaarlijkse inkomsten de € 5.000 niet overschrijden. Indien een Belgische bouwonderneming diensten als stukadoor aanbiedt via een erkend elektronisch platform, kan zij geen gebruik maken van de regeling deeleconomie, ongeacht de hoogte van de inkomsten. De diensten zijn dan onderworpen aan btw.

Impact nieuwe regeling 

De nieuwe regeling deeleconomie – die Nederland overigens niet heeft – leidt tot een administratieve vereenvoudiging. De Belgische wetgever laat echter geen keuzemogelijkheid aan natuurlijke personen om zich toch te registreren voor btw-doeleinden, met als gevolg dat zij ook geen recht op aftrek hebben van de btw geheven over hun aankopen en investeringen.

Gladys Cristiaensen en Anne-Sophie Van De Perre

Naar boven


5. Houdt eindafrekening Nederlandse terbeschikkingstellingsregeling stand onder het belastingverdrag tussen Nederland en België?

De Nederlandse fiscale rechters dienen zich regelmatig te buigen over de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling (hierna: TBS-regeling). Op basis van deze antimisbruikregeling worden de inkomsten die een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) geniet uit het ter beschikking stellen van vermogen – zoals geld of een pand – aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft progressief belast in box 1 in plaats van (forfaitair) in box 3. Van een aanmerkelijk belang is doorgaans sprake indien de betreffende natuurlijke persoon 5% of meer van (een soort van) de aandelen van een vennootschap bezit.

Casus Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 

De TBS-regeling geldt ook indien een inwoner van België een in Nederland gelegen pand ter beschikking stelt aan de Nederlandse vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Deze situatie is aan de orde in de casus waarover Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich onlangs heeft uitgelaten.

Daarin was in geschil of het belastingverdrag tussen Nederland en België voorkomt dat Nederland inkomstenbelasting heft bij beëindiging van de TBS-situatie. Omdat voor de vaststelling van het TBS-resultaat het winstregime van toepassing is, werd bij beëindiging van de TBS-situatie – in casu omdat de dga de aandelen verkocht – inkomstenbelasting (box 1) geheven over de in het ter beschikking gestelde pand aanwezige meerwaarde.

De dga stelt zich op het standpunt dat bovengenoemde Nederlandse heffing buiten toepassing dient te blijven op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België.

Het artikel voor vervreemdingswinsten in dit verdrag (artikel 13) wijst het heffingsrecht over de winsten gerealiseerd bij de vervreemding van een in Nederland gelegen onroerende zaak toe aan Nederland. De dga stelt zich echter op het standpunt dat van een vervreemding geen sprake is – het pand werd immers niet vervreemd – en dat Nederland daarom niet bevoegd is over de (niet-gerealiseerde) eindafrekeningswinst te heffen.

Het gerechtshof is het niet eens met standpunt van de dga. Het oordeelt dat ook de beëindiging van de TBS-situatie kwalificeert als een vervreemding in de zin van de bepaling voor vervreemdingswinsten in het verdrag en dat Nederland daarom de heffing op basis van zijn nationale wetgeving onder het verdrag mag effectueren. 

Bijzonderheid in de betreffende casus is dat de verkoop van de aandelen plaatsvond in het jaar 2006 en dat de aandelen werden geleverd in het jaar 2007. De dga stelt zich (subsidiair) op het standpunt dat de TBS-situatie eindigde in 2007 en geeft aan dat hij, indien dat het geval was, de verkoopwinst reeds in 2006 wenst te verantwoorden. Omdat het gerechtshof oordeelde dat ook de winstneming in 2006 kwalificeert als een vervreemding in de zin van het verdrag, kan dit de dga vooralsnog niet baten.

De dga heeft beroep in cassatie aangetekend. Wij houden u op de hoogte.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


6. Schenking van deelbewijzen van een burgerlijke maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik via een Nederlandse notaris onder vuur

Vorig jaar besliste de Vlaamse belastingdienst (hierna: Vlabel) dat schenkingen van effecten en geldbeleggingen met voorbehoud van vruchtgebruik verleden voor een Nederlandse notaris (om niet onderworpen te zijn aan de heffing van Belgische schenkingsrechten), onderworpen zijn aan Belgische erfbelasting. Recent heeft Vlabel een toevoeging aan dit standpunt gedaan: schenkingen van deelbewijzen van een burgerlijke maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik verleden voor een Nederlandse notaris zullen vanaf 1 juni 2017 eveneens aan erfbelasting worden onderworpen.

Gesplitste inschrijving

Voor uw goed begrip schetsen wij kort het standpunt dat vorig jaar werd gepubliceerd. Dit stelt dat de ‘gesplitste’ inschrijving (voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van de erfgenaam) van effecten en geldbeleggingen onderworpen is aan Belgische erfbelasting. Dit komt erop neer dat Vlabel erfbelasting heft op de waarde in volle eigendom van effecten en geldbeleggingen die de erflater in vruchtgebruik aanhield. Om aan deze taxatie te ontsnappen, kan men ofwel aantonen dat op de voorafgaande schenking 3% Belgische schenkbelasting is betaald, ofwel dat er geen causaal verband bestaat tussen de schenking (voorafgaand aan de gesplitste inschrijving) en de gesplitste inschrijving.

Dit standpunt – in de pers ook wel het einde van de ‘kaasroute’ genoemd – komt er in de praktijk op neer dat men Belgische erfbelasting betaalt op dergelijke schenkingen, tenzij er reeds Belgische schenkbelasting is betaald. 

Burgerlijke maatschap ook getroffen

Vlabel stelt nu dat ook schenkingen van deelbewijzen van een burgerlijke maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik vanaf 1 juni 2017 zullen leiden tot de heffing van Belgische erfbelasting bij het overlijden van de schenker. Erfbelasting kan hier eveneens worden vermeden door aan te tonen dat de schenking is geregistreerd onder 3% Belgische schenkbelasting ofwel de gesplitste inschrijving is ontstaan door bijvoorbeeld een erfenis. Dit standpunt heeft alleen betrekking op burgerlijke maatschappen waarvan de onderliggende activa bestaan uit effecten of geldbeleggingen.

Bovendien neemt Vlabel een standpunt in betreffende de bestemming van opbrengsten van een burgerlijke maatschap (lees: burgerlijke vruchten, zijnde interesten en dividenden). Zo is hij van mening dat sprake is van een nieuwe gesplitste inschrijving (lees: dat erfbelasting verschuldigd is, tenzij schenkbelasting is betaald) indien:

  • ‘burgerlijke vruchten’ niet worden uitgekeerd maar worden gereserveerd ingevolge een beslissing van de algemene vergadering;
  • ‘burgerlijke vruchten’ worden uitgekeerd aan de vruchtgebruiker en hiermee nieuwe effecten worden aangekocht die vervolgens gesplitst worden ingeschreven.

De burgerlijke vruchten die ingevolge een beslissing van de algemene vergadering aan de vruchtgebruiker in volle eigendom worden uitgekeerd vallen daarentegen buiten het toepassingsgebied van dit standpunt. Deze burgerlijke vruchten zullen bij overlijden van de vruchtgebruiker wel onderhevig zijn aan Belgische erfbelasting, tenzij hij deze heeft weggeschonken of verteerd.

Wat betekent dit voor u?

Het nieuwe standpunt heeft zowel impact op bestaande als nog op te richten burgerlijke maatschappen:

  • Indien u een schenking doet met voorbehoud van vruchtgebruik van deelbewijzen van een burgerlijke maatschap na 1 juni 2017, zal deze onderhevig zijn aan Belgische erfbelasting tenzij u de schenking hebt laten registeren tegen 3% Belgische schenkbelasting. Schenkingen die u voor deze datum hebt gedaan, worden niet belast.
  • Voor reeds opgerichte maatschappen is het belangrijk dat beslissingen van de algemene vergadering voor 1 juni 2017 duidelijk worden genotuleerd. Burgerlijke vruchten die voor 1 juni 2017 hun bestemming via een algemene vergadering hebben gekregen, vallen immers niet onder het nieuwe standpunt.
  • Vanaf 1 juni 2017 zullen bestemmingen van burgerlijke vruchten mogelijk als een nieuwe gesplitste inschrijving worden gezien. Het is uitermate belangrijk de jaarlijkse notulen correct op te stellen om het toepasselijke fiscaal regime te kennen en indien wenselijk erfbelasting te vermijden (door bijvoorbeeld de opbrengsten te verbruiken of opnieuw te schenken om erfbelasting te vermijden).

Gezien de reikwijdte van dit standpunt kan het uitermate nuttig zijn om uw concrete situatie opnieuw te laten bekijken. Wij zijn u daarbij vanzelfsprekend graag van dienst.

Sophie Schellens

Naar boven