Inhoud

Naar boven


1. Belgische fiscale aandachtspunten ten aanzien van pensioen in eigen beheer

In de oktober 2016-editie van deze nieuwsbrief maakten wij reeds melding van het hangende Nederlandse wetsvoorstel inzake de uitfasering van pensioen in eigen beheer. Na 30 juni 2017 zal het op basis van de Nederlandse wetgeving voor de directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) niet langer wenselijk zijn om een pensioen in eigen beheer op te bouwen. De dga heeft, naast het ‘bevriezen’ van de verplichting, de keuze zijn bestaande pensioenregeling in eigen beheer af te kopen met een fikse belastingkorting of om te zetten in een oudedagsverplichting. Lees meer.

Indien de dga in België woont, is het van belang om naast de Nederlands fiscale gevolgen tevens de Belgische fiscale gevolgen mee te nemen in de keuze. Op deze Belgische fiscale gevolgen gaan wij hier verder in.

Afkopen pensioenregeling met een belastingkorting

De dga heeft op basis van de Nederlandse wetgeving de mogelijkheid om in 2017, 2018 en 2019 het pensioen af te kopen met een korting van respectievelijk 34,5%, 25% en 19%. Het Belgisch-Nederlandse belastingverdrag regelt voor een dergelijke afkoopsom de heffingsbevoegdheid tussen België en Nederland.

Welk land bevoegd is om te heffen over de afkoopsom is afhankelijk van het tijdstip waarop het pensioen wordt afgekocht. Desondanks zal in de meeste gevallen Nederland het heffingsrecht hebben.

  • Gaat het om een nog niet ingegaan pensioen dat wordt afgekocht, dan mag Nederland (het bronland) heffen ongeacht de hoogte van de afkoopsom.
  • Gaat het om een ingegaan pensioen, dan zijn de inkomsten tevens belastbaar in Nederland indien, naast andere voorwaarden, de grens van € 25.000 wordt overschreden. 

De ontvangen afkoopsom moet wel nog worden aangegeven in de Belgische aangifte personenbelasting. De afkoopsom is weliswaar (gedeeltelijk) vrijgesteld, maar wel onder progressievoorbehoud. Dit betekent dat het bedrag zelf niet (volledig) wordt belast maar nog wel wordt meegenomen voor de bepaling van het progressieve tarief dat van toepassing is op de andere inkomsten.

Hoe de Belgische belastingadministratie omgaat met de door Nederland toegepaste korting is op dit moment onduidelijk. Vooralsnog is niet uitgesloten dat België de in Nederland toegepaste korting alsnog in de heffing betrekt en – met andere woorden – dus toch een deel van de afkoopsom belast.

Omzetting in een oudedagsverplichting

In plaats van het pensioen in eigen beheer af te kopen, kan de dga opteren voor een omzetting van de pensioenregeling  in een oudedagsverplichting. Afhankelijk van de concrete omstandigheden is niet uitgesloten dat deze omzetting in België als beschikkingsmoment wordt aangemerkt en dus tevens aanleiding geeft tot heffing in België. Ook de latere uitkeringen zullen specifieke fiscale gevolgen hebben.

Wat betekent dit voor u?

De Belgische fiscale gevolgen van de afkoop, alsook de omzetting van de bestaande pensioenregeling zijn afhankelijk van diverse feiten en omstandigheden, waaronder het tijdstip van de afkoop en het bedrag van de afkoopsom.

Wanneer u als dga in België woont en van de mogelijkheden inzake afkoop dan wel omzetting in een oudedagsverplichting gebruik wenst te maken, is het van groot belang dat u zich tevens laat adviseren met betrekking tot de Belgische fiscale gevolgen van uw keuze. Wij helpen u hierbij graag verder.

Sjeel Debeuf

Naar boven


2. Europese Hof van Justitie: Nederland moet aftrek van Spaanse hypotheekrente verlenen

In oktober 2016 berichtten wij over de conclusie van de advocaat-generaal (‘A-G’) bij het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) inzake het recht op hypotheekrenteaftrek van een in Spanje wonende directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) voor een eigen woning gelegen in Spanje. Voor een uiteenzetting van de casus en de conclusie van de A-G verwijzen wij naar de oktober 2016-editie van onze nieuwsbrief. A-G Wathelet concludeerde dat belanghebbende recht heeft op (pro rata) hypotheekrenteaftrek in Nederland, omdat zijn woonstaat Spanje geen rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Het HvJ heeft nu conform de conclusie van de A-G geoordeeld dat de pro-rata-aftrek door Nederland moet worden toegestaan in de zaak X tegen de staatssecretaris van Financiën.

Schumacker-doctrine

Algemeen uitgangspunt in het internationale belastingrecht is dat de woonstaat van een belastingplichtige in beginsel rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. In het arrest Schumacker uit 1995 besliste het HvJ echter dat de werkstaat rekening moet houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende indien deze geen inkomsten van betekenis genereert in zijn woonstaat, hij ten minste nagenoeg zijn gehele belastbaar inkomen (ten minste 90%) in die werkstaat verwerft en de woonstaat hem daardoor niet de fiscale voordelen kan toekennen die voorvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie (de Schumacker-doctrine).

De recente uitspraak van het HvJ

In casu kan Spanje als zijnde de woonstaat van de betrokkene niet (volledig) rekening houden met diens persoonlijke en gezinssituatie. Tevens verwerft belanghebbende nagenoeg zijn gehele inkomen buiten zijn woonstaat, zij het niet in één werkstaat maar 60% in Nederland en 40% in Zwitserland. Het HvJ nuanceert nu echter de eerdergenoemde (harde) 90%-eis door te stellen dat als het inkomen wordt verworven in meer dan een werkstaat, de aftrek in die werkstaten pro rata moet worden bepaald. Derhalve dient Nederland als een van de werkstaten een aftrek te verlenen van 60% van de hypotheekrente in verband met de woning in Spanje. Het HvJ is van mening dat het feit dat een belastingplichtige het grootste deel van zijn inkomen in meerdere lidstaten (anders dan zijn woonstaat) verdient, niet van invloed mag zijn op de toepassing van de Schumacker-doctrine. Van doorslaggevend belang is namelijk dat de woonstaat de persoonlijke en gezinssituatie van een belastingplichtige niet in aanmerking kan nemen wegens het ontbreken van voldoende inkomen in die lidstaat om de daarmee samenhangende fiscale voordelen te kunnen verlenen, terwijl elders wel rekening kan worden gehouden met deze persoonlijke en gezinssituatie omdat de belastingplichtige daar voldoende inkomen genereert.

Gevolgen van dit arrest 

Op basis van dit arrest zal (in de situatie van werken in meerdere lidstaten) elke werkstaat naar rato van het daar verdiende inkomen rekening dienen te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van het betrokken individu indien daarmee geen rekening kan worden gehouden in de woonstaat.

Op basis van de uitkomst van dit arrest zou het thans gehanteerde inkomenscriterium zoals neergelegd in de regels omtrent de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (‘geheel of nagenoeg geheel’/ten minste 90%) moeten worden herzien. Vooralsnog is onduidelijk wat de exacte praktische gevolgen van bovengenoemde uitspraak zullen zijn. De uitspraak roept namelijk ook nog veel praktische vragen op over in hoeverre Nederland als werkstaat rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie (pro rata, iedere aftrekpost of slechts de met de woonstaat vergelijkbare aftrekposten, etc.?).

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


3. Europese Hof van Justitie: btw-vrijstelling intracommunautaire levering zelfs wanneer btw-identificatienummer afnemer ontbreekt

In een recent arrest bevestigde het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) in de zaak Euro Tyre dat de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen niet mag worden geweigerd wanneer de verkoper (nog) niet beschikt over een EU-btw-identificatienummer van zijn afnemer. Het HvJ herhaalt dat indien aan de materiële voorwaarden voor de btw-vrijstelling is voldaan en er geen aanwijzingen zijn dat de verkoper betrokken is bij btw-fraude, een lidstaat de toepassing van de btw-vrijstelling niet mag weigeren.

Feiten 

Een Portugees filiaal van Euro Tyre BV, een in Nederland gevestigde vennootschap, verkoopt banden aan afnemers in Portugal en Spanje. Voor de verkoop van banden aan Spaanse afnemers maakt het Portugese filiaal gebruik van de toepassing van de btw-vrijstelling voor intracommunautaire levering van goederen. Het past deze vrijstelling ook toe voor de verkoop van banden aan het Spaanse filiaal van Euro Tyre BV, dat op het moment van de transacties wel reeds een Spaans (binnenlands) btw-identificatienummer had, maar nog niet was geregistreerd als ondernemer die intracommunautaire handelingen verricht en dus ook (nog) niet was opgenomen in het VIES-systeem (systeem voor uitwisseling van btw-informatie). 

Er vindt een btw-controle plaats en de Portugese btw-administratie is van mening dat Euro Tyre BV ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de btw-vrijstelling voor intracommunautaire levering van goederen.

Het HvJ 

In zijn arrest herhaalt het HvJ dat de btw-vrijstelling voor intracommunautaire levering van goederen van toepassing is wanneer aan de volgende materiële voorwaarden is voldaan:

  • Het recht om over de goederen te beschikken is overgedragen aan de koper.
  • De verkoper bewijst dat de goederen zijn verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat.
  • De goederen hebben als gevolg van dit vervoer of deze verzending fysiek het grondgebied van de lidstaat van levering verlaten met als bestemming een afnemer die een belastingplichtige is of een als belastingplichtige handelende rechtspersoon in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de goederen. 

In casu werd de btw-vrijstelling geweigerd, omdat het Spaanse filiaal (nog) niet was geregistreerd voor intracommunautaire handelingen in Spanje (en als zodanig nog niet was opgenomen in het VIES-systeem) en het op het moment van de verkoop alleen beschikte over een btw-identificatienummer voor binnenlandse handelingen. Volgens het HvJ wordt echter noch in de BTW-richtlijn, noch in de rechtspraak van het HvJ het beschikken door de afnemer over een btw-identificatienummer als materiële voorwaarde voor de btw-vrijstelling genoemd. Het beschikken over een btw-identificatienummer betreft dan ook slechts een formele voorwaarde die de verkoper het recht op de toepassing van de btw-vrijstelling niet mag ontnemen.

Het HvJ komt dus op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit (weer) tot het oordeel dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de btw-vrijstelling moet worden verleend, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet hebben voldaan aan bepaalde formele vereisten. In de zaken Mecsek-Gabona Kft. van 6 september 2012 en VSTR van 27 september 2012 kwam het HvJ tot een soortgelijk oordeel.

Gevolgen voor België en Nederland

De Belgische btw-administratie eist in de regel nog steeds dat de afnemer over een geldig btw-identificatienummer beschikt om de btw-vrijstelling voor intracommunautaire levering te kunnen toepassen.

Naar aanleiding van het arrest in de zaak VSTR heeft de Belgische btw-administratie haar strikte standpunt inzake de bewijsvoering voor intracommunautaire leveringen enigszins aangepast. Op basis van dit beleid stelt de administratie dat zij ‘uitzonderlijk’ de bedoelde vrijstelling niet zal verwerpen wanneer de leverancier geen btw-identificatienummer van zijn klant opgeeft, op voorwaarde dat de leverancier ‘redelijkerwijs alles heeft gedaan’ om het btw-identificatienummer van zijn medecontractant in een andere lidstaat te bekomen en na te gaan of alle verstrekte gegevens correct zijn. Bovendien moet de leverancier in voorkomende gevallen een aantal verplichtingen naleven, waaronder de mededeling van de identificatiegegevens van zijn klant aan de btw-administratie.

Aangezien het HvJ wederom het beschikken door de afnemer over een geldig btw-identificatienummer niet als strikte voorwaarde voor de toepassing van de btw-vrijstelling hanteert, lijkt het standpunt van de Belgische fiscus meer en meer onder druk te komen staan.

Hoewel de Nederlandse belastingdienst zijn beleid na de zaak VSTR niet officieel heeft aangepast, is het in de praktijk vaak mogelijk om op andere manieren aan te tonen dat het btw-nultarief voor intracommunautaire leveringen vanuit Nederland terecht is toegepast. Naar verwachting zal de Euro Tyre-zaak in Nederland daarom ook niet tot wijzigingen leiden.

Gladys Cristiaensen, Adriaan Rems en Joost Willemsen

Naar boven


4. Nederlandse belastingdienst geeft inzicht in beleid voor de sectorindeling premies werknemersverzekeringen

Meijburg & Co heeft via een WOB-verzoek (Wet openbaarheid van bestuur) het interne beleid van de Belastingdienst voor de sectorindeling boven tafel gekregen. Het gaat om een groot aantal pagina’s met gedetailleerde informatie over de sectorindeling. Die is relevant voor de heffing van premies werknemersverzekeringen. Uit de stukken blijkt dat de sector waarin de Belastingdienst een werkgever indeelt lang niet altijd de meest logische is. Daarnaast blijken voor bepaalde branches de regels voor de sectorindeling de afgelopen jaren te zijn gewijzigd.

Indeling in sectoren
 
De Belastingdienst deelt alle werkgevers in een bepaalde sector in. In welke sector een werkgever wordt ingedeeld, is afhankelijk van de werkzaamheden die de werkgever verricht. In de praktijk zien wij regelmatig dat de sectorindeling van een werkgever niet (meer) juist is, bijvoorbeeld omdat de activiteiten van een bedrijf in de loop van de tijd zijn gewijzigd.

De stukken die wij hebben verkregen, laten zien dat de sector waarin een werkgever volgens de Belastingdienst moet worden ingedeeld lang niet altijd de meest logische is. Zo valt de verwerking van gft tot compost volgens de Belastingdienst onder sector 49 (Chemische industrie) en deelt de Belastingdienst een waterstraalbedrijf dat zich bezighoudt met het onder zeer hoge druk ‘schoonspuiten’ van objecten/constructies in bij sector 21 (Havenclassificeerders). Daarnaast blijken de regels voor de sectorindeling voor bepaalde branches de afgelopen jaren te zijn gewijzigd.

Belang voor de praktijk

De sectorindeling is onder andere van belang voor de (WW-)premie die de werkgever moet storten in het sectorfonds en voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Indeling in een andere sector kan een aanzienlijk voordeel opleveren als de sector waarin de werkgever zou moeten worden ingedeeld een lager premiepercentage kent. De premiepercentages voor het sectorfonds (WW) bijvoorbeeld variëren van 0% (Mortelbedrijf) tot 4,92% (Taxivervoer). Bij een premieloonsom van € 1.000.000 leidt een afwijking van 1%-punt al tot een verschil in de bijdragen van € 10.000.

De werkgever kan bij een onjuiste sectorindeling van rechtswege tot vijf jaar terug te veel betaalde premies terugvragen. Als de sector waarin de werkgever zou moeten worden ingedeeld daarentegen een hoger premiepercentage kent, kan de Belastingdienst onder voorwaarden tot vijf jaar terug premies naheffen. Het is dus aan te bevelen om periodiek te laten beoordelen of de sectorindeling nog klopt, maar in ieder geval als de werkzaamheden zijn gewijzigd.

Groepsaansluiting

Concerns kunnen onder bepaalde voorwaarden een groepsaansluiting voor de sectorindeling aanvragen bij de Belastingdienst. De werkgevers binnen het concern die tot de groep behoren, worden dan in één sector ingedeeld. In principe is dat die sector waarin het grootste deel van het totale premieloon van de groep valt. Als de werkgevers binnen het concern op grond van een groepsaansluiting kunnen worden ingedeeld in een sector met een lager premiepercentage, dan levert dat een besparing op.
Als u wilt laten beoordelen of de sector waarin u bent ingedeeld nog juist is, of dat het wellicht voordelig is om een groepsaansluiting aan te vragen, dan kunt u contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt bij Meijburg & Co of met ondergetekenden.

Aard Jan Voortman en Sandy Govers

Naar boven


5. Nederlandse ascendentenverdeling op Vlaamse wijze belast

Het belastingregime in Vlaanderen van de Nederlandse ascendentenverdeling blijft voer voor discussie. De voorafgaande beslissing van 28 november 2016 van de Vlaamse belastingdienst (‘Vlabel’) handhaaft deze discussie en wijzigt in essentie niets aan het eerder gepubliceerde standpunt van de Vlabel van 13 juni 2016. Een analyse van de stand van zaken.

De Nederlandse ascendentenverdeling in Vlaanderen

Bij het overlijden van een Belgische inwoner met de Nederlandse nationaliteit (‘Nederbelg’) zal Belgische erfbelasting worden geheven. De Europese erfrechtverordening laat toe een rechtskeuze te maken voor het recht van het land waarvan de erflater ten tijde van de keuze of ten tijde van het moment van overlijden de nationaliteit bezit. Voor de Nederbelg betekent dit de mogelijkheid te kiezen voor Nederlands recht.  

Zo is het perfect mogelijk om de Nederlandse ascendentenverdeling toe te passen op de nalatenschap van een Belgische inwoner met de Nederlandse nationaliteit. Deze ascendentenverdeling houdt in dat de langstlevende echtgenoot alle goederen van de nalatenschap toebedeeld krijgt onder de last een schuld te erkennen aan de kinderen. De kinderen krijgen met andere woorden een roerende schuldvordering op de langstlevende echtgenoot, die in principe pas opeisbaar wordt bij het overlijden van de langstlevende en die in voorkomende gevallen rentedragend is. De zeer ruime bescherming van de langstlevende echtgenoot is de grootste drijfveer voor deze ouderlijke ascendentenverdeling.

De erfrechtverordening heeft echter geen fiscale doorwerking. Dit heeft tot gevolg dat Vlabel de Nederlandse ascendentenverdeling onderwerpt aan de Vlaamse regelgeving inzake schenk- en erfbelasting indien de Nederbelg gedurende de vijf jaar voor zijn overlijden het langst zijn fiscale woonplaats in het Vlaams Gewest had.

Het fiscale regime volgens Vlabel

Overlijden eerste ouder

De langstlevende ouder zal op het moment dat zijn echtgenoot overlijdt worden belast voor datgene wat hij verkrijgt uit de ascendentenverdeling minus de schuldvorderingen die de erfgenamen hebben ten aanzien van deze langstlevende echtgenoot. Vlabel neemt daarbij echter alleen het nominale bedrag van deze schuldvordering in aanmerking. Het genot van de schuldvordering van de langstlevende echtgenoot zou volgens Vlabel namelijk de rentelast op de schuld aan de kinderen (die ten laste van het genot valt) opheffen.

Overeenkomstig het federale standpunt in dit kader stelde een belastingplichtige dat de reële waarde van de schuldvordering in aanmerking diende te worden genomen. Vlabel weigerde dit. De reële waarde is het nominale bedrag van de schuldvordering verminderd met het genotsrecht van de langstlevende echtgenoot (berekend conform de coëfficiënten van het vruchtgebruik) en vermeerderd met de gekapitaliseerde interest.

De erfgenamen op hun beurt zullen bij het eerste overlijden worden belast over de waarde van hun schuldvordering bij wijze van roerend legaat (3% tot 27%).

Overlijden langstlevende ouder

Volgens Vlabel vindt op het moment van het tweede overlijden (van de langstlevende ouder) van rechtswege schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvordering tenietgaat. Dit zou tot gevolg hebben dat de schuldvordering van de kinderen ten aanzien van de langstlevende ouder in diens nalatenschap niet wordt erkend.

‘Gelukkig maar’ dat Vlabel alsnog toestaat dat de schuldvordering – om dubbele belasting te vermijden – voor haar nominale bedrag in mindering mag worden gebracht op de nalatenschap. Opnieuw wordt dus geen rekening gehouden met de reële waarde van de schuldvordering.

Illustratie

Besluit

De visie van Vlabel kan nadelig zijn voor de belastingplichtige en reden zijn om af te zien van het Nederlandse erfrecht. Om deze eventueel nadelige visie bij toepassing van de Nederlandse ascendentenverdeling te voorkomen, kan het aangewezen zijn om nog bij leven (een gedeelte van) de schuldvordering met interest af te lossen. Op die manier wordt schuldvermenging vermeden en is het mogelijk om het belastbaar actief te verminderen met de reële waarde van de schuldvordering.

Sophie Schellens en Pieter-Jan Van Leemputten

Naar boven


6. Aangescherpte Europese richtlijn vereist aanpassing van Nederlandse belastingwetgeving

Europese richtlijnen zijn van een hogere orde dan nationale wetgeving. Op basis van de zogenoemde directe werking van Europese richtlijnen kunnen belastingplichtigen, indien dit voor hen voordeliger is dan toepassing van de nationale fiscale wetgeving, toepassing van een richtlijn inroepen. Indien nationale wetgeving niet met een richtlijn in overeenstemming is, dient de nationale wetgeving met de betreffende richtlijn in overeenstemming te worden gebracht.

Een recente richtlijn die vereist dat Nederland haar nationale wetgeving aanpast betreft de zogenoemde Anti-Tax Avoidance Directive (’ATAD’). In juli 2016 werd een eerste versie van deze richtlijn (‘ATAD 1’) aangenomen en op 12 februari 2017 werd overeenstemming bereikt over een aantal aanvullingen hierop (“ATAD 2”) Lees meer.

ATAD 2 betreft maatregelen om zogenoemde hybride mismatches te bestrijden, ook in relatie tot niet-EU-landen. Van een hybride mismatch is sprake indien de kwalificatie van een structuur door land A anders is dan de kwalificatie van de betreffende structuur door land B. Hierna beperk ik me tot zogenoemde hybride entiteiten.

Hybride entiteit – cv/bv-structuur

Van een hybride entiteit is sprake indien een entiteit voor fiscale doeleinden als ‘transparant’ kwalificeert in land A en als ‘non-transparant’ in land B. Een in de praktijk veelvoorkomende structuur is de zogenoemde cv/bv-structuur, waarbij een in de Verenigde Staten gevestigde participant haar belang in een Nederlandse bv houdt via een in Nederland gevestigde besloten commanditaire vennootschap (‘cv’).

De besloten cv is voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, waardoor niet de cv zelf maar de participanten in de cv in de vennootschapsbelastingheffing worden betrokken. Omdat de participanten doorgaans geen activiteiten in Nederland hebben, zijn de participanten doorgaans geen Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd.

In de Verenigde Staten kan op basis van “check-the-box” worden gekozen de cv als transparant of als non-transparant aan te merken. Indien wordt gekozen voor non-transparant is sprake van een kwalificatieverschil en dus van een (omgekeerde) hybride entiteit. In de praktijk wordt in dergelijke structuren doorgaans gekozen voor een non-transparante entiteit omdat daarmee – onder toepassing van de belastingwetgeving in de Verenigde Staten – de mogelijkheid bestaat de belastingheffing over de inkomsten van de cv (langdurig) uit te stellen tot het moment van repatriëring van de inkomsten van de cv naar de Verenigde Staten.

De fiscaal voordelige cv/bv-structuur is eerder ter discussie gesteld, maar zal na implementatie van de betreffende bepalingen in ATAD 2 geheel buiten spel komen te staan. Deze bepalingen vereisen namelijk dat Nederland de cv beschouwt en belast als een fiscaal inwoner van Nederland indien de inkomsten van de cv niet (direct) worden belast in Verenigde Staten.

Bovengenoemde bepalingen in ATAD 2 dienen uiterlijk op 1 januari 2022 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Voor een aantal andere ATAD-bepalingen, waaronder de bepalingen ten aanzien van de aftrek van rente die in veel cv/bv-structuren van toepassing zullen zijn, geldt 1 januari 2020 als uiterlijke implementatiedatum. Wij zijn erg benieuwd wanneer en op welke wijze de Nederlandse wetgever de diverse bepalingen in de nationale wet zal implementeren en of fiscale ontwikkelingen in de Verenigde Staten hierop invloed zullen hebben. Wij adviseren bestaande structuren reeds tegen het licht te houden en houden u op de hoogte.

Mark Bos en Mark Foesenek

Naar boven


7. Thomas Zwaenepoel volgt Kris Lievens op

Sinds vele jaren was Kris Lievens, samen met Kizzy Wandelear, Cees Nijman en Mark Bos de drijvende kracht achter de KPMG Belgium-Holland desk.

Kris toonde steeds een bijzondere interesse voor typische grensoverschrijdende problematieken die spelen binnen een Belgisch-Nederlandse context. Zijn talloze bijdragen voor deze nieuwsbrief geven daar blijk van.

Kris heeft besloten om zich vanaf 1 april 2017 meer toe te leggen op een andere passie van hem, namelijk de financiële sector. Wij danken Kris voor zijn belangrijke bijdrage aan het succes van de KPMG Belgium-Holland desk.

Thomas Zwaenepoel zal de rol van Kris binnen de KPMG Belgium-Holland desk met veel enthousiasme overnemen. Thomas heeft 20 jaar ervaring met de fiscaliteit van familiaal aangehouden ondernemingen en heeft in die hoedanigheid affiniteit met zowel Belgische als Nederlandse ondernemers.

Naar boven