Inhoud

  1. Seminar KPMG Belgium-Holland Desk donderdag 5 oktober 2017 in Salons De Groene Jager, Brasschaat
  2. Transferpricingdocumentatie – laatste stand van zaken
  3. Hoge Raad: Nederland moet aftrek van Spaanse hypotheekrente verlenen
  4. Geen goed nieuws voor Belgen die via een Franse SCI vastgoed bezitten in Frankrijk
  5. Belangrijke wijziging btw-herzieningsregeling in Nederland op komst
  6. Einde indeling Nederlands uitzendbedrijf in vaksector
  7. Wijziging Nederlands standaardhuwelijksvermogensregime
  8. ‘Nieuw’ Belgisch standpunt inzake aandelenopties toegekend aan zaakvoerders van managementvennootschappen
  9. Bevestiging (on)belastbaarheid AOW-uitkering in België

Naar boven


1. Seminar KPMG Belgium-Holland Desk donderdag 5 oktober 2017 in Salons De Groene Jager, Brasschaat

Ook in 2017 vindt het jaarlijkse seminar van de KPMG Belgium-Holland Desk weer plaats en wel op donderdagochtend 5 oktober 2017 in Salons De Groene Jager in Brasschaat (B). Noteert u de datum alvast in uw agenda. Wilt u zich al aanmelden, dan kan dit uiteraard ook. U kunt hiertoe bijgevoegde link gebruiken: aanmelden.

Naar boven


2. Transferpricingdocumentatie – laatste stand van zaken

De documentatieverplichtingen op het gebied van transfer pricing zorgen de laatste tijd voor veel gespreksstof. In onze nieuwsbrief van december 2016 hebben wij aandacht besteed aan de regelgeving die in het kader van ‘Base Erosion and Profit Shifting’ (‘BEPS’) in onder andere Nederland en België is geïmplementeerd. In deze nieuwsbrief zullen wij ingaan op de nieuwste ontwikkelingen, de naderende deadlines en de laatste stand van zaken. Daarnaast zullen wij aangeven welke acties op korte termijn moeten worden genomen om volledig en tijdig te voldoen aan de vereisten.

Country-by-Country Reporting
Nederlandse en Belgische belastingplichtigen die onderdeel zijn van een internationale groep met een groepsomzet van minstens € 750 miljoen zijn verplicht om jaarlijks een Country-by-Country Report (‘CbCR’) in te dienen. Deze vennootschappen moeten hiervoor de belastingautoriteiten op korte termijn notificeren. In de notificatie moet naar voren komen of de betreffende vennootschap als groepshoofd het Country-by-Country Report voor de groep voor dat jaar zal indienen of hiervoor als ‘surrogaatgroepshoofd’ is aangewezen dan wel welke andere groepsvennootschappen het Country-by-Country Report voor de groep voor dat jaar zullen indienen.

Nederland
De deadlines voor de CbCR-notificatie komen snel dichterbij. Elke in Nederland belastingplichtige groepsentiteit waarvan het boekjaar 2016 eindigt tussen 31 december 2016 en
31 augustus 2017, dient de Belastingdienst voor 1 september 2017 te notificeren.

Met ingang van het boekjaar 2017 moeten de notificaties worden gedaan voor het einde van het boekjaar. Dit betekent dat voor boekjaren 2017 eindigend op 31 december 2017, de notificatie voor dat boekjaar op die datum moet zijn gedaan. Het indienen van de notificaties kan via de online tool van de Nederlandse Belastingdienst.

Boete
Met ingang van 5 juni 2017 is de Nederlandse wetgeving aangepast. Hierdoor kan in geval van (opzet of grove schuld op) het nalaten of niet volledig indienen van het Country-by-Country Report en/of -notificatie een boete worden opgelegd. Deze boete kan oplopen tot een maximum van € 820.000.

België
De notificatie in België kan geschieden door middel van een formulier dat in beginsel voor het jaareinde van elk boekjaar bij de Belgische belastingautoriteiten moet zijn ingediend. Voor boekjaren die eindigen op 31 december 2016 of tussen 31 december 2016 en 30 september 2016 is deze deadline eenmalig opgeschoven naar 30 september 2017. Voor boekjaren eindigend op 31 december 2017 moet de notificatie zijn ingediend voor die datum. Naar verwachting kan het indienen van het formulier vanaf 1 juli 2017 digitaal gebeuren. In afwachting van deze digitale toepassing kan gebruik worden gemaakt van het e-mailadres of het postadres, zoals vermeld door de Belgische belastingautoriteiten in het Belgisch Staatsblad.

Boete
In België kunnen vanaf de tweede overtreding ook boetes worden opgelegd voor het niet naleven van de verplichting. Deze boetes variëren tussen € 1.250 en € 25.000.

Master file en local file
Ook voor de master en local file moeten er op korte termijn acties worden ondernomen. Belangrijk om in aanmerking te nemen is dat de drempels van België en Nederland verschillen.

In België geldt de verplichting om een master file en local file op te stellen voor groepsentiteiten van een internationale onderneming die op basis van hun enkelvoudige jaarrekening over voorgaand boekjaar voldoen aan een of meer van de volgende criteria:

  1. totale bedrijfs- en financiële opbrengsten van € 50 miljoen met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten;
  2. een balanstotaal van € 1 miljard;
  3. een jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 fte’s.

 In België moeten de master en local file beschikbaar worden gesteld aan de belastingautoriteiten door middel van de indiening van een master file-formulier en local file-formulier.

In Nederland heeft een groepsentiteit een master file- en local file-verplichting wanneer aan de drempel van € 50 miljoen omzet (geconsolideerd) wordt voldaan. In Nederland moeten ten tijde van het indienen van de Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting (met ingang van boekjaar 2016) een master en een local file in de administratie zijn opgenomen. De master en local file hoeven in tegenstelling tot België dus niet naar de Belastingdienst te worden gestuurd.

Het is van belang om op korte termijn te bepalen welke acties nodig zijn om een master en local file op te stellen. Zo moeten de relevante intercompanytransacties worden bepaald en moet worden nagegaan of de zakelijkheid van deze intercompanytransacties kan worden onderbouwd. Dit kan door middel van onder andere contracten en benchmarkanalyses. De deadlines voor de master en local file liggen gelijktijdig met de deadline voor de aangifte vennootschapsbelasting over dat boekjaar. Indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de master en local file kan dit omkering van de bewijslast tot gevolg hebben. Dit kan resulteren in een correctie van de aangifte prijs of (transfer pricing) audits.

Deadlines
Kort samengevat zijn de deadlines als volgt:

CbC

  • Aanleveren van het CbC-rapport over het boekjaar eindigend op 31 december 2016: 31 december 2017.
  • Aanleveren van het CbC-rapport over het boekjaar eindigend op 31 december 2017: 31 december 2018.
  • Notificatie CbC-rapport over het boekjaar eindigend op 31 december 2016: 1 september 2017 (Nederland) en 30 september 2017 (België).
  • Notificatie CbC-rapport over het boekjaar eindigend op 31 december 2017: uiterlijk 31 december 2017.

MF/LF

  • Nederland: gelijktijdig met de deadline voor de aangifte vennootschapsbelasting in de administratie opnemen, normaliter is dit 1 juni 2017 (indien de uitstelregeling van toepassing is, ligt de deadline op 1 mei 2018).
  • België: de master file dient beschikbaar te worden gesteld aan de autoriteiten binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar. De local file moet op een eerder moment worden ingediend, namelijk op het moment van de aangifte vennootschapsbelasting (in de regel is dit 30 september van het volgende jaar voor boekjaren eindigend op 31 december 2016 is dit vastgesteld op 27 september 2017).

Voor een samenvatting van de implementatie van de regelgeving omtrent het Country-by-Country Report, de master file en de local file per land verwijzen wij u naar de volgende link: https://home.kpmg.com/xx/en/home/insights/2016/04/beps-country-by-country-implementation.html

Uiteraard zijn wij graag bereid om deze nieuwe vereisten nader toe te lichten en eventuele vragen naar aanleiding hiervan te beantwoorden.

Tim Bruins en Veronique Slachmuylders

 .

Naar boven


3. Hoge Raad: Nederland moet aftrek van Spaanse hypotheekrente verlenen

Al eerder berichtten wij over het oordeel van het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) inzake het recht op hypotheekrenteaftrek van een in Spanje wonende directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) voor een eigen woning gelegen in Spanje. De dga stelde dat hij recht had op volledige aftrek van betaalde hypotheekrente in Nederland in verband met zijn in Spanje gelegen eigen woning, aangezien hij deze in zijn woonland Spanje niet kon effectueren. Voor een nadere uiteenzetting van de casus en de inhoud van het oordeel van het HvJ verwijzen wij naar de oktober 2016-editie en de maart 2017-editie van onze nieuwsbrief. Op 12 mei 2017 heeft de Hoge Raad deze zaak in overeenstemming met de uitspraak van het HvJ afgedaan.

Gevolgen van dit arrest
Op basis van dit arrest zal in de situatie van werken in meerdere lidstaten elke werkstaat (ten minste) naar rato van het daar verworven inkomen rekening dienen te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van het individu indien daarmee geen rekening kan worden gehouden in de woonstaat.

Op basis van de uitkomst van dit arrest zou het thans gehanteerde inkomenscriterium zoals neergelegd in de regels omtrent de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (‘geheel of nagenoeg geheel’/ten minste 90%) moeten worden herzien. De uitspraak roept daarnaast praktische vragen op over in hoeverre Nederland als werkstaat rekening dient te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Vooralsnog is dan ook nog niet geheel duidelijk wat de exacte praktische gevolgen zullen zijn. Indien blijkt dat Zwitserland geen hypotheekrenteaftrek toestaat, kan belanghebbende dan de volledige betaalde hypotheekrente in aftrek brengen in Nederland? Moet Nederland iedere aftrekpost in aanmerking nemen (zoals lijfrenteaftrek, alimentatieverplichtingen of specifieke zorgkosten, naast de in deze casus genoemde hypotheekrenteaftrek), of slechts de met de woonstaat vergelijkbare aftrekposten?

Voorbeeld
De uitspraak van de Hoge Raad kan voor u van belang zijn indien u als inwoner van België bijvoorbeeld een eigen woning in België hebt en werkzaamheden verricht in Nederland (75% van uw tijd) en België (25%). Op grond van de huidige Nederlandse belastingwetgeving is het niet mogelijk om de betaalde rente van de hypotheeklening voor uw eigen woning in aftrek te brengen in uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, omdat u over minder dan 90% van uw wereldinkomen in Nederland belasting betaalt en derhalve niet wordt aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Op basis van dit arrest van de Hoge Raad zou Nederland echter 75% van de betaalde hypotheekrente in aanmerking dienen te nemen. In hoeverre moet Nederland dan nog rekening houden met de hypotheekrenteaftrek in België? Mocht deze situatie op u van toepassing zijn en hebt u in het verleden uw hypotheekrenteaftrek niet (voldoende) kunnen effectueren in Nederland, dan raden wij u aan om onze berichtgeving over deze casus nauwlettend in de gaten te houden. Wellicht pakt dit arrest van de Hoge Raad met terugwerkende kracht gunstig voor u uit. Het is daarbij raadzaam om bezwaar te maken tegen de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting zolang de aanslag nog niet definitief vaststaat.

Voor de onderhavige casus moet de uiteindelijke rekensom nog worden gemaakt: die laat de Hoge Raad over aan Hof Den Haag.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


4. Geen goed nieuws voor Belgen die via een Franse SCI vastgoed bezitten in Frankrijk

De Franse SCI: flexibel aanhouden van onroerend goed in Frankrijk
Heel wat Belgen bezitten vastgoed in Frankrijk. Vaak worden deze onroerende goederen gebruikt als tweede verblijf of verhuurd aan derden. Hoe dan ook, het is in Frankrijk gebruikelijk – en vaak ook interessant – dat natuurlijke personen hun vastgoed verwerven of aanhouden via een Franse vastgoedvennootschap, een SCI of ‘société civile immobilière’.

Dergelijke vastgoedvennootschappen hebben louter als doel het verwerven en/of aanhouden en het beheer van onroerende goederen. Onroerend goed aanhouden via een Franse SCI biedt tal van mogelijkheden, zowel op het vlak van beleid als in het kader van vermogensplanning (men denke hierbij aan het vrij schenken van de aandelen van de SCI waarbij men de controle kan blijven behouden, gunstige waardering bij overdracht, etcetera). Gelet op de rechtspersoonlijkheid van een dergelijke Franse SCI, is de SCI zelf eigenaar van het onroerend goed, waardoor klassieke problemen inzake onverdeeldheid tussen verschillende mede-eigenaars kunnen worden vermeden.

Op fiscaal vlak wordt echter door deze rechtspersoonlijkheid heen gekeken. SCI’s worden volgens het Franse belastingrecht onderworpen aan een stelsel van zogenoemde translucidité, op basis waarvan de vennootschap en haar leden toch niet geacht worden een onderscheiden bestaan te hebben. De leden worden behandeld alsof zij rechtstreeks eigenaars zijn van het onroerend goed van de SCI en het resultaat van de SCI wordt geacht aan de leden te zijn toegekend ongeacht of er werkelijk enige uitkering aan deze leden heeft plaatsgevonden.

Dit betekent dat de inkomsten die de SCI verkrijgt rechtstreeks worden belast bij de aandeelhouders persoonlijk naargelang hun aandeel. Hiertegenover staat dan weer dat de SCI, hoewel zij wel haar resultaat aangeeft, zelf niet wordt onderworpen aan de Franse vennootschapsbelasting.

Let op: dit geldt niet voor alle SCI’s. Een SCI kan er immers ook voor opteren om toch te worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting.

Problematiek
Wanneer een Belgisch inwoner aandeelhouder is in een Franse SCI wordt hij, bij toepassing van het Franse stelsel van translucidité, in persoonlijke naam belast in Frankrijk over de inkomsten van de SCI. Deze inkomsten worden, gelet op de vastgoedactiviteit van de SCI, naar intern Frans recht gekwalificeerd als inkomsten uit onroerende goederen.

De vraag die zich evenwel voordoet, is of de Belgische staat als woonstaat van de aandeelhouder ook nog enige belastingbevoegdheid heeft ter zake van deze inkomsten. Hierover bestond jarenlang rechtsonzekerheid.

Op 2 december 2004 besliste het Hof van Cassatie dat uitkeringen door een Franse SCI ook voor de toepassing van het Belgisch-Franse belastingverdrag als inkomsten uit onroerende goederen moeten worden beschouwd, waardoor deze inkomsten uitsluitend belastbaar kunnen zijn in Frankrijk.

België kon volgens het Hof van Cassatie geen belastingen heffen op dergelijke inkomsten. Positief nieuws dus voor de Belgische belastingplichtige.

Hoewel dit arrest met veel lof werd onthaald in de Belgische rechtspraak en rechtsleer, gaven de minister van Financiën en de Belgische Belastingdienst van begin af aan te kennen dat zij zich niet zomaar zouden neerleggen bij dit arrest.

Hof van Cassatie komt terug op zijn eerdere rechtspraak
In zijn arrest van 29 september 2016 spreekt het Hof van Cassatie zich opnieuw uit over de fiscale behandeling in België van de inkomsten uit een Franse SCI.

Terwijl het Hof van Cassatie in 2004 (hierin gevolgd door de meerderheid van de Belgische rechters) nog de mening was toegedaan dat België deze inkomsten uit een SCI moest vrijstellen van belastingen, komt ditzelfde Hof twaalf jaar later helaas terug op dit mijlpaalarrest…

Het Hof van Cassatie wijst er nu op dat maatschappelijke rechten in SCI’s voor de toepassing van het belastingverdrag niet noodzakelijkerwijze passen binnen het begrip ‘onroerend goed’.

Volgens het Hof er is dus geen reden om een beroep te doen op artikel 3 van het verdrag, dat regelt dat de inkomsten uit onroerende goederen uitsluitend kunnen worden belast in het land waar het onroerend goed is gelegen.

Gelet op het gegeven dat naar Belgisch intern recht de inkomsten kunnen worden gekwalificeerd als dividenden, is België volgens het Hof van Cassatie wel degelijk bevoegd om de inkomsten opnieuw aan belasting te onderwerpen.

Dubbele belasting en rechtsonzekerheid
Met bovengenoemde uitspraak komt het Hof van Cassatie terug op zijn eerdere arrest. Geen goed nieuws dus voor veel Belgische belastingplichtigen die onroerend goed aanhouden via een Franse SCI (lees: een Franse SCI met rechtspersoonlijkheid die niet aan de Franse vennootschapsbelasting is onderworpen). Dit recente standpunt van het Hof van Cassatie betekent immers dat het risico op dubbele belastingheffing op de loer ligt.

Er worden momenteel onderhandelingen gevoerd met betrekking tot een nieuw belastingverdrag tussen België en Frankrijk. Het zou ons inziens zeer nuttig zijn als deze kans wordt aangegrepen om in het kader van dit nieuwe verdrag meteen ook het stelsel van de inkomsten uit de SCI met rechtspersoonlijkheid uitdrukkelijk te regelen, zodat een einde kan worden gemaakt aan deze rechtsonzekerheid en mogelijke dubbele belastingheffing.

Thomas Zwaenepoel

Naar boven


5. Belangrijke wijziging btw-herzieningsregeling in Nederland op komst

De btw-herzieningsregeling in Nederland wordt waarschijnlijk uitgebreid tot verbouwingen van onroerend goed en andere zogenoemde kostbare diensten, zoals software. Het zal dan langer duren voordat btw-aftrek hierop definitief is en bij een gebruikswijziging moet eerder afgetrokken btw misschien worden terugbetaald. De nieuwe regels bieden ook uitzicht op een teruggaaf van btw waar die aanvankelijk niet kon worden genoten. De voorgestelde wijziging heeft een flinke impact voor heel veel bedrijven en instellingen, met name als die met btw-vrijstellingen te maken hebben. Omdat investeringen langduriger moeten worden gevolgd, nemen de administratieve lasten toe. Het voorstel is op dit moment openbaar gemaakt voor internetconsultatie, maar wordt naar verwachting zonder veel wijzigingen aangenomen.

De huidige btw-herzieningsregels
Kostbare diensten worden over langere tijd gebruikt en doorgaans geactiveerd op de balans. Deze diensten hebben daardoor de kenmerken van een investeringsgoed. De Nederlandse btw-regels kennen op dit moment een herzieningsregeling voor investeringsgoederen. Roerende zaken worden vijf jaar gevolgd en onroerende zaken tien jaar. Voor kostbare diensten geldt momenteel echter geen btw-herzieningsregeling.

Het voorstel
Op basis van het conceptvoorstel van het Ministerie van Financiën dat voor internetconsultatie openbaar is gemaakt, zal het btw-gebruik van kostbare diensten met ingang van 1 januari 2018 voor een langere periode moeten worden gevolgd. Kostbare diensten die betrekking hebben op een onroerende zaak worden volgens het voorstel tien boekjaren gevolgd. Kostbare diensten die niet zien op een onroerende zaak dienen volgens het voorstel vijf boekjaren te worden gevolgd. Kostbare diensten worden in het voorstel gedefinieerd als diensten waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting doorgaans afschrijft.

Het is momenteel niet duidelijk of er een overgangsregeling zal komen. Daarom is dus nog niet bekend of de voorgestelde wijziging ook impact zal hebben op de btw-aftrek van kostbare diensten die in 2017 of eerder zijn afgenomen en/of voltooid.

Het Ministerie van Financiën biedt betrokkenen de gelegenheid om op de voorgenomen wijziging te reageren.

Gevolgen voor de praktijk
Door de uitbreiding van de herzieningsregeling wordt het btw-gebruik van kostbare diensten in de boekjaren na de ingebruikname ook relevant. Een wijziging van het btw-gebruik van de kostbare diensten leidt tot een (evenredige) correctie van de eerder afgetrokken btw. Als de kostbare diensten binnen de herzieningstermijn voor meer btw-belaste doeleinden worden gebruikt dan in het jaar van eerste ingebruikname, zal alsnog een deel van de niet afgetrokken btw aan de ondernemer worden teruggegeven. Als de kostbare diensten daarentegen binnen de herzieningstermijn voor minder btw-belaste doeleinden worden gebruikt dan in het jaar van eerste ingebruikname, zal alsnog een deel van de afgetrokken btw aan de Belastingdienst moeten worden terugbetaald.

De invoering van de herziening op kostbare diensten kan ten opzichte van de huidige regeling zowel tot een voor- als nadeel voor de ondernemer leiden. Als een ondernemer bijvoorbeeld een verbouwd pand gedurende de eerste drie jaar btw-vrijgesteld verhuurt en het vervolgens btw-belast verhuurt, bestaat er op basis van de huidige regelgeving geen (aanvullend) recht op teruggaaf van de verbouwings-btw. Dit is nadelig voor de ondernemer. Na de invoering van de beoogde wijziging zal de ondernemer gedurende de resterende jaren van de btw-herzieningstermijn (circa zeven jaar) jaarlijks 10% van de verbouwings-btw bij de Belastingdienst kunnen terugvragen. Het omgekeerde kan zich echter ook voordoen. Een wijziging van btw-belaste verhuur naar btw-vrijgestelde verhuur leidt na wijziging van de herzieningsregels tot een jaarlijkse terugbetalingsverplichting.

De uitbreiding van de herzieningsregeling zal ook tot extra administratieve verplichtingen leiden. Van geval tot geval zal namelijk moeten worden beoordeeld of op een afgenomen dienst de btw-herzieningsregels van toepassing zijn of niet. Indien dit het geval is, zal dit op de juiste wijze in de administratie moeten worden vastgelegd.

Btw-standpunt in België
Overeenkomstig de geldende Belgische regelgeving mag een btw-belastingplichtige de btw geheven op bedrijfsmiddelen die aan herziening zijn onderworpen niet in aftrek brengen in de mate dat deze worden gebruikt voor andere doeleinden dan de economische activiteit.

De btw-herzieningsregeling van de aftrek van btw geheven op bedrijfsmiddelen strekt zich uit tot de lichamelijke, roerende of onroerende goederen die bestemd zijn om op duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen. Daarnaast kunnen ook diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt binnen de onderneming onder de Belgische btw-herzieningsregeling vallen. Deze diensten moeten een bepaalde en niet-kortstondige economische levensduur hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde diensten met betrekking tot verbeteringen en omvormingen van gebouwen (het leggen van een nieuw dak, het plaatsen van nieuwe ramen, etcera). Ook licenties, software op maat, cliënteel, octrooien enzovoort worden aangemerkt als bedrijfsmiddel. Criteria hiervoor zijn: i) de diensten moeten op duurzame wijze in de onderneming kunnen worden gebruikt en ii) de diensten moeten een bepaalde en niet-kortstondige economische levensduur hebben. Aangezien de waardering van deze criteria in geval van diensten veel moeilijker is, besliste de Belgische btw-administratie om slechts die dienstprestaties in aanmerking te nemen die afschrijfbaar zijn over een periode van vijf jaar.

Joost Willemsen en Gladys Cristiaensen

Naar boven


6. Einde indeling Nederlands uitzendbedrijf in vaksector

In Nederland draagt elke werkgever premies af aan een sectorfonds, bedoeld om werkloosheidsuitkeringen te financieren. Werkgevers worden op basis van hun ondernemingsactiviteiten in een sectorfonds ingedeeld. Tussen de verschillende sectoren bestaan grote verschillen in de af te dragen premies. De premie voor de uitzendbranche behoort tot de hoogste. Voor het uitzendbedrijf bestond tot voor kort de zogeheten vaksectorfaciliteit: daarmee kon het uitzendbureau worden ingedeeld in de (vaak goedkopere) sector waarin deze meer dan 50% van zijn arbeidskrachten ter beschikking stelde. Per 25 mei 2017 is het door een wetswijziging niet langer mogelijk voor uitzendbedrijven om bij het sectorfonds te worden ingedeeld. Deze zogeheten vaksectorverloning geldt voorlopig nog wel voor uitzendbedrijven die voor 25 mei 2017 in een vaksector zijn ingedeeld of een aanvraag daartoe hebben ingediend. Uitzendbureaus en vergelijkbare werkgevers die hier niet onder vallen worden vanaf nu in de relatief dure sector Uitzendbranche ingedeeld. Wij hebben voor u de belangrijkste punten uit de wetswijziging samengevat in een memorandum: lees meer.

Ton van Dael en William Donders

Naar boven


7. Wijziging Nederlands standaardhuwelijksvermogensregime

Per 1 januari 2018 gaat er standaard een nieuw huwelijksvermogensrechtstelsel gelden: de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. Het initiatiefwetsvoorstel dat dit stelsel heeft geïntroduceerd, is op 28 maart 2017 met een nipte meerderheid door de Eerste Kamer aangenomen, nadat het in april 2016 met een ruime meerderheid in de Tweede Kamer was goedgekeurd. De beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zal in principe gelden voor echtgenoten die na 31 december 2017 in het huwelijk treden.

Huidige standaardhuwelijksvermogensrechtstelsel
Op basis van het nu nog geldende huwelijksvermogensrecht ontstaat na het huwelijk tussen echtgenoten van rechtswege een algehele gemeenschap van goederen. In principe worden alle vermogensbestanddelen van de echtgenoten gemeenschappelijk (‘boedelmenging’). Echtgenoten kunnen bij huwelijkse voorwaarden echter een ander regime overeenkomen, zoals uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, eventueel in combinatie met een verrekenbeding bij echtscheiding en/of overlijden.

Schenkingen en erfenissen die onder uitsluitingsclausule zijn verkregen behoren in principe tot het privévermogen van de verkrijger en vallen derhalve buiten de huwelijksgemeenschap. Bepaald kan worden dat de uitsluitingsclausule niet geldt indien het huwelijk van de verkrijger wordt ontbonden door overlijden (de zogenoemde zachte uitsluitingsclausule).

De beperkte wettelijke gemeenschap van goederen
Voor echtgenoten die na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel in het huwelijk zijn getreden– dus voor huwelijken vanaf 1 januari 2018 – geldt dat van rechtswege de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zal gelden, tenzij de echtgenoten voorafgaand aan het huwelijk een afwijkende regeling treffen. Tot de gemeenschap van goederen behoren in principe alle goederen en schulden die door de echtgenoten tijdens het huwelijk zijn verworven of aangegaan. Van de gemeenschap zijn uitgezonderd: het voorhuwelijks privévermogen, schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen. Door middel van huwelijkse voorwaarden kunnen echtgenoten dit wettelijke regime uitbreiden of beperken.

Voorhuwelijks vermogen
Op basis van het nieuwe standaardstelsel zal het voorhuwelijks privévermogen van de echtgenoten niet tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Goederen en/of schulden die voorafgaand aan het huwelijk door de echtgenoten gezamenlijk zijn verworven of aangegaan, behoren daarentegen wel tot de beperkte gemeenschap van goederen. Hierdoor worden de echtgenoten voor gelijke delen gerechtigd tot dit vermogen, ongeacht de eigendomsverhouding die bestond voor het huwelijk.

Schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen
Schenkingen en erfenissen die door de echtgenoten tijdens het huwelijk worden verkregen, vallen buiten de beperkte gemeenschap van goederen in het privévermogen van de echtgenoten. Door middel van een zogeheten insluitingsclausule kunnen schenkers/erflaters ervoor zorgen dat deze verkrijgingen alsnog tot de eventuele gemeenschap van goederen van de verkrijgers behoren.

Uitzondering
Op deze basisregels geldt een belangrijke uitzondering. Indien tussen echtgenoten na ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding discussie bestaat aan wie in privé welke goederen toekomen en geen van beiden dit kan aantonen, geldt als uitgangspunt dat deze goederen deel uitmaken van de beperkte gemeenschap van goederen. Het is daarom belangrijk om dit goed te administreren.

Mirjam Wesselink en Godelieve Refuge

Naar boven


8. ‘Nieuw’ Belgisch standpunt inzake aandelenopties toegekend aan zaakvoerders van managementvennootschappen

Op 13 april 2017 verscheen in België een circulaire die meer toelichting geeft over de fiscale behandeling van de toekenning van aandelenopties aan de zaakvoerders van managementvennootschappen. Aangezien België een gunstig fiscaal regime kent voor de toekenning van aandelenopties aan natuurlijke personen, wordt er vaak voor geopteerd deze toe te kennen aan de zaakvoerder van de managementvennootschap in plaats van aan de managementvennootschap zelf. Hoe een dergelijke toekenning fiscaal wordt behandeld, wordt nu door deze circulaire opgehelderd. Hierover was namelijk onduidelijkheid ontstaan.

Wat zegt de circulaire van 13 april 2017?
Wanneer een zaakvoerder van een managementvennootschap als natuurlijke persoon (onderworpen aan de personenbelasting in België) rechtstreeks aandelenopties krijgt toegekend door de vennootschap waarmee de managementvennootschap een overeenkomst heeft, moeten deze aandelenopties worden belast bij de verkrijger (de zaakvoerder).

De wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (hierna: ‘Aandelenoptiewet’) bepaalt op welke wijze bovengenoemde aandelenopties bij de verkrijger worden belast. Het (forfaitair) belastbaar voordeel voor de zaakvoerder bedraagt voor niet-beursgenoteerde aandelen 18% van de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod, voor aandelenopties met een optietermijn van maximum vijf jaar (verhoogd met 1% voor elk jaar of gedeelte van een jaar dat de optietermijn langer is dan vijf jaar). Dit forfaitair voordeel wordt gehalveerd tot 9% (en de verhoging tot 0,5%) onder vijf strikte voorwaarden, waaronder dat de aandelenoptie betrekking moet hebben “(...) op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend of een ermee gelieerde vennootschap”.

Is aan een of meerdere van de door de wet voorziene voorwaarden niet voldaan, dan geldt de halvering niet en wordt de forfaitaire waarde van het voordeel bepaald op 18% van de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod, zodat de begunstigde-natuurlijke persoon hierover onder de Belgische personenbelasting kan worden belast.

De circulaire bepaalt nu expliciet dat aandelenopties die door de vennootschap waaraan de managementprestaties worden geleverd rechtstreeks worden toegekend aan de zaakvoerder van deze managementvennootschap (en dus niet aan de managementvennootschap), niet voldoen aan de voorwaarden voor de halvering van het forfaitair bepaalde voordeel. Wanneer een zaakvoerder van een managementvennootschap als natuurlijke persoon (onderworpen aan de personenbelasting in België) rechtstreeks aandelenopties krijgt toegekend door de vennootschap waarmee de managementvennootschap een overeenkomst heeft, moet het belastbaar voordeel voor deze zaakvoerder dan ook worden gewaardeerd op 18% van de waarde van de onderliggende aandelen op het ogenblik van het aanbod (met mogelijke verhogingen afhankelijk van de optietermijn).

In het verleden werd in een dergelijke situatie echter toegestaan dat deze waardering werd gehalveerd indien de managementvennootschap benoemd werd als lid van de raad van bestuur van de toekennende vennootschap én de zaakvoerder hierbij als ‘vaste vertegenwoordiger’ werd aangeduid. Dit lijkt op basis van de bewoordingen van de circulaire niet meer mogelijk.

Het is volgens de circulaire juridisch gezien immers de managementvennootschap die de managementprestatie levert en niet de zaakvoerder zelf. Aangezien de zaakvoerder zijn beroepswerkzaamheid uitoefent ten behoeve van de managementvennootschap en niet ten behoeve van de vennootschap aan wie de managementvennootschap prestaties levert, is niet voldaan aan de eerder aangehaalde voorwaarde. Dit geldt ongeacht of de managementvennootschap bestuurder is van de vennootschap die de aandelenopties toekent of niet.

Dit standpunt is van toepassing op alle aandelenopties die worden toegekend na 13 april 2017.

Voor aandelenopties die voor deze datum werden toegekend aan de zaakvoerders van de managementvennootschap voor zover deze tevens als vaste vertegenwoordiger van de managementvennootschap zijn benoemd, achten wij het nog steeds verdedigbaar dat dan het gehalveerde tarief nog kan worden toegepast. Dan is er immers zowel vennootschapsrechtelijk als fiscaal een rechtstreekse band tussen de zaakvoerder en de vennootschap/opdrachtgever, zodat naar onze mening de voorwaarden voor de toepassing van de verlaagde tarieven zijn vervuld. Dit werd in 2007 bevestigd door de Centrale Diensten en nadien nog enkele malen (onder meer in 2014) herbevestigd. De normale tarieven gelden voor andere zaakvoerders van managementvennootschappen.

Vanaf 13 april 2017 lijkt dit onderscheid niet meer te bestaan en lijkt het normale tarief van toepassing bij elke rechtstreekse toekenning aan de zaakvoerder van een managementvennootschap.

Wat betekent dit voor u?
Het rechtstreeks toekennen van aandelenopties aan de zaakvoerder van een managementvennootschap verdient steeds bijzondere aandacht. Niet alleen omwille van het bovenstaande, maar daarnaast ook – net zoals andere rechtstreekse toekenningen – omwille van de structuur en werkwijze van de managementvennootschap.

Het is bij structuren waarbij met managementvennootschappen wordt gewerkt dan ook steeds nuttig om hierover vooraf te overleggen met uw adviseur en samen te bekijken of alle toekenningen vennootschapsrechtelijk en fiscaalrechtelijk consistent zijn met de opzet van de structuur. Hierdoor kunnen vaak onnodige discussies met de belastingadministraties worden vermeden.

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


9. Bevestiging (on)belastbaarheid AOW-uitkering in België

In zijn arrest van 5 mei 2017 bevestigde het Belgische Hof van Cassatie dat een Nederlandse AOW-uitkering verkregen door een inwoner van België slechts belastbaar is in België indien deze uitkering een (on)rechtstreekse band met de beroepswerkzaamheid heeft. Een AOW-uitkering verkregen op grond van ‘wonen in Nederland’ of vrijwillige betaling van premies is, volgens dit arrest, niet belastbaar in België als pensioeninkomen.

Cassatiearrest 5 mei 2017
Na jarenlange verdeelde rechtspraak bevestigde het Hof van Cassatie vorig jaar in twee arresten van
4 februari 2016 dat een AOW-uitkering slechts belastbaar is in België voor zover deze uitkering verband houdt met de beroepswerkzaamheid (lees meer). Dit werd recent opnieuw bevestigd door het Hof van Cassatie, dat op 5 mei 2017 stelde dat een Nederlandse AOW-uitkering belastbaar is in België;

“(...) indien de genieter een beroepswerkzaamheid in Nederland heeft verricht en tot de financiering van de AOW heeft bijgedragen door middel van een premie die wordt ingehouden op het loon of een premie heeft betaald die onder meer werd geheven op het beroepsinkomen.”

Op grond hiervan besliste het Hof dat de AOW-uitkering voor de jaren van opbouw op grond van wonen in Nederland niet belastbaar is in België als pensioeninkomen. Nieuw in dit arrest is dat er uitdrukkelijk wordt bevestigd dat een AOW-uitkering opgebouwd naar aanleiding van vrijwillige premies tevens niet belastbaar is in België.

Op basis van uw persoonlijke situatie bekijken wij graag samen met u de mogelijkheid tot vrijstelling van de AOW-uitkering in België, alsook de gevolgen hiervan in Nederland.

Sjeel Debeuf

Naar boven


 

Dit was de laatste editie van de KPMG Belgium-Holland Desk nieuwsbrief voor aanvang van de zomervakantie 2017. Uiteraard komen wij in september 2017 graag weer bij u terug met nieuwe onderwerpen! Namens de redactie van deze nieuwsbrief wensen wij u een fijne vakantie toe en vergeet niet alvast de datum van ons seminar op donderdagochtend 5 oktober 2017 in uw agenda te noteren!