Uitfaseren van pensioenopbouw in eigen beheer

Met ingang van 2017 is pensioenopbouw in eigen beheer door de directeur-grootaandeelhouder (dga) niet langer mogelijk. Er komt een afkoopmogelijkheid, zowel voor ingegane als voor nog niet ingegane pensioenen. Allereerst kan de hogere commerciële waarde van het pensioen fiscaal geruisloos worden afgestempeld naar de lagere fiscale waarde. Loonbelasting, revisierente en vennootschapsbelasting worden niet geheven. De dga heeft vervolgens de keuze om het pensioen in 2017, 2018 of 2019 fiscaal gefacilieerd af te kopen. In 2017 zal een korting van 34,5% op de grondslag gelden, in 2018 een korting van 25% en in 2019 een korting van 19,5%. Gerekend vanuit het hoogste belastingtarief (52%) betekent dit een belastingtarief van circa 34% (2017), 39% (2018) of 42% (2019). De afnemende korting is erop gericht dat de dga’s zo snel mogelijk ‘uitfaseren’. Bij een niet ingegaan pensioen wordt de korting (maximaal) verleend over de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting op 31 december 2015 (de grondslag). Over het verschil tussen de uiteindelijke afkoopsom en de grondslag wordt geen korting gegeven. Bij een ingegaan pensioen wordt de korting berekend over de fiscale waarde op het moment van afstempelen. Het door de afkoop ontstane pensioentekort kan niet alsnog worden aangezuiverd in de lijfrentesfeer.

Voor degenen die het pensioen in eigen beheer niet willen of kunnen afkopen geldt ook dat de hogere commerciële waarde van het pensioen mag worden afgestempeld tot de lagere fiscale waarde, mits het pensioen wordt omgezet in een spaarvariant (‘oudedagsverplichting’). Daarmee worden ook deze dga’s grotendeels bevrijd van de ‘dividendklem’. Het geld blijft in de onderneming en de dga houdt een reservering voor de oude dag. Verdere opbouw is niet mogelijk, maar de spaarpot moet wel jaarlijks stijgen met een wettelijk voorgeschreven rente. Belastingheffing vindt plaats in de uitkeringsperiode. De reservering moet na het bereiken van de AOW-leeftijd gedurende twintig jaar gelijkmatig worden uitgekeerd. Desgewenst mogen de uitkeringen vijf jaar eerder ingaan, maar dan moet gedurende 25 jaar worden uitgekeerd.
Met de beide vorenstaande alternatieven moet de (gewezen) partner uitdrukkelijk instemmen. Gebeurt dat niet, dan zullen de pensioenrechten in eigen beheer blijven en worden bevroren (ook het ouderdomspensioen). Alle huidige fiscale regelingen en sancties blijven van toepassing.

De mogelijkheid om fiscaal zonder heffing van loonbelasting en revisierente volledig af te zien van het pensioen (prijsgeven), wat een oplossing zou zijn voor pensioenen die ‘onder water’ staan, wordt helaas niet opengesteld.
Terughalen van bij een verzekeraar ondergebracht pensioen naar eigen beheer kan niet meer vanaf 1 januari 2017. In 2016 kan dit nog wel, maar als vervolgens wordt afgekocht in 2017, 2018 of 2019, wordt over dit deel geen korting gegeven.
Als de aandelen van het eigenbeheerlichaam niet in handen zijn van de dga, wordt schenkbelasting verschuldigd indien als gevolg van afstempeling de waarde van de aandelen stijgt.

Pensioenrichtleeftijd en ingangsdatum

Pensioenuitvoerders hebben hun administratie in de regel ingericht op uitkeringen die ingaan op de eerste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Fiscaal mag het pensioen eerder ingaan dan de dag waarop de pensioenrichtleeftijd wordt bereikt (thans 67 jaar), maar dan moet het pensioen wel actuarieel worden herrekend; ook als het minder dan een maand scheelt. Dit veroorzaakt aanzienlijke administratieve lasten. De tijdelijke goedkeuring in een beleidsbesluit dat actuariële herrekening niet hoeft plaats te vinden als de ingangsdatum de eerste dag van de maand is waarin de pensioenrichtleeftijd wordt bereikt (die zou lopen tot 1 januari 2018) wordt omgezet in een permanente wettelijke regeling.

Ingangsdatum van partnerpensioen, wezenpensioen en nabestaandenoverbruggingspensioen

Partnerpensioen, wezenpensioen en nabestaandenoverbruggingspensioen moet met ingang van 2017 ingaan tussen de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) werknemer overlijdt en de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de (gewezen) werknemer is overleden, dit eveneens ter voorkoming van administratieve lasten.

100%-grens bij pensioenopbouw en daarvan afgeleide normen

Ouderdomspensioen mag naar huidig recht niet uitgaan boven 100% van het laatstverdiende pensioengevend loon. Voor partnerpensioen en wezenpensioen gelden afgeleide normen. Met de huidige wet- en regelgeving is het vrijwel onmogelijk om de 100%-norm te overschrijden. Voorgesteld wordt dan ook om deze regeling af te schaffen.

Afschaffing van het doorwerkvereiste

Een werknemer kan de pensioeningangsdatum uitsluitend uitstellen indien en voorzover hij in dienstbetrekking werkzaam blijft. Aan het doorwerkvereiste wordt ook voldaan als een ex-werknemer werkzaamheden verricht als ondernemer of resultaatgenieter. De jaarlijkse toets om te beoordelen of nog wordt doorgewerkt veroorzaakt veel administratieve lasten. Het Kabinet wil daarom het doorwerkvereiste afschaffen.

Nabestaandenoverbruggingspensioen voor halfwezen

Strikt genomen is het met ingang van 1 januari 2015 niet meer mogelijk om een nabestaandenoverbruggingspensioen voor halfwezen op te bouwen. Dit acht het kabinet niet wenselijk. Het voorstel is om de maximale omvang van het nabestaandenoverbruggingspensioen voor halfwezen te stellen op de helft van de omvang van het nabestaandenoverbruggingspensioen voor de volle wees, waardoor het probleem wordt verholpen.

Beleggingsondernemingen als toegelaten aanbieder voor lijfrenteproducten

Beleggingsondernemingen worden toegelaten als aanbieder voor fiscaal gefacilieerde lijfrenteproducten, onder voorwaarde dat het gaat om een geïndividualiseerde, geblokkeerde beleggingsrekening, waarbij de rendementen worden bijgeschreven. Het tegoed van de rekening mag uitsluitend worden aangewend voor een oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente of een uitkering in termijnen (onder voorwaarden).