Maatregelen om sluiproutes in en tussen box 2 en box 3 via een vrijgestelde vbi tegen te gaan

Het kabinet wil tegengaan dat belastingplichtigen door middel van een vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) overtollig vermogen belastingvrij uit hun bv afsplitsen zodat over het rendement geen vennootschapsbelasting meer hoeft te worden betaald, maar het rendement alleen in box 2 is belast. Daarnaast wil het kabinet bestrijden dat belastingplichtigen box 3-vermogen tijdelijk onderbrengen in een ‘flits-vbi’, zodat zij de heffing in box 3 ontlopen of uitstellen en tijdelijk in box 2 worden belast. Daartoe stelt het kabinet een drietal maatregelen voor:

  1.  Voortaan zal moeten worden afgerekend over de aanmerkelijkbelangclaim wanneer een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft de vbi-status verkrijgt. Deze antimisbruikmaatregel geldt alleen voor positieve aanmerkelijkbelangclaims en zal terugwerkende kracht hebben voor verzoeken om toepassing van het VBI-regime welke zijn gedaan ná 20 september 2016 om 15.15.
  2. Box 3-vermogen dat wordt ondergebracht in een vbi of een buitenlands beleggingslichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, wordt zowel in box 2 als in box 3 belast wanneer dat vermogen binnen achttien maanden weer terug naar box 3 wordt gebracht. Hiermee wordt de flits-vbi tegengegaan. Hiervoor zal een tegenbewijsregeling gelden om dubbele heffing te voorkomen. Verder zullen belastingplichtigen een dergelijke overdracht uit eigen beweging moeten melden.
  3. Tot slot wordt het percentage van het forfaitair rendement uit een vbi gekoppeld aan het voor dat jaar geldende percentage van de hoogste schijf in box 3.

Beperking reikwijdte toerekeningsstop afgezonderde particuliere vermogens

Sinds 1 januari 2010 worden het vermogen en het inkomen van een afgezonderd particulier vermogen (APV), bijvoorbeeld een trust of een (buitenlandse) particuliere stichting, toegerekend aan de inbrenger van het vermogen (of aan zijn erfgenamen). Deze toerekening geldt niet indien het APV zelf in een naar Nederlandse maatstaven reële heffing naar de winst wordt betrokken, te weten een tarief van ten minste 10% over een vergelijkbare grondslag (toerekeningsstop). Deze stop is van origine bedoeld om dubbele belasting te voorkomen. In de praktijk blijkt de toerekeningsstop echter te worden gebruikt om toerekening aan de inbrenger te voorkomen, terwijl in het buitenland effectief (bijna) geen winstbelasting wordt geheven of net aan het 10%-tarief wordt voldaan, terwijl bij de inbrenger een veel hoger tarief van toepassing zou zijn geweest. Daarom word voorgesteld om de toerekeningsstop alleen nog te laten gelden voor APV’s die een reële, actieve onderneming drijven. Voor de situaties waarin de toerekeningsstop niet van toepassing is, zal in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001) worden voorzien in voorkoming van dubbele belasting voor zover daar op grond van een belastingverdrag of het Bvdb 2001 recht op zou hebben bestaan zonder tussenkomst van het APV. Aandelen en winstbewijzen kunnen door deze maatregel bij de inbrenger of diens erfgenamen gaan behoren tot een aanmerkelijk belang. De verkrijgingsprijs van deze aandelen wordt in beginsel vastgesteld op de historische verkrijgingsprijs van de inbrenger voor inbreng in het APV. Voorgesteld wordt om de beperking van de reikwijdte van de toerekeningsstop te laten terugwerken tot en met het tijdstip van bekendmaken van de maatregel (20 september 2016, 15.15 uur) ter voorkoming van anticipatiegedrag.

Aftrekmogelijkheid voor onderhoudskosten aan Rijksmonumenten wordt afgeschaft

De fiscale persoonsgebonden aftrek voor onderhoudskosten aan Rijksmonumenten wordt afgeschaft per 1 januari 2017; de mogelijkheid om een laagrentende lening af te sluiten bij het Nationaal Restauratiefonds blijft bestaan.

Afschaffing aftrek van scholingsuitgaven per 2018

De fiscale aftrek van scholingsuitgaven is een regeling op grond waarvan belastingplichtigen kosten voor een opleiding of studie onder voorwaarden kunnen aftrekken. Het kabinet stelt voor deze regeling per 1 januari 2018 af te schaffen, onder meer vanwege twijfel over de effectiviteit en doelmatigheid ervan. Een deel van de opbrengst van deze maatregel zal worden ingezet voor een nog in te voeren regeling met scholingsvouchers.

Toerekening van schulden in geval van vruchtgebruik krachtens erfrecht in box 3

Hoofdregel: bij vruchtgebruik in box 3 wordt de waarde van het vruchtgebruik bij de vruchtgebruiker belast en de waarde van de bloot eigendom bij de bloot eigenaar. Uitzondering: bij vruchtgebruik krachtens erfrecht wordt de volle waarde van de eigendom belast bij de vruchtgebruiker. De schulden uit de nalatenschap waarop het vruchtgebruik rust worden echter volgens de hoofdregel belast. Voorgesteld wordt om de behandeling van de schulden in lijn te brengen met die van de bezittingen, waardoor bij vruchtgebruik krachtens erfrecht de waarde van bezittingen zowel als schulden volledig bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen.

Vruchtgebruik eigen woning in box 1

Wanneer vruchtgebruik van een eigen woning is opgekomen krachtens erfrecht zit de woning in box 1, mits de vruchtgebruiker tevens de voordelen uit de woning geniet en de kosten en lasten op hem drukken. Rente en kosten die de vruchtgebruiker krachtens erfrecht in verband met zo’n eigen woning moet betalen kunnen onder voorwaarden worden afgetrokken als rente en kosten van een eigenwoningschuld. Dit was al in 2014 door de staatssecretaris goedgekeurd. Deze goedkeuring wordt nu gecodificeerd en uitgebreid. De vruchtgebruiker neemt als het ware de fiscale positie van de erflater over. Hetzelfde geldt mutatis mutandis als sprake is van een recht van gebruik of bewoning dat is opgekomen krachtens erfrecht.

Versoepelingen bij afkoop van kapitaalverzekeringen en soortgelijke bankspaarproducten

Een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning, beleggingsrecht eigen woning of een kapitaalverzekering afgesloten op of na 1 januari 1992 is vrijgesteld als gedurende ten minste vijftien jaren of twintig jaren jaarlijks premie is betaald. Voorwaarde is dat de hoogste premie niet meer bedraagt dan tienmaal de laagste. In de volgende situaties geldt de eis van het minimaal aantal jaren premiebetaling niet:

  1. voor wie zijn eigen woning verkoopt en verhuist naar een huurwoning;
  2. bij beëindiging van het fiscaal partnerschap;
  3. als de eigen woning wordt verkocht en de verkoper met een restschuld blijft zitten;
  4. voor wie gebruikmaakt van een vorm van (gemeentelijke) schuldhulpverlening.


Situatie 1 stond al in de wet. In de situaties 2, 3 en 4 kon de vrijstelling vanaf 1 januari 2013 al worden ingeroepen op grond van een beleidsbesluit, mits de afkoopsom werd gebruikt voor aflossing van de hypotheek. Dit wordt nu in de wet neergelegd.
In zoverre met een afkoopsom de hypotheek niet wordt afgelost, is het rentebestanddeel in de uitkering in principe belast. Wie echter met een dergelijke kapitaalverzekering of een dergelijk bankspaarproduct op of na 1 januari 2010 naar een goedkopere koopwoning is verhuisd, verliest bij latere afkoop niet meer de vrijstelling voor zover de afkoopsom de hypotheekschuld overtreft. Deze wettelijke goedkeuring is nieuw.

Heffingvrij vermogen voor buitenlandse belastingplichtigen

Naar aanleiding van rechtspraak van de Hoge Raad (HR) en het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) in de zaken Miljoen, X en Société Générale wordt in de dividendbelasting een teruggaafregeling ingevoerd. Verder wordt in de inkomstenbelasting geregeld dat ook bij buitenlandse belastingplichtigen met een box 3-inkomen het heffingvrije vermogen in aanmerking wordt genomen. Zie verder het onderdeel Dividendbelasting.

Beperking van de verlenging van de derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting

In 2016 bedraagt de bovengrens van de derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting € 66.421. Op grond van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, het Belastingplan 2016 en de inflatiecorrectie zou deze bovengrens per 2017 worden verhoogd naar € 67.472. Voorgesteld wordt om deze bovengrens, nadat de hiervoor genoemde verhogingen zijn aangebracht en de indexatie heeft plaatsgevonden, met € 400 te verlagen. In dat geval eindigt de derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting in 2017 bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.072.

Verhoging van de algemene heffingskorting

In 2016 bedraagt de maximale algemene heffingskorting € 2.242. Op grond van het Belastingplan 2014, het Belastingplan 2016 en de inflatiecorrectie zou de maximale algemene heffingskorting per 2017 worden verlaagd naar € 2.206. Voorgesteld wordt de maximale algemene heffingskorting, nadat de hiervoor genoemde verlagingen zijn aangebracht en de indexatie heeft plaatsgevonden, met € 48 te verhogen. In dat geval bedraagt de maximale algemene heffingskorting voor 2017 € 2.254.

Beperking van de verhoging van de maximale arbeidskorting en wijziging van het startpunt van de afbouw van de arbeidskorting

In 2016 bedraagt de maximale arbeidskorting € 3.103. Op grond van het Belastingplan 2014, het Belastingplan 2016 en de inflatiecorrectie zou de maximale arbeidskorting per 2017 worden verhoogd naar € 3.269. Voorgesteld wordt om de maximale arbeidskorting, nadat de hiervoor genoemde verhogingen zijn aangebracht en de indexatie heeft plaatsgevonden, met € 46 te verlagen. In dat geval bedraagt de maximale arbeidskorting in 2017 € 3.223. Naast deze aanpassing van de maximale arbeidskorting wordt ook het startpunt van de afbouw van de arbeidskorting aangepast. In 2016 ligt het startpunt van de afbouw op € 34.015. Op grond van het Belastingplan 2015, het Belastingplan 2016 en de inflatiecorrectie zou dit startpunt per 2017 worden verlaagd naar € 33.944. Voorgesteld wordt het startpunt van de afbouw van de arbeidskorting, nadat de hiervoor genoemde verlagingen zijn aangebracht en de indexatie heeft plaatsgevonden, verder te verlagen met € 1.500. In dat geval komt het startpunt van de afbouw van de arbeidskorting in 2017 op € 32.444 te liggen.

Verhoging ouderenkorting

Op grond van het Belastingplan 2016 wordt de in die wet opgenomen verhoging van de ouderenkorting per 2016 van € 222 per 2017 grotendeels teruggedraaid. Het Belastingplan 2016 bevat namelijk een verlaging van de ouderenkorting per 2017 van € 114. Voorgesteld wordt om de ouderenkorting, nadat de hiervoor genoemde verlaging is aangebracht en de indexatie heeft plaatsgevonden, met € 215 te verhogen. In dat geval wordt de ouderenkorting per 2017 € 1292 (in 2016: € 1.187) voor pensioengerechtigden met een verzamelinkomen van niet meer dan € 36.057. Met deze verhoging van de ouderenkorting wordt de koopkracht van pensioengerechtigden structureel verbeterd.